RBOVE 160626 geen letsel; (geluids)overlast gemeentelijke groenstrook naast woning; hoge lat onrechtmatige hinder niet gehaald; belang speelruimte weegt zwaarder
- Meer over dit onderwerp:
RBOVE 160626 geen letsel; (geluids)overlast gemeentelijke groenstrook naast woning; hoge lat onrechtmatige hinder niet gehaald; belang speelruimte weegt zwaarder
4Het geschil
4.1
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de gemeente veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis doeltreffende maatregelen te treffen ter voorkoming, althans beperking, van de hinder, waaronder (maar niet uitsluitend):
- het aanbrengen van extra beplanting en/of perkjes op de groenstrook ter hoogte van de woning van [eiser], zodanig dat collectief sport en spel wordt ontmoedigd;
- het beperken van de toegankelijkheid van de groenstrook voor groepsactiviteiten;
dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 462,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
III. de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2
[eiser] baseert het gevorderde hoofdzakelijk op het bepaalde in artikel 5:37 juncto artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens hem is er sprake van structurele, ernstige en langdurige hinder die het normale leefgeluid in een woonwijk ruimschoots overschrijdt. De aard van de overlast bestaat uit het intensieve en veelal dagelijkse gebruik van de in 2021 aangelegde groenstrook voor collectieve sport- en spelactiviteiten, in het bijzonder voetbal, door groepen variërend van acht tot achttien personen, waaronder kinderen, jongeren en volwassenen. Deze activiteiten veroorzaken aanzienlijke geluids-hinder, gekenmerkt door geschreeuw en lawaai en vinden vooral plaats bij gunstige weers-omstandigheden gedurende vier tot acht uur per dag in het voorjaar, zomer en vroege najaar. Ook wordt er incidenteel met quads gereden op de groenstrook. Dit vergroot de geluids-overlast en vormt ook een aantasting van het veiligheidsgevoel van [eiser]. De hinder is disproportioneel, nu [eiser] direct aan de groenstrook woont en zijn kantoorruimte zich pal aan de erfgrens bevindt. Ondanks de aanleg van extra groen is de overlast niet beëindigd.
Het nalaten om verdere effectieve maatregelen te treffen vormt een schending van de zorgplicht en getuigt van een onvoldoende belangenafweging zoals vereist op grond van artikel 6:162 BW. Er is sprake van aantasting van zijn woongenot. Het ontneemt hem zijn avond- en weekendrust en verstoort zijn werkzaamheden overdag, die hij vanuit zijn kantoor aan huis verricht. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van onrechtmatige hinder verwijst [eiser] naar de herhaalde en gedocumenteerde klachten die zijn ingediend bij de gemeente en naar het overgelegde foto- en video-materiaal.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het huidige gebruik van de groenstrook wezenlijk afwijkt van de gangbare betekenis van een groenstrook. Dat onderstreept dat het huidige gebruik niet strookt met de bestemming “Groen met gemengd gebruik”. De gemeente handelt dan ook in strijd met het bestemmingsplan en de zorgvuldigheidsnorm van artikel 3:4 van de algemene wet bestuursrecht (Awb). Het eenzijdig bestemmen van de gehele groenstrook vormt een onrechtmatige daad jegens hem. Het huidige gebruik is ook in strijd met de APV.
De gemeente heeft als eigenaar en beheerder van de openbare ruimte een zorgplicht tegenover de omwonenden. Bij de inrichting en het beheer van de groenstrook dient de gemeente rekening te houden met de belangen van direct omwonenden. Volgens [eiser] heeft de gemeente, ondanks dat hij herhaalde en concrete voorstellen heeft gedaan, nagelaten om passende maatregelen te treffen. Zijn voorstellen zijn structureel afgewezen, zonder een belangenafweging te maken tussen zijn belang op rustig woongenot en het belang van de wijkbewoners bij collectief spel op deze specifieke locatie. Daarbij komt dat hij, mede door zijn kwetsbare gezondheidssituatie, aan zijn woning is gebonden en geen mogelijkheid heeft om te verhuizen.
4.3
De gemeente heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.
5De beoordeling
De bestemming van de groenstrook
5.1
De kantonrechter stelt vast dat de groenstrook in het in december 2012 vastgestelde bestemmingsplan Nijrees Noord- Almelo de bestemming “Groen” heeft. In artikel 3 van het bestemmingsplan is deze bestemming als volgt omschreven:
“De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. voetpaden, fietspaden en fiets/bromfietspaden;
c. speelvoorzieningen;
d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
met daaraan ondergeschikt:
e. openbare nutsvoorzieningen;
f. verkeersvoorzieningen;
g. voorzieningen ten behoeve van de beeldende kunst;
h. bermen, taluds en beplanting;
i. geluidswerende voorzieningen;
met daarbij behorende
j. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen.”
5.2
[eiser] stelt dat er in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan. De gemeente betwist dit en stelt zich op het standpunt dat het huidige gebruik van de groenstrook in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat de wijze waarop de groenstrook wordt gebruikt in strijd is met het bestemmingsplan. Uit de hiervoor opgenomen omschrijving volgt dat de groenstrook op meerdere manieren en voor meerdere voorzieningen mag worden gebruikt. In die zin heeft de groenstrook een gemengd karakter. Er wordt onder c. expliciet vermeld dat de gronden met deze bestemming ook bestemd zijn voor speelvoorzieningen. Anders dan [eiser] meent omvat dit niet alleen het plaatsen en gebruik van speeltoestellen, maar ook andere spel- en sportactiviteiten. Dit betekent dat er ook gevoetbald mag worden. Voor zover [eiser] naar voren heeft gebracht dat de strook in de praktijk functioneert als een groot speel- en sportterrein waarbij de groenfunctie is verdwenen, overweegt de kantonrechter dat dit niet blijkt uit de overgelegde foto’s. Uit deze foto’s blijkt dat er groenvoorzieningen in de vorm van bomen, beplanting en gras aanwezig zijn.
5.3
Het betoog van [eiser] dat de groenstrook pas is gerealiseerd nadat hij zijn woning heeft betrokken en dat hij niet hoefde te verwachten dat de groenstrook zou uitgroeien tot feitelijke spel- en sportplek omdat de enige kenbare speelvoorziening de speeltuin aan het uiteinde betrof, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door de gemeente in het geding gebrachte stukken blijkt dat al voordat [eiser] eigenaar werd van de kavel van zijn woning het naastgelegen perceel grond als “Groen” was bestemd. [eiser] wist of kon weten dat de groenstrook ook voor speelvoorzieningen (in de brede zin van het woord) bestemd was. Dat het (huidige) gebruik niet strookt met zijn verwachtingen (van destijds) maakt dit niet anders.
Onrechtmatige hinder
5.4
Een andere vraag is of het door [eiser] aan de gemeente gemaakte verwijt dat zij hem op onrechtmatige wijze hinder toebrengt, terecht is. Dit moet worden beoordeeld op grond van het bepaalde in de artikelen 6:162 en volgende BW (algemene bepalingen over onrechtmatige daad). Dat volgt rechtstreeks uit het bepaalde in artikel 5:37 BW (onrechtmatige (buren)hinder) en geldt voor de vraag naar de onrechtmatigheid van het optreden van de gemeente (de relativiteit daaronder begrepen), maar ook voor kwesties rondom toerekenbaarheid, causaliteit en schade(vergoeding).
5.5
Het voorgaande wil (overigens) niet zeggen dat geen belang toekomt aan de omstandigheid dat de gemeente de groenstrook en de wijze waarop deze wordt gebruikt, namelijk als speelveld (voor onder andere voetbal) wenst te behouden ter uitvoering van haar beleid betreffende speelruimte. Het vertrekpunt wordt echter gevormd door het eigendomsrecht. Het optreden van de gemeente met betrekking tot de groenstrook moet worden gekwalificeerd als feitelijk handelen. Dat geldt zowel voor de aanleg en de inrichting van groenstrook als voor het beheer ervan, waaronder begrepen het onderhoud en de (eventuele) regulering van het gebruik van de groenstrook.
5.6
De gemeente moet als eigenaar van het perceel grond waarop de groenstrook is gerealiseerd ook rekening houden met het verbod om naburen, zoals [eiser], onrechtmatige hinder toe te brengen. Daarbij is van belang dat (geluids)overlast een relatief begrip is. Wat door de een als zeer ernstig en zeer storend wordt ervaren, doet de ander af als onbeduidend en volstrekt acceptabel. Bij de beantwoording van de vraag óf sprake is van onrechtmatige hinder komt vervolgens niet alleen belang toe aan de aard, de ernst en de duur van de hinder en aan de daardoor toegebrachte schade, maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval. In dit laatste kader speelt een rol welke belangen met de door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid (mede gelet op de daaraan verbonden kosten) en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.2 Daarbij is verder van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich op die plek heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende omstandigheden zijn begonnen. In dat laatste geval zal hij ‘een zekere mate van hinder’ eerder hebben te accepteren.3 Bovendien is het enkel bestaan van hinder in de subjectieve beleving van degene die stelt hinder te ervaren, niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van onrechtmatige hinder.
5.7
Nu [eiser] het gevorderde instelt tegen de overheid-als-eigenaar moet tevens rekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 3:14 BW en in artikel 3:1 lid 2 van de Awb. De burgerlijke rechter moet in voorkomende gevallen in volle omvang toetsen aan alle beginselen van behoorlijk bestuur.4
5.8
De stelplicht en bewijslast van de onrechtmatigheid van de hinder rust op [eiser] als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
5.9
Gelet op dit juridische kader is hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Dat [eiser] (geluids)overlast ervaart is duidelijk. Uit de stellingen en overgelegde meldingen aan (onder andere) de gemeente en de politie blijkt duidelijk dat [eiser] (geluids)overlast ervaart, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van onrechtmatige hinder. Deze meldingen bevatten immers op diverse onderdelen geen controleerbare, onpartijdige of objectieve informatie. Overlast en het bijzonder geluidsoverlast is het beste vast te stellen door een (onafhankelijke) deskundige. De kantonrechter stelt vast dat dat niet is gebeurd. Het bewijs kan echter ook op andere manieren worden geleverd, zoals door eigen opnames. [eiser] heeft geluids- en videofragmenten in het geding gebracht. De kantonrechter heeft deze fragmenten bestudeerd en beluisterd en op basis daarvan is zij van oordeel dat niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van (geluids)overlast die valt te kwalificeren als ernstige, structurele en objectiveerbare overlast. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat de groenstrook ook bestemd is voor sport en spel en dat de groenstrook is gelegen in een woonwijk. Het gebruik van de groenstrook moet gepaard kunnen gaan met normale stemgeluiden bij sport en spel, zoals lachen, roepen en enthousiast praten en geluiden die voortkomen uit het gebruik maken van sportattributen (zoals een voetbal). Een ander uitgangspunt zou afbreuk doen aan de bestemming van de groenstrook en de leefbaarheid van een woonwijk. Bovendien geldt dat toen [eiser] eigenaar werd van het perceel de groenstrook al was bestemd als “Groen” (zie ook rechtsoverweging 5.1. e.v.).
5.10
Daarnaast is van belang dat de groenstrook als speelvoorziening (waaronder voetballen valt) een nuttige functie vervult. Een woonwijk moet volgens het door de gemeente gevoerde beleid immers speelmogelijkheden bevatten en de groenstrook is één van de drie formele speelplekken in de wijk. De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de groenstrook de grootste locatie is met speelmogelijkheden. De andere twee plekken zijn voor de jongere kinderen bestemd. De gemeente acht het aantal speelplekken karig maar voldoende. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de kantonrechter ook niet worden geconcludeerd dat de gemeente de keuze om de groenstrook (met de daarop liggende bestemming) te behouden, niet heeft kunnen maken. Verder heeft de gemeente ook maatregelen genomen om te voorkomen dat de muur van de kantoorruimte van [eiser] als voetbal-goal/wand wordt gebruikt. [eiser] heeft richting de gemeente kenbaar gemaakt dat dit substantieel meer rust geeft. [eiser] stelt dat er nog meer/andere mogelijkheden zijn om de overlast te beëindigen of te beperken. De door hem in dat kader gedane voorstellen komen er echter in feite op neer dat collectief spel niet meer mogelijk is en daarvoor is de groenstrook nu juist mede aangelegd en ingericht. Uit de brief van 25 juni 2025 blijkt ook dat de gemeente het collectief spel niet wil ontmoedigen. Dat de gemeente collectief spel niet ontmoedigt, wil niet zeggen dat zij het voetballen faciliteert op de groenstrook. Zo staan er geen doeltjes. Ook acht de kantonrechter van belang dat de gemeente ondanks de vraag/het verzoek van (andere) bewoners in de wijk om de groenstrook alleen als speelplek te bestemmen, daarop te kennen heeft gegeven dat zij het gemengde karakter van de groenstrook wenst te behouden. Daarnaast heeft de gemeente onderzocht of er andere/meer plekken zijn waar speelvelden kunnen worden gerealiseerd. Tijdens de mondelinge behandeling is door de gemeente toegelicht dat er buiten de drie locaties weinig (geschikte) grond is waarvan zij eigenaar is om speelmogelijkheden te realiseren.
5.11
De door [eiser] ervaren (geluids)overlast is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet op een andere manier in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid. Er zijn door [eiser] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een situatie die de grens van het maatschappelijke betamelijke overschrijdt. Uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden aangenomen dat de door [eiser] ervaren (geluids) overlast als onrechtmatige hinder moet worden aangemerkt.
5.12
Gelet op het voorgaande en alle betrokken belangen afwegende is de kantonrechter van oordeel dat dat wat [eiser] naar voren heeft gebracht onvoldoende is om te oordelen dat zijn belangen zwaarder dienen te wegen dan het (maatschappelijk) belang dat gediend is met de groenstrook en de bestemming die daarop rust. Evenmin kan met inachtneming van het vorenoverwogene worden geconcludeerd dat de handelwijze van de gemeente met betrekking tot aanleg, inrichting en het gebruik van de groenstrook strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of dat zij de daaruit voortvloeiende zorgplicht heeft geschonden.
APV
5.13
Nu de kantonrechter van oordeel is dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder vloeit daaruit tevens voort dat geen sprake is van strijdigheid met de APV. Daarbij moet de bestemming van de groenstrook in aanmerking worden genomen.
Slotsom
5.14
De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de hoge lat om te kunnen spreken van onrechtmatige hinder niet wordt gehaald en dat aansprakelijkheid van de gemeente niet kan worden aangenomen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.