Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBGEL 211118 schadestaatprocedure; toepassing omkeringsregel bij c.v. tussen mishandeling en schade

RBGEL 211118 schadestaatprocedure; toepassing omkeringsregel bij c.v. tussen mishandeling en schade; deskundigenbericht; geen eigen schuld

Vervolg op rb-gelderland-260717-verwijzing-schadestaatprocedure-geen-sprake-van-noodweer-exces

De feiten

2.1.
Onder zaak- en rolnummer C/05/311520 / HA ZA 16-589 is voor deze rechtbank een procedure gevoerd door [eiseres] tegen [gedaagde] . Op 26 juli 2017 is in die zaak vonnis gewezen (verder: het vonnis van 26 juli 2017). Daarbij heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde] jegens [eiseres] een onrechtmatige daad heeft gepleegd uit hoofde waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade en is [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres] van de materiële en immateriële schade als gevolg van de mishandeling, op te maken bij staat.

2.2.
[eiseres] heeft het beloop van de schade waarvan vereffening wordt gevraagd gespecificeerd in de volgende schadeposten.
- Materiële schade: € 3.566,51.
- Verlies arbeidsvermogen tot oktober 2017: € 30.470,00.
- Kosten huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid: € 102.663,00.
- Schade vanwege het niet kunnen voltooien van de studie € 26.341,45.
- Immateriële schade € 31.000,00.

Een en ander vermeerderd met rente. Zij stelt verder nog (toekomstige) schade te leiden uit inkomensschade vanaf oktober 2017.

2.3.
Bij de stukken bevinden zich onder meer de volgende brieven van behandelaars van [eiseres] :
- Een brief van mondziekten-, kaak- en aangezichtschirurg [mondzieken-, kaak en aangezichtschirurg] van 5 augustus 2015 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

Gaarne vraag ik uw aandacht voor bovengenoemde patiënte [ [eiseres] , de rechtbank], [ ... ] Op 30-50-2015 is patiënte slachtoffer geweest van geweld. Op ons terrein bleek sprake van een zgn. blow-out fractuur van de linker orbita, waarbij het gefractureerde deel zich ver posterieur bij de apex van de orbita bevond. […] Op 01-06-15 vond herbeoordeling plaats, waarbij geconstateerd werd dat de heffing van het linker oog beperkt was maar visus en contour intact. Er bleek geen sprake van inklemming van de musculus rectus inferior, wél van beperking van de bewegingen door herniatie van het periorbitaal vet. In de daarop volgende dagen verbeterde het klinische beeld snel en was de diplopie die aanvankelijk in alle blikrichtingen bestond, meer en meer geconcentreerd op de bovenste blikvelden. Er heeft steeds nauw overleg bestaan met de oogartsen, waarna is besloten om de orbitabodemfractuur niet te opereren gezien het risico op beschadiging van de oogzenuw bij compressie van de apex. Ten gevolge van de weke delen contusie en zwelling in het gelaat is ook nog sprake van gestoord gevoel in het verzorgingsgebied van de nervus infraorbitalis links, dit verbetert wel langzaam maar op dit moment valt niet met zekerheid te voorspellen of er geen restverschijnselen over zullen blijven. Ten aanzien van de diplopie [scheelzien] is nog wel verbetering merkbaar, maar de verwachting is dat in de bovenste blikrichting wel enige mate van diplopie over zal blijven. Pas na een ½ - 1 jaar is een eindoordeel te geven hierover.

Daarnaast blijkt ook sprake van cervicale klachten met occipitaal en temporaal myogene klachten, waarvoor nog een consult gezamenlijk met orofaciaal fysiotherapeut staat. Tenslotte is ook nog een gebitselement betrokken geweest bij het trauma. Gebitselement 22 heeft een klap gehad, waarbij klinisch en röntgenologisch sprake lijkt te zijn van concussie. Het herstel hiervan is doorgaans snel en de prognose is dan ook goed. Gezien de persisterende klachten aan de 22 zou het echter ook kunnen dat sprake is van een occulte fractuur van de radix. In verband daarmee zal patiënte op wat langere termijn geëvalueerd dienen te worden, waarbij in het ergste geval het gebitselement 22 verloren zou kunnen gaan ten gevolge van de eerdere mishandeling. Evaluatie van gebitselement 22 vindt plaats door collega [naam 1] en ondergetekende. Bij verandering in beleid of zienswijze volgt nader bericht.

- Een brief van oogarts [oogarts] van Rijnstate poli oogheelkunde gericht aan [eiseres] van 11 augustus 2015 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

[ ... ] Bij u is er sprake van een zeer diep naar achter gelegen breuk van de bodem van de oogkas links. Door de aanwezige uitgebreide zwelling van weefsel in het gebied achter de oogbol (waar ook de oogzenuw doorheen loopt) na het trauma was het niet veilig om een corrigerend plaatje aan te brengen op de bodem van de oogkas. Ook is de voorspelbaarheid en succeskans bij een dergelijk ver naar achteren gelegen breuk minder groot.

Inmiddels is de zwelling wel verdwenen, maar is er ook en verlittekeningsproces op gang gekomen waardoor alsnog de bodem herstellen niet erg zinvol is. Door deze bodem loopt bovendien nog een gevoelszenuw (nervus infraorbitalis) die de bovenkaak en de wang van gevoel voorziet; deze zenuw heeft vermoedelijk ook schade opgelopen.

Er is bij u nu sprake van binoculair dubbelzien. Het is op dit moment nog te vroeg om duidelijk te kunnen zeggen wat een operatie hierbij zou kunnen opleveren. Om die reden is besloten nog 2 maanden af te wachten en te kijken of de situatie uit zichzelf nog verandert. Zodra dat niet meet het geval is, zal er gekeken worden naar de operatieve mogelijkheden.

- Een brief van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] MSc van 3 september 2015 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

Mevrouw [eiseres] is sinds kort in behandeling in verband met PTSS-klachten na traumatische gebeurtenissen: zowel geestelijke als lichamelijke mishandeling door ex-partner. Uit de anamnese komt naar voren dat haar gedachtenprofiel voldoet aan de DSM-criteria van PTSS, namelijk onder andere:

Symptomen van herbeleving (nachtmerries/of flashbacks), vermijding van herinneringen of emotionele uitschakeling hiervan, ernstige prikkelbaarheid (concentratieproblemen) en slaapstoornissen, extreme spanning als gevolg van bepaalde prikkels, irritatie en hevige schrikreacties.

Ook op basis van de ingevulde SVL (Schokverwerkings Lijst) behaalt zij een score van 71 totaal, waarbij een score van >26 wijst op het bestaan van PTSS.

Een intensieve behandeling die wel tot 12 maanden kan duren, is daarom ook geïndiceerd.

- Een brief van [naam 1] gericht aan [eiseres] van 11 maart 2016 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

Bij deze stuur ik u de medische gegevens naar aanleiding van het trauma. […] Tijdens de tweede controle hebben wij vitaliteitstesten gedaan. De 22 reageerde iets verminderd vitaal (11+, 21+, 22-+, 23+, 24+). Bij percussie reageerde de 22 iets verhoogd en de overige elementen normaal. Bij palpatie was buccaal van de 22 iets verhoogde gevoeligheid. Bij de overige elementen waren geen bijzonderheden. Het element wordt mogelijk avitaal of er is mogelijk sprake van een wortelfractuur. Op dat moment was er onvoldoende aanleiding voor een endodontische behandeling. Wij hebben besproken om u toen over 1 maand weer terug te zien voor röntgenologische en klinische controle. Deze bevindingen heb ik ook doorgegeven aan MKA [mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie] […].

- Een brief van revalidatie arts [revalidatie arts] gericht aan de huisarts van [eiseres] , [huisarts] , van 8 juli 2016 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

[ ... ..] Bovengenoemde patiënte [ [eiseres] , de rechtbank] was tot 14 juni 2016 in poliklinische revalidatiebehandeling op de afdeling NA Hersenletsel van revalidatiecentrum Klimmendaal te Arnhem.

Diagnose:

Status na licht traumatisch schedel hersenletsel ten gevolge van mishandeling in mei 2015. Had daarbij ook een orbitabodemfractuur en elevatiebeperking linkeroog. Nu nog persisterende klachten van dubbelbeelden, accommodatiestoornissen, sensibiliteitsstoornissen gelaat, hoofdpijn en cognitieve klachten.

[ ... ]

Conclusie:

Patiënte van 34 jaar met status na licht traumatisch schedelhersenletsel, ten gevolgde mishandeling in mei 2015. Had daarbij een fractuur orbitakas en blijvende elevatiebeperking van het linkeroog. Heeft na revalidatiebehandeling alhier nog persisterende klachten van dubbelbeelden, accomodatiestoornissen, sensibiliteitsstoornissen in gelaat, hoofdpijn en cognitieve klachten. Alhier is een neuropsychologisch screenend onderzoek afgenomen welke onvoldoende een uitspraak kon doen over aanwezigheid cognitieve stoornissen in het kader van het ongeval. De cognitieve klachten en testprestaties lijken meer te passen bij het doorgemaakte incident en de psychologische impact die dit heeft op betrokkene.

Beleid:

Wij hebben met patiënte afgesproken dat zij doorverwezen zal worden naar polikliniek Thalamus van de Winklerkliniek in Wolfheze. [ ... ] Wij plannen hier vooralsnog geen structurele controles, wij vragen de behandelend psychiater van ProPersona wel retour te verwijzen indien er weer een indicatie bestaat voor cognitieve revalidatie alhier.

2.4.
Ten tijde van de mishandeling had [eiseres] een arbeidsovereenkomst bij Tennet. Deze was ingegaan op 1 oktober 2014. Bij schrijven van 17 februari 2016 is haar medegedeeld dat deze arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden en dat deze van rechtswege eindigde op 1 april 2016. [eiseres] ontvangt thans een UWV-uitkering ter hoogte van 70% van haar laatst verdiende loon.

2.5.
Ten tijde van de mishandeling volgde [eiseres] de universitaire masteropleiding GEO informatie science aan de Universiteit Wageningen. Zij heeft deze opleiding niet afgerond. Het collegegeld werd tot het einde van haar dienstverband door haar werkgever betaald.

2.6.
[eiseres] heeft een eigen koopwoning en verzorgt als alleenstaande moeder een dochter.

2.7.
In de strafrechtelijke procedure is [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres] van een bedrag van € 4.204,06 aan schade, bestaande uit € 1.804,06 aan materiële schade wegens eigen risico, kosten fysiotherapeut, kosten psycholoog, tandartskosten, telefoonkosten en reiskosten en € 2.400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met rente vanaf 31 mei 2015. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft [eiseres] een uitkering van € 5.000,00 toegekend.

Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 194.040,98, de som van de in rov. 2.2. genoemde posten, vermeerderd met rente vanaf 29 januari 2018, de dag van de dagvaarding en de proceskosten, alsmede dat de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast op kosten van gedaagde waarin de omvang van het nog te lijden verlies aan haar verdienvermogen in kaart wordt gebracht.

3.2.
[eiseres] stelt dat zij als gevolg van de onrechtmatige daad die [gedaagde] jegens haar heeft gepleegd schade heeft geleden, bestaande uit de in rov. 2.2. genoemde posten, waarvan zij vergoeding vordert, en voorts uit inkomenschade vanaf oktober 2017 in verband waarmee zij deskundigenonderzoek verlangt, zodat zij de inkomens- en pensioenschade eveneens kan vorderen.

3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist (de hoogte van) de gestelde schade en het causaal verband met de onrechtmatige daad. Hij stelt voorts dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] en dat zij zich onvoldoende heeft gehouden aan haar schadebeperkingsplicht. Ten slotte stelt [gedaagde] dat het door [eiseres] gevorderde bedrag niet meer redelijk en billijk is in verhouding met hetgeen zich heeft voortgedaan.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1.
[eiseres] vordert een vergoeding voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de mishandeling die [gedaagde] jegens haar heeft gepleegd. Bij de bepaling van de hoogte van schade uit een onrechtmatige daad is uitgangspunt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, RvdW 2010/468). Voor de vaststelling van de door [eiseres] als gevolg van de mishandeling geleden schade dient derhalve een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de mishandeling en de hypothetische situatie bij het wegdenken daarvan.

4.2.
Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262). Deze bepaling geeft de rechter weliswaar de vrijheid om bij de begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken, maar belet hem geenszins bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe te passen (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257).

4.3.
De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan [eiseres] mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers [gedaagde] die aan haar de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (vergelijk HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115).

4.4.
[eiseres] stelt dat zij als gevolg van de mishandeling de volgende klachten en het volgende letsel heeft opgelopen: ernstige hoofdpijn, verstoorde nachtrust, een gebroken oogkas dichtbij een zenuw, hersenletsel, een gevoelloos gezicht en een gevoelloze lip, whiplash, beschadigde tanden, cognitieve en psychische klachten waaronder PTSS. Zij verwijst in dat verband onder meer naar de in rov. 2.3. weergegeven brieven van haar behandelaars. Op dit moment is er, zo stelt [eiseres] , sprake van blijvend oog- en hersenletsel, en PTSS. Zij ziet, zo stelt zij, scheel, moet een bril dragen, heeft gedurende de hele dag hoofdpijn en heeft geheugen- en concentratieproblemen en moeite met lezen. Zij stelt nog in behandeling te zijn. Stukken van de door haar gestelde behandelingen door een neuroloog en psycholoog van ná 8 juli 2016 zijn door haar echter niet overgelegd. [eiseres] vordert een vergoeding van de schade waarvan zij stelt dat die uit die klachten voortvloeit, waaronder schade door verlies aan arbeidsvermogen en zelfredzaamheid en door het afbreken van haar studie. [gedaagde] heeft niet zozeer het bestaan van de klachten betwist, althans niet gemotiveerd, maar wel de gestelde hoogte van de daaruit voortvloeiende schade en, zo begrijpt de rechtbank, het causaal verband tussen enerzijds die klachten en de gestelde schade en anderzijds de mishandeling.

4.5.
Ten aanzien van die causaliteit overweegt de rechtbank dat indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico voor het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causale verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven. Het is dan aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen - aannemelijk te maken - dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan (‘omkeringsregel’, HR 29 november 2002, NJ 2004, 304 en 305; HR 18 april 2003, NJ 2004, 306). In het onderhavige geval is, zoals overwogen in rov. 4.1. van het vonnis van 26 juli 2017, waaraan partijen in deze schadestaatprocedure zijn gebonden (HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2247, NJ 1997/230 Moerman/Bakker), door de strafrechter bewezen dat [gedaagde] [eiseres] zwaar heeft mishandeld. De in rov 2.4. van het vonnis van 26 juli 2017 geciteerde bewezenverklaring uit het strafvonnis levert op de voet van art. 161 Rv in dit civiele geding dwingend bewijs op. Bewezenverklaard is daar dat [gedaagde] op 30 mei 2015 zijn levensgezel [eiseres] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een gebroken oogkas en een hersenschudding en een beschadigd oog en beschadigde gevoelszenuwen in het gezicht en een whiplash (aan de nek), door [eiseres] meermalen met kracht op het oog en het gezicht en het hoofd te stompen en vervolgens, terwijl [eiseres] op de grond lag, [eiseres] meermalen met kracht op/tegen het hoofd en (elders) tegen het lichaam te stompen. Zoals eveneens in het vonnis van 26 juli 2017 overwogen staat daartegen, zo volgt uit art. 151 lid 2 Rv, tegenbewijs vrij. [gedaagde] heeft echter in de schadestaatprocedure de inhoud van de bewezenverklaring niet betwist en in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 26 juli 2017 heeft hij niet méér (gemotiveerd) betwist dan dat hij aanvoert dat hij [eiseres] maar vier klappen heeft gegeven en dat hij [eiseres] niet heeft geslagen toen zij op de grond lag. Dat hij tenminste opzettelijk vier stompen op het oog en het gezicht heeft gegeven, met de in de strafzaak bewezenverklaarde ernstige gevolgen, staat daarmee vast. Ook als daarvan wordt uitgegaan en het nog stompen van [eiseres] terwijl zij al op de grond lag buiten beschouwing wordt gelaten, heeft [gedaagde] zich onrechtmatig jegens [eiseres] gedragen door haar zwaar te mishandelen. Zijn beroep op noodweer is in het vonnis van 26 juli 2017 reeds verworpen.

Met deze zware mishandeling is de norm van artikel 302 Sr geschonden, die ertoe strekt het risico van pijn, (ernstig) letsel en schade voor de gezondheid te voorkomen. In het onderhavige geval heeft dit risico zich verwezenlijkt, nu in ieder geval het gestelde letsel en de gestelde klachten kort na de mishandeling, zoals in het strafvonnis bewezen verklaard, niet concreet zijn betwist. Van het causaal verband met de mishandeling moet dan, nu [gedaagde] niet onderbouwd heeft gesteld dat deze ook zouden zijn ontstaan zonder de mishandeling, worden uitgegaan.

4.6.
Alvorens een oordeel te kunnen geven over de gestelde thans nog aanwezige klachten en de gestelde daaruit voortvloeiende (geleden en toekomstige) schade en het causaal verband van die schade met de mishandeling, acht de rechtbank het nodig dat zij nader inzicht krijgt in de huidige medische situatie van [eiseres] . De thans in het geding gebrachte stukken zien alleen op de situatie van twee tot drie jaar geleden, terwijl uit die stukken blijkt dat er toen nog geen eindsituatie was bereikt. [eiseres] zal daarom worden opgedragen om, zoals zij ter comparitie ook heeft aangeboden, de medische informatie van ná 8 juli 2016, waaronder informatie over haar huidige medische situatie, in het geding te brengen. [gedaagde] zal daarop bij akte kunnen reageren. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.7.
Voorts acht de rechtbank het voorshands, mede afhankelijk van de voornoemde door [eiseres] over te leggen stukken, nodig om over de medische situatie van [eiseres] en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen deskundigenberichten in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Partijen zullen hiertoe in de gelegenheid worden gesteld in de in rov. 4.6. genoemde akten.

4.8.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat thans de benoeming van een neuroloog, een psycholoog en een oogarts geboden is en dat ieder van hen de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

(volgt IWMD vraagstelling; red .LSA LM)

4.9.
De rechtbank ziet in de omstandigheden dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door de mishandeling veroorzaakte schade vast staat aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door [gedaagde] moet worden gedeponeerd.

4.10.
Met betrekking tot het beroep van [gedaagde] op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [eiseres] overweegt de rechtbank als volgt. Zoals overwogen in rov 4.5., staat vast dat [gedaagde] [eiseres] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door haar opzettelijk tenminste vier stompen op het oog en het gezicht te geven, met de in de strafzaak bewezenverklaarde ernstige gevolgen. Ten aanzien van de omstandigheden die aan [eiseres] zouden kunnen worden toegerekend waarvan de gevorderde schade mede het gevolg zou kunnen zijn, heeft [gedaagde] niet meer aangevoerd dan dat [eiseres] ‘is begonnen met slaan’ en dat zij hem heeft aangevlogen (cva randnr, 18) en dat zij ook ‘een rol heeft gehad’ in het handgemeen (ter comparitie). De rechtbank is van oordeel dat, indien deze door [gedaagde] gestelde en door [eiseres] betwiste gedragingen van [eiseres] als uitgangspunt zouden worden genomen, dit handelen een omstandigheid oplevert die aan [eiseres] kan worden toegerekend en die aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Echter zonder nadere omschrijving daarvan, die [gedaagde] niet heeft gegeven, moet het gestelde beginnen met slaan, aanvliegen en het ‘een rol hebben’ worden aangemerkt als fouten van een dusdanig kleinere ernst dan de ernst van de zware mishandeling door [gedaagde] , dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel in stand blijft (6:101 BW laatste twee zinsdelen). Dat [gedaagde] , zoals hij stelt, in het geval van toewijzing van het gehele door [eiseres] gevorderde bedrag - waar nog over geoordeeld dient te worden - in staat van faillissement zou komen te verkeren of toegang tot de WSNP zou moeten vragen, leidt niet tot een ander oordeel. Verdere omstandigheden die tot een andere verdeling zouden leiden zijn niet aangevoerd.

4.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.12.
De rechtbank overweegt dat de voorshands, afhankelijk van de door [eiseres] nog in te brengen stukken en de reacties van partijen, nodig geachte deskundigenonderzoeken aanzienlijke kosten en tijdversloop met zich zullen brengen. Nadien is mogelijk nog nadere onderzoek door een verzekeringsarts, arbeidskundige en/of rekenkundige nodig, evenals (verdere) bewijslevering ten aanzien van de door [eiseres] gestelde posten, wat dan opnieuw tijd en geld zal vergen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat bij hem beperkte financiële ruimte aanwezig is, dat hij voor de aansprakelijkheid wegens de mishandeling niet verzekerd is en dat hij verwacht dat een veroordeling tot zijn faillissement zal leiden. De rechtbank overweegt dat dus rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat een eindvonnis nog lang op zich zal laten wachten, dat daarvoor door beide partijen kosten gemaakt zullen moeten worden en dat een veroordelend vonnis voor [eiseres] incassoproblemen zal opleveren. Gelet op deze omstandigheden geeft de rechtbank partijen in overweging hun advocaten te instrueren nogmaals met elkaar in contact te treden om te trachten een minnelijke regeling te treffen.

De beslissing

De rechtbank

5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 december 2018 voor het nemen van een akte door [eiseres] waarin zij zich uitlaat over de aangekondigde deskundigenrapportages en zij de in rov. 4.6. genoemde stukken in het geding brengt. Vervolgens zal de zaak vier weken later op de rol komen voor uitlating door [gedaagde] over de deskundigerapportages alsmede over de door [eiseres] ingebrachte stukken. ECLI:NL:RBGEL:2018:5398

Deze website maakt gebruik van cookies