GHSHE 251025 prejudiciële vragen betreffende rechtsbijstandverzekering en het recht op vrije advocaatkeuze; tussenkomst NOVA en tussenkomst en/of voeging DAS afgewezen
- Meer over dit onderwerp:
GHSHE 251025 prejudiciële vragen betreffende rechtsbijstandverzekering en het recht op vrije advocaatkeuze; tussenkomst NOVA en tussenkomst en/of voeging DAS afgewezen
in vervolg op:
GHSHE 100625 Hof stelt prejudiciële vragen voor betreffende rechtsbijstandverzekering en het recht op vrije advocaatkeuze
6De verdere beoordeling
In de hoofdzaak
6.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak verwezen naar de rol van 8 juli 2025 voor akte aan de zijde van [appellante] en SAR gelijktijdig, voor uitlating door [appellante] en SAR over het voornemen van het hof om prejudiciële vragen te stellen, alsmede over de voorgestelde inhoud van de vragen.
6.2
Bij akte na tussenarrest heeft [appellante] het hof verzocht de in het arrest genoemde prejudiciële vragen te stellen en heeft [appellante] medegedeeld dat zij geen opmerkingen heeft over de voorgestelde inhoud van de vragen.
6.3
Bij akte uitlating heeft SAR betoogd dat geen reden bestaat om prejudiciële vragen te stellen. [appellante] voldoet niet aan de verzekeringsvoorwaarden, zodat de door [appellante] gevorderde kosten hoe dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen en beantwoording van de voorgenomen prejudiciële vragen niet nodig is voor de beslissing in deze zaak tussen [appellante] en SAR. [appellante] voldoet, aldus SAR, niet aan de verzekeringsvoorwaarden, omdat zij niet aan haar informatieverplichtingen als genoemd in artikel 15 en 16 van de verzekeringsvoorwaarden heeft voldaan. Daardoor is aan SAR de mogelijkheid ontnomen om voorafgaand aan het maken van de gevorderde advocaatkosten een dekkingsbeoordeling uit te voeren, dan wel het geschil door schadeloosstelling op te lossen. [appellante] heeft SAR daardoor benadeeld. Met het voorgaande bestaat geen gedekte aanspraak op rechtsbijstand, dat volgt aldus SAR uit artikel 3 van de verzekeringsvoorwaarden. Verder heeft [appellante] in strijd met artikel 3 van de verzekeringsvoorwaarden zonder toestemming van SAR een ander opdracht gegeven om de zaak te behandelen. Ook daarom komen de kosten van de door [appellante] ingeschakelde advocaat niet voor vergoeding in aanmerking.
Volgens SAR kan het hof niet overgaan tot het stellen van prejudiciële vragen voordat het hof heeft geoordeeld of [appellante] jegens SAR aanspraak op rechtsbijstand kan maken. Ook [appellante] , zo betoogt SAR, heeft als uitgangspunt dat zij uit hoofde van verzekeringsovereenkomst recht moet hebben om het optreden van verzekeraar te eisen.
SAR heeft voor het geval het hof van oordeel is dat om op de vordering van [appellante] te kunnen beslissen wel vragen aan de Hoge Raad moeten worden gesteld, opmerkingen gemaakt over de insteek en formulering van de vragen.
Met betrekking tot vraag 3 betoogt SAR dat deze achterwege kan blijven, omdat de door [appellante] gesloten verzekeringsovereenkomst een natura verzekering betreft en artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138/EG en artikel 4:67 lid 1, onder a Wft zich niet verzetten tegen de overeengekomen voorwaarden dat rechtsbijstand slechts is verzekerd indien er een redelijke kans op succes bestaat en dat verzekerde schadeloos kan worden gesteld in de plaats van dat rechtsbijstand wordt verleend.
Met een beroep op Hof van Justitie 10 september 2009 C-199/08 betoogt SAR ten aanzien van de voorgestelde vragen 1 en 2 dat artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138 minder ruim is dan artikel 200 lid 4 van richtlijn 2009/138 en artikel 4:65 lid 1 onder c en lid 2, onder b Wft. Eerstgenoemd artikel, 201 lid 1 onder a, geeft volgens SAR geen recht op vrije advocaatkeuze voor de allereerste werkzaamheden die van verzekeraar kunnen worden verlangd, in het bijzonder de beoordeling of verzekerde een vordering heeft.
SAR vraagt het hof om te oordelen dat bij de beoordeling door SAR of verzekerde een vordering heeft, nog geen sprake is van een gerechtelijke procedure als bedoeld in artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138.
SAR verzoekt het hof tevens om de vragen te beperken tot de verzoekschriftprocedure waarin door een werknemer in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bepaalde vergoedingen en achterstallig loon worden gevorderd. Prejudiciële vragen kunnen immers, zo betoogt SAR slecht worden gesteld voor zover nodig ter beoordeling van het geschil.
SAR vraagt het hof de vragen 1, 2a en 2b te herformuleren als volgt:
“1. Is de verzekerde die een natura verzekering heeft afgesloten en een vordering meent te hebben op zijn werkgever bestaande uit (i) een billijke vergoeding, (ii) een transitievergoeding en (iii) achterstallig loon, op grond van artikel 201 lid1, onder a van de Richtlijn 2009/138/EG en artikel 4:67 lid1, onder a Wft vrij om zelf een advocaat, gekwalificeerd ander persoon c.q. rechtens bevoegde deskundige zoals bedoeld in deze artikelen te kiezen voordat een verzoekschriftprocedure moet worden gevoerd om deze vorderingen van de verzekerde betaald te krijgen?
2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt vanaf welk moment ontstaat dan het in vraag 1 benoemde recht van een verzekerde om te kiezen? Is dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval of is er een vast moment waarop het keuzerecht ontstaat? Voor zover het ingangsmoment afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, welke omstandigheden zijn in dit verband relevant?”
6.4
Bij H16 formulier heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de akte uitlating van SAR, en het hof verzocht die akte buiten beschouwing te laten voor zover deze in strijd is met de tweeconclusieregel in hoger beroep.
6.5
Bij antwoordconclusie in het incident tot tussenkomst tevens antwoord akte op bezwaar akte uitlating prejudiciële vragen, heeft SAR gereageerd op het bezwaar van [appellante] . Volgens SAR is geen sprake van strijd met de tweeconclusieregel omdat SAR zich, na daartoe door het hof bij tussenarrest in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft uitgelaten (1) over het voornemen van het hof om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en (2) de voorgestelde inhoud van de vragen. Bij het voorgaande heeft SAR, zo stelt zij, steeds verwezen naar eerder ingenomen standpunten.
In de incidenten
7.1
Bij incidentele conclusie tot tussenkomst (art 217 jo. 353 Rv) heeft de NOvA gevorderd dat zal worden bepaald dat zij in deze procedure kan tussenkomen, met zodanige beslissing omtrent de kosten als het hof vermeent te behoren. De NOvA heeft daartoe aangevoerd dat een partij kan vorderen te mogen tussenkomen indien hij een eigen vordering wil instellen en dat de NOvA weliswaar geen eigen vordering instelt, maar dat zij een eigen recht c.q. belang heeft bij tussenkomst. De NOvA acht het vanuit haar verantwoordelijkheid en zorg voor de goede rechtsbedeling geboden dat zij een eigen inbreng met betrekking tot de beantwoording van de vragen kenbaar maakt. Haar belang daarbij is daarin gelegen dat de beantwoording geschiedt op basis van een volledig beeld. De NOvA wenst een bijdrage te leveren aan de rechtsontwikkeling met betrekking tot het vrije keuzerecht. Volgens de NOvA is het nodig dat zij als tussenkomende partij wordt toegelaten omdat het in de lijn der verwachting ligt dat de Hoge Raad voor het antwoord op de vragen de zaak zal verwijzen naar het Hof van Justitie van de EU en bij dat Hof geen mogelijkheid voor interventie door niet-procespartijen bestaat.
7.2
Bij conclusie van antwoord op de incidentele conclusie tot tussenkomst van de NOvA concludeert [appellante] dat zij zich niet verzet tegen tussenkomst als partij door de NOvA en dat zij zich refereert aan het oordeel van het hof, inclusief het oordeel over de proceskosten.
7.3
Bij antwoordconclusie in het incident tot tussenkomst tevens antwoord akte op bezwaar akte uitlating prejudiciële vragen, betoogt SAR ten aanzien van het incident opgeworpen door de NOvA dat de NOvA onvoldoende belang heeft in de zin van artikel 217 Rv om te mogen tussenkomen en dat de NOvA evenmin een eigen vordering heeft ingesteld. Reeds op de grond dat de NOvA in de hoofdprocedure geen eigen vordering tegen een van de procespartijen wenst in te stellen kan de NOvA niet tussenkomen in de onderhavige procedure tussen [appellante] en SAR, aldus SAR. Volgens SAR is het voorts zo dat de NOvA met haar vordering te mogen tussenkomen het systeem en het wettelijk kader voor de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie EU tracht te omzeilen. Dat is, aldus SAR, in strijd met de goede procesorde.
7.4
Bij conclusie tot voeging, althans tussenkomst heeft DAS gevorderd dat haar wordt toegestaan zich te voegen aan de zijde van SAR, althans dat haar wordt toegestaan tussen te komen, met kosten rechtens.
Volgens DAS is haar belang bij voeging ontstaan nadat het hof bij tussenarrest van 10 juni 2025 overwoog voornemens te zijn om prejudiciële vragen te stellen. De antwoorden op die vragen raken rechtstreeks de bedrijfsvoering van DAS. Daarmee betreft het belang van DAS, zo stelt zij, niet slechts de vrees voor nadelige precedentwerking. DAS is een naturaverzekeraar, haar premies, reserves en personeelsbestand zijn daarop afgestemd. Met de prejudiciële vragen die het hof voornemens is te stellen, komt het voortbestaan van het naturamodel, en daarmee betaalbare rechtsbijstand, ter discussie te staan, indien de Hoge Raad de door [appellante] verdedigde uitleg van artikel 201 lid 1 onder a van Richtlijn 2009/138/EG zou volgen. De premies en de door DAS aangehouden reserves sluiten dan niet meer aan bij de te verwachten schadelast. Weliswaar voorziet artikel 393 lid 2 Rv er in dat DAS haar visie kan uitwerken en toelichten voor de Hoge Raad, maar volgens DAS is het noodzakelijk dat het hof haar als gevoegde of tussenkomende partij toelaat, omdat zij in de gelegenheid wenst te worden gesteld haar visie voor het Hof van Justitie uit te werken en toe te lichten.
7.5
Bij conclusie van antwoord op de incidentele vordering tussenkomst of voeging van DAS, betoogt [appellante] dat de vordering tot voeging en tot tussenkomst van DAS moet worden afgewezen. Volgens [appellante] heeft DAS geen belang als bedoeld in artikel 217 Rv. DAS had, zo betoogt [appellante] , al sedert 2012 rekening kunnen houden met verruiming van het recht op vrije advocaatkeuze.
7.6
Bij antwoordconclusie in het incident tot “voeging althans tussenkomst” concludeert SAR dat DAS niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat haar incidentele vordering dient te worden afgewezen. Volgens SAR kan DAS om dezelfde redenen als de NOvA niet tussenkomen in de procedure tussen [appellante] en SAR en kan DAS zich niet voegen in de procedure tussen [appellante] en SAR. Volgens SAR heeft DAS in dit stadium onvoldoende belang bij tussenkomst of voeging, heeft de incidentele conclusie van DAS als opzet de procedureregels van een eventuele Europese prejudiciële procedure te omzeilen en wenst DAS in de procedure tot tussenkomst geen eigen vordering in te stellen. Verder betoogt SAR dat DAS haar conclusie tot voeging, althans tussenkomst te laat heeft ingesteld. Volgens SAR had deze uiterlijk op de rol van 8 juli 2025 genomen moeten worden.
de incidenten
8.1
Het hof zal hierna eerst de incidenten beoordelen.
8.1.1
Het hof oordeelt als volgt in het incident opgeworpen door de NOvA.
Een partij kan op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768).
Daar de NOvA, naar zij ook zelf stelt, geen vordering wenst in te stellen tegen een van partijen in de hoofdzaak, oordeelt het hof dat de NOvA reeds op die grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot tussenkomst. Met het voorgaande behoeft het betoog van de NOvA dat zij geen eigen vordering hoeft in te stellen omdat zij met haar inbreng met betrekking tot de prejudiciële vragen een eigen bijdrage aan de rechtsontwikkeling met betrekking tot het vrije keuzerecht wenst te leveren en het betoog van SAR dat dat belang van de NOvA onvoldoende is voor tussenkomst geen verdere beoordeling. Voor tussenkomst is het instellen van een eigen vordering een vereiste. Bij het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat artikel 393 lid 2 Rv, naar de NOvA ook zelf stelt, voldoende waarborg biedt voor de NOvA om haar visie over de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kenbaar te maken.
Het betoog van de NOvA dat het nodig is dat zij als tussenkomende partij wordt toegelaten omdat bij het Hof van Justitie van de EU geen mogelijkheid voor interventie door niet-procespartijen bestaat, maakt het voorgaande niet anders. Ingevolge artikel 97 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie dient aan de vereisten van het nationale recht te zijn voldoen om te mogen tussenkomen, alvorens de NOvA kan worden aangemerkt als partij die op grond van artikel 96 van bedoeld Reglement opmerkingen mag indienen. Zoals hiervoor is geoordeeld is niet voldaan aan de vereisten die het nationale procesrecht aan tussenkomst stelt.
Het hof zal de NOvA als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident tot tussenkomst aan de zijde van [appellante] en SAR veroordelen.
De kosten aan de zijde van [appellante] zullen vastgesteld worden op:
- -
Salaris advocaat € 406,-- (1 punt x tarief kantonrechter, omdat het geen hoger beroep in het incident betreft)
- -
Nakosten € 135,--
Totaal € 541,--
De kosten aan de zijde van SAR zullen vastgesteld worden op:
- -
Salaris advocaat € 406,-- (1 punt x tarief kanton, omdat het geen hoger beroep in het incident betreft)
- -
Nakosten € 135,--
Totaal € 541,--
8.1.2
In het incident opgeworpen door DAS oordeelt het hof als volgt.
Een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde zij zich voegt. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot voeging kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.
Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306). In de mogelijke precedentwerking van die uitspraak is dus niet reeds een voldoende belang gelegen, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen. (Hoge Raad 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750 en 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534).
Naar het oordeel van het hof heeft de beslissing om de prejudiciële vragen te stellen op zich zelf geen nadelige gevolgen voor DAS, maar kan de beantwoording daarvan voor DAS wel nadelige gevolgen hebben. Dat laatste evenwel niet als gevolg van de toe- dan wel afwijzing van de in de onderhavige procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in deze procedure gegeven eindbeslissingen, maar bij wijze van mogelijke precedentwerking. Daaraan doet niet af dat, voor zover daarvan moet worden uitgegaan, de antwoorden op de prejudiciële vragen de bedrijfsvoering van DAS rechtstreeks kunnen raken. Daar in de mogelijke precedentwerking van de uitspraak niet reeds voldoende belang is gelegen voor voeging zal het hof DAS niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot voeging. Anders dan DAS betoogt, staat de goede procesorde wel aan voeging door DAS in de weg, er is immers anders dan DAS betoogt geen sprake van een in beginsel toewijsbare vordering tot voeging.
Bij het voorgaande merkt het hof op dat het gestelde belang van DAS voldoende is gewaarborgd door artikel 393 lid 2 Rv, naar DAS ook zelf betoogt.
Evenmin bestaan er gronden voor tussenkomst door DAS, nu ook zij geen eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen in de hoofdzaak. DAS zal ook in haar vordering tot tussenkomst niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het betoog van DAS dat het noodzakelijk is dat het hof haar als gevoegde of tussenkomende partij toelaat, omdat zij in de gelegenheid wenst te worden gesteld haar visie voor het Hof van Justitie uit te werken en toe te lichten, gaat, gelet op het systeem van artikel 96 en 97 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, waarin is bepaald door wie opmerkingen mogen worden ingediend in een prejudiciële procedure, niet op. Voor DAS dient ingevolge artikel 97 van voornoemd Reglement op grond van het nationale recht voldoende belang te bestaan om zich als partij te mogen voegen, dan wel dient DAS aan de vereisten van het nationale recht te voldoen om tussen te mogen komen, alvorens zij kan worden aangemerkt als partij die op grond van artikel 96 van bedoeld Reglement opmerkingen mag indienen. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft DAS, naar nationaal recht, geen voldoende belang voor voeging. Ook voor tussenkomst geldt dat DAS daarvoor, naar nationaal recht, niet in aanmerking komt, daar zij niet te kennen heeft gegeven een vordering jegens [appellante] of SAR te willen instellen.
Het betoog van SAR dat DAS haar incidentele conclusie te laat heeft ingesteld, gaat niet op. De laatste conclusie in het aanhangige geding was de antwoordconclusie in het incident tot tussenkomst tevens antwoord akte op bezwaar akte uitlating prejudiciële vragen van SAR. In die conclusie is in het aanhangige geding geantwoord op het bezwaar van [appellante] . DAS kon voor of uiterlijk op die datum, te weten 5 augustus 2025, haar incidentele conclusie indienen. Hetgeen zij op die datum heeft gedaan.
Het hof zal DAS als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident tot voeging, althans tussenkomst aan de zijde van [appellante] en SAR veroordelen.
De kosten aan de zijde van [appellante] zullen vastgesteld worden op:
- -
Salaris advocaat € 406,-- (1 punt x tarief kanton, omdat het geen hoger beroep in het incident betreft)
- -
Nakosten € 135,--
Totaal € 541,--
De kosten aan de zijde van SAR zullen vastgesteld worden op:
- Salaris advocaat € 406,-- (1 punt x tarief kanton, omdat het geen hoger beroep in het incident betreft)
- Nakosten € 135,--
Totaal € 541,--
de hoofdzaak
9.1
In de hoofdzaak oordeelt het hof als volgt. Omdat het moment waarop de verzekerde op grond van artikel 201 lid 1 onder a van de richtlijn 2009/138 vrij is om een advocaat of andere persoon die volgens het nationale recht gekwalificeerd is te kiezen, bepalend kan zijn of recht op rechtsbijstand bestaat op grond van de verzekeringsovereenkomst, althans of hantering van de betreffende polisvoorwaarden in overeenstemming is met artikel 201 lid 1 onder a van de richtlijn 2009/183, kan het betoog van SAR dat [appellante] de polisvoorwaarden heeft overtreden in dit stadium (nog) niet worden beoordeeld. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 3.7.2.7 van voornoemd tussenarrest, waarin is geoordeeld dat het hof voor de beoordeling van het geschil tussen [appellante] en SAR over onvoldoende aanknopingspunten beschikt.
Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dan ook dat het stellen van vraag 3 van belang is. Het gaat er om dat duidelijk wordt of het SAR onder artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138 is toegestaan een beroep op de desbetreffende polis bepaling(en) te doen.
Ten aanzien van het betoog van SAR tot herformulering van de vragen 1, 2a, en 2b oordeelt het hof eveneens afwijzend. De in het tussenarrest genoemde door het hof te beantwoorden vraag - of [appellante] uit hoofde van haar verzekeringsovereenkomst met Centraal Beheer haar belangenbehartiging bij een dreigend juridisch geschil, voordat sprake is van een gerechtelijke of administratieve procedure in enge zin, mag toevertrouwen aan een rechtshulpverlener naar haar keuze, omdat zij uit hoofde van die verzekeringsovereenkomst het recht heeft optreden van de verzekeraar te eisen - kan volgens het hof niet worden beperkt. Het betoog van SAR dat prejudiciële vragen slechts kunnen worden gesteld voor zover nodig ter beoordeling van het geschil, maakt dat niet anders. De vraag van [appellante] kan ook zien op de dagvaardingsprocedure, het hof verwijst naar artikel 686a lid 3 Boek 7 BW dat luidt: “In gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, kunnen daarmee verband houdende andere vorderingen worden ingediend met een verzoekschrift.” Dat hoeft evenwel niet, ook de dagvaardingsprocedure staat open. Het procesadvies waarvoor de kosten van het opstellen zijn gevorderd zag ook op loonbetalingen. Loonbetaling betreft in beginsel een dagvaardingsprocedure. Reeds omdat het procesadvies ook op loonbetaling zag kan de vraagstelling niet tot de verzoekschriftprocedure worden beperkt.
Het gaat hier om de vraag vanaf welk moment de verzekerde, [appellante] , op grond van artikel 201 lid 1 onder a van de richtlijn 2009/138 het recht heeft op grond van de met SAR gesloten verzekeringsovereenkomst zelf een advocaat of andere persoon die volgens het nationale recht gekwalificeerd is te kiezen om rechtsbijstand te verlenen. Bij de beantwoording van deze vraag kan geen onderscheid worden gemaakt tussen rechtsbijstand ten behoeve van een verzoekschriftprocedure en een dagvaardingsprocedure. Het begrip ‘gerechtelijke procedure’ als bedoeld in artikel 201 lid 1 onder a van de richtlijn 2009/139/EG dient voor beide procedures op gelijke wijze te worden uitgelegd en dit artikel dient voor beide procedures op gelijke wijze te worden toegepast.
9.2
Het hof zal de verdere beoordeling, waaronder van het betoog van [appellante] dat SAR met haar akte uitlating de tweeconclusieregel heeft geschonden, aanhouden. Ook wanneer van strijd met de tweeconclusieregel sprake zou zijn, staat dat niet aan het stellen van de prejudiciële vragen in de weg, nu het betoog van SAR bij voornoemde akte niet leidt tot het niet stellen van prejudiciële vragen dan wel tot het stellen van andere prejudiciële vragen.
10De uitspraak
Het hof:
in het incident:
verklaart de NovA niet-ontvankelijk in haar incidentele conclusie tot tussenkomst ex artikel 217 jo. 353 Rv;
veroordeelt de NOvA in de proceskosten van het incident tot tussenkomst van € 541,--, jegens [appellante] , te betalen binnen veertien dagen na heden
veroordeelt de NOvA in de proceskosten van het incident tot tussenkomst van € 541,--, jegens SAR, te betalen binnen veertien dagen na heden.
verklaart DAS niet-ontvankelijk in haar conclusie tot voeging, althans tussenkomst ex artikel 217 jo. 353 Rv;
veroordeelt DAS in de proceskosten van het incident tot voeging, althans tussenkomst van
€ 541,--, jegens [appellante] , te betalen binnen veertien dagen na heden.
veroordeelt DAS in de proceskosten van het incident tot voeging, althans tussenkomst van
€ 541,--, jegens SAR, te betalen binnen veertien dagen na heden.
in de hoofdzaak:
stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
1. Wordt onder een gerechtelijke procedure als bedoeld in artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138 en/of in artikel 4:67 lid 1 onder a Wft, uitsluitend verstaan de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregelde verzoekschriftprocedure en dagvaardingsprocedure?
2.a. Zo nee, wordt onder een gerechtelijke procedure in de zin van artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138 en/of in artikel 4:67 lid 1 onder a Wft, mede begrepen een daaraan voorafgaande fase? Vanaf welk tijdstip is dan sprake van een dergelijke buitengerechtelijke fase of met welke werkzaamheid vangt een dergelijke fase dan aan?
2.b Zo ja, staat het dan de verzekerde vrij om ingevolge artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/138 en/of in artikel 4:67 lid 1 onder a Wft, de gekozen advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige (mede) buitengerechtelijk zijn belangen te laten behartigen tijdens de voorbereiding op of bij onderhandelingen ter voorkoming van zo een gerechtelijke procedure?
3. Strookt het met artikel 201 lid 1 onder a van richtlijn 2009/318 en/of artikel 4:67 lid 1 onder a Wft, dat een verzekeraar polisvoorwaarden hanteert waarbij deze bij uitsluiting van de verzekerde het recht heeft om ten behoeve van rechtsbijstanddekking onder de (natura-)verzekeringsovereenkomst te bepalen of een procedure een redelijke kans van slagen heeft, en of de verzekerde schadeloos wordt gesteld ter voorkoming van een gerechtelijke procedure?
draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest van 10 juni 2025 aan de Hoge Raad te zenden;
verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2026 voor beslissing hof over de verdere voortgang van de procedure;
bepaalt dat na ontvangst van de beslissing van de Hoge Raad aan [appellante] en SAR een termijn van vier weken zal worden gesteld voor akte uitlating;
houdt iedere verdere beslissing aan. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3361
