Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 030626 rechterlijk oordeel over hypothetisch carrièreverloop, inclusief studie na arbeidsdeskundig rapport; alternatief scenario te laat aangevoerd

RBLIM 030626 rechterlijk oordeel over hypothetisch carrièreverloop, inclusief studie na arbeidsdeskundig rapport; alternatief scenario te laat aangevoerd

in vervolg op:
RBLIM 301024 rb benoemt arbeidsdeskundige, vraagstelling t.z.v. vraag of SO al dan niet opleiding zou hebben afgerond
en
RBLIM 100724 vza stelt FML op voor situatie mét en zonder mishandeling; benoeming arbeidsdeskundige

2De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 30 oktober 2024

2.1.

Bij vonnis van 30 oktober 2024 is [deskundige] , gecertificeerd registerarbeidskundige, benoemd als deskundige om antwoord te geven op de volgende vragen, met in achtneming van de volgende uitgangspunten:

De deskundige zal de vragen moeten beantwoorden tegen de achtergrond van de na het vonnis van 25 april 2018 bekend geworden rapporten van de deskundigen [psychiater] en [verzekeringsgeneeskundige] .

In rov. 2.9. van het tussenvonnis van 29 maart 2023 heeft de rechtbank de bevindingen van [psychiater] overgenomen en tot de hare gemaakt.
Concreet betekent dit dat de arbeidsdeskundige bij de beantwoording van de vragen moet uitgaan van het feit dat
- [psychiater] , kort gezegd, geconcludeerd heeft dat:

[eiser] van jongs af aan problemen gehad heeft op school en in het sociaal maatschappelijk verkeer en dat zijn klachten in die tijd voor het grootste deel het gevolg zijn van ADHD, maar ook persoonlijkheidstrekken een rol gespeeld hebben;

[eiser] vóór de mishandeling door zijn intelligentie en sociale vaardigheden waarschijnlijk in staat was zijn leven te structureren en in de hand te houden;

bij [eiser] vóór de mishandeling een spontane verbetering van de onderliggende persoonlijkheidsstructuur of forse verbetering van de ADHD-klachten niet in de verwachting lag en de kans dat hij hulp gezocht zou hebben voor zijn klachten gering is. Het is zeer waarschijnlijk dat als de mishandeling niet zou hebben plaatsgevonden er nog steeds sprake zou zijn van ADHD-klachten;

het antwoord op de vraag of [eiser] voor de mishandeling in staat geweest zou zijn om een HBO- of universitaire studie af te ronden nauwelijks te beantwoorden is. Waarschijnlijk was hij intelligent genoeg om een dergelijke opleiding te volgen, maar er is wel plaats voor gerechtvaardigde twijfel omdat intelligentie niet genoeg is voor het succesvol afronden van een opleiding. Ook andere voorwaarden, zoals discipline, concentratie, omgaan met frustraties, zich kunnen voegen in een opleidingssituatie waarin regelmatig sprake is van autoritaire verhoudingen, rigide schema’s en eisen. Veel argumenten om te verdedigen dat een dergelijk opleiding met succes afgesloten zou zijn, zijn er niet volgens de deskundige;

- [verzekeringsgeneeskundige] voor de situatie zonder ongeval in de FML diverse beperkingen heeft opgenomen.

1. Kunt u gemotiveerd een inschatting maken of [eiser] een en, zo ja, welke opleiding zou hebben afgemaakt, indien de poging doodslag niet zou hebben plaatsgevonden en welke functie hij daarmee zou hebben kunnen hebben bekleden? Kunt u aangeven welk gemiddeld beginsalaris aan een dergelijke functie is verbonden en welk gemiddeld eindsalaris? Met welke mate van waarschijnlijkheid geeft u uw antwoorden?

Wilt u daarbij de volgende aspecten – op het moment direct voorafgaand aan de
poging doodslag – betrekken:
- de intellectuele, technische, talige, manuele en/of sociale vaardigheden van [eiser] ;
- de door hem gevolgde opleidingen en waarom hij bepaalde opleidingen niet heeft afgemaakt;
- zijn leeftijd (toen 29 jaar);
- zijn arbeidsverleden;
- zijn gebleken motivatie en interesse;
- de opleiding en beroepswerkzaamheden van ouders en eventuele broers en zussen?

2. Kunt u gemotiveerd een inschatting maken of [eiser] , indien hij geen opleiding zou hebben afgemaakt, door werkervaring of scholing aangeboden door een werkgever een hoger opleidingsniveau bereikt zou hebben dan formeel genoten en, zo ja, welk niveau? Kunt u aangeven welk beginsalaris en welk gemiddeld eindsalaris bij dat niveau hoort? Met welke mate van waarschijnlijkheid geeft u uw antwoorden?

3. Kunt u gemotiveerd inschatten wat het carrièreverloop van [eiser] geweest zou zijn, gelet op zijn school- en arbeidsverleden, indien de poging doodslag niet zou hebben plaatsgevonden, en hij geen opleiding of scholing via een werkgever zou hebben afgemaakt? Welk gemiddeld beginsalaris en gemiddeld eindsalaris zou hij verdiend hebben? Met welke mate van waarschijnlijkheid geeft u uw antwoorden?

4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

Het deskundigenbericht

2.2.

De deskundige heeft die vragen – zakelijk weergegeven – als volgt beantwoord.

Rekening houdend met uitgangspunten in het vonnis van 30 oktober 2024, zoals hierboven weergegeven, acht de deskundige het niet aannemelijk dat [eiser] een opleiding zou hebben afgemaakt, indien de poging tot doodslag niet zou hebben plaatsgevonden. Op grond daarvan komt de deskundige niet toe aan de beantwoording van de vraag of [eiser] een bijbehorende functie had kunnen bekleden, noch welk salaris hij daarmee had kunnen verdienen. De deskundige geeft zijn visie met een hoge mate van waarschijnlijkheid.

2.3.

Op vraag 2 antwoordt de deskundige dat dezelfde aspecten die de opleidingsmogelijkheden, bedoeld in vraag 1, beperken ook de mogelijkheden beperken dat [eiser] door werkervaring of scholing aangeboden door een werkgever een hoger opleidingsniveau bereikt zou hebben dan formeel genoten. In het algemeen ontbreekt volgens de deskundige daardoor de ruimte om tot een significante verdere ontwikkeling te kunnen concluderen. Deze stuit af op de geduide belastbaarheid in de hypothetische situatie zonder de poging tot doodslag. De vraag is volgens de deskundige alleen in algemene zin en vanuit een zekere abstractie te beantwoorden. De mate van waarschijnlijkheid is lager dan bij vraag 1. Dat leidt volgens de deskundige echter niet tot ruimere arbeidsmogelijkheden, omdat de genoemde bezwaren dezelfde blijven.

2.4.

Vraag 3 wordt door de deskundige als volgt beantwoord. Voor de laatstelijk verrichte werkzaamheden als helpdeskmedewerker is [eiser] , rekening houdend met de vastgestelde belastbaarheid in de hypothetische situatie zonder poging tot doodslag, arbeidsgeschikt te achten. Het daaraan voorafgaande arbeidsverleden is als vrijwel aaneengesloten te beschouwen. De deskundige acht het daarmee in de hypothetische situatie zonder poging tot doodslag tenminste mogelijk dat [eiser] in deze functie zou hebben kunnen blijven werken. Goede en kwade kansen wegend had [eiser] hiermee op termijn ruim 120% van het wettelijk minimum loon kunnen verdienen. Omdat dit scenario voortbouwt op de al vóór het geweldsincident gerealiseerde uitgangspunten, acht de deskundige een hoge mate van waarschijnlijkheid aanwezig.

2.5.

De algemeen luidende slotvraag wordt door de deskundige met “nee” beantwoord.

De reacties van partijen

2.6.

[gedaagde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht verklaard dat hij zich kan vinden in de conclusies van de deskundige. Het enige bezwaar dat [eiser] tegen het deskundigenbericht heeft ingebracht, is dat de deskundige in zijn bericht geen rekening heeft gehouden met een alternatief scenario, te weten dat – in de hypothetische situatie dat hij geen slachtoffer zou zijn geworden van de poging tot doodslag op hem – hij op enig moment in de onderneming van zijn [zus] zou zijn gaan werken en meer zou hebben kunnen verdienen. Volgens [eiser] wordt dit scenario op onvoldoende overtuigende argumenten afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige terecht het door [eiser] geschetste scenario (werken in het bedrijf van zijn [zus] ) niet heeft betrokken bij de beantwoording van de aan hem voorgelegde vragen. De deskundige moest de vragen beantwoorden in het licht van de onder 2.1. genoemde uitgangspunten. Daarin is het alternatieve scenario van [eiser] niet opgenomen. Het bedoelde alternatieve scenario wordt ook niet genoemd in de vragen die aan de deskundige zijn voorgelegd, noch kan dat scenario worden geacht te zijn geïmpliceerd in de vragen. Het geschetste scenario is door [eiser] ook niet eerder in deze procedure aan de orde gesteld.

2.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de deskundige alsnog te laten onderzoeken of [eiser] in de hypothetische situatie zonder poging tot doodslag uiteindelijk succesvol in het bedrijf van zijn zus werkzaam zou zijn geworden en welk loon hij daar zou hebben kunnen verdienen. In dat verband wijst de rechtbank er op dat zij in haar tussenvonnis van 25 april 2018 onder 4.14. heeft overwogen dat aannemelijk is dat [eiser] in de hypothetische situatie op zijn minst hetzelfde soort werk zou hebben gedaan dat hij gedurende een lange periode, voor een groot aantal verschillende uitzendbureaus heeft verricht. Het verschil met het inkomen dat hij met dat soort werk zou hebben kunnen verdienen en de uitkeringen die hij thans ontvangt, kan volgens de rechtbank in ieder geval worden gekwalificeerd als zijn minimale verlies aan verdienvermogen. In 4.15. van dat tussenvonnis heeft de rechtbank verder overwogen dat het verlies aan verdienvermogen wellicht nog hoger moet worden gesteld en dat zij [eiser] daarom in de gelegenheid stelt door middel van een deskundigenbericht aan te tonen dat het verlies aan verdienvermogen meer is dan het in 4.14. van dat tussenvonnis als minimum aangeduide verlies aan verdienvermogen en hoeveel dat verlies aan verdienvermogen bedraagt. [eiser] heeft die gelegenheid in het kader van de benoeming van de arbeidsdeskundige toen niet aangegrepen door een vraag voor te stellen waarin de deskundige wordt verzocht rekening te houden met en/of uitdrukkelijk te reageren op het thans geschetste scenario. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit scenario te laat is aangevoerd.

2.9.

Omdat het deskundigenbericht van de arbeidsdeskundige voor het overige niet is betwist, kan het als grondslag dienen voor een op grond van het in het petitum van de inleidende dagvaarding onder II tot en IV gevorderde, te gelasten deskundigenbericht door een te benoemen rekenkundige, die dient uit te rekenen welk inkomen [eiser] is misgelopen en zal mislopen als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] .

2.10.

Voordat de rechtbank tot benoeming overgaat zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:

- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;

- het aantal van de te benoemen deskundigen;

- de persoon van de te benoemen deskundige(n);

- de maximaal acceptabele hoogte van het voorschot;

- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

2.11.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één rekenkundige en dat aan deze de volgende vragen moeten worden gesteld:

  1. Wilt u met inachtneming van hetgeen door de arbeidsdeskundige is overwogen de totale arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen plus pensioenschade) van [eiser] berekenen?
  2. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

2.12.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de gedaagde partij moet worden betaald. Omdat [gedaagde] met een toevoeging procedeert, zal echter aan hem geen voorschot worden opgelegd.

2.13.

In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.

2.14.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.

2.15.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.

2.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Limburg 3 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5321