RBROT 180326 benoeming rekenkundige NRL; rb schetst uitgangspunten - tzv VAV (inkomen als tolk) en
- Meer over dit onderwerp:
RBROT 180326 benoeming rekenkundige NRL; rb schetst uitgangspunten
- tzv VAV (inkomen als tolk) en
- HH ( verleden cf richtlijn DLR, toekomst Witte werkster; 1.1 uur x € 16,50 p/u + 14,95 abonnementsgeld) 4 weken vakantie per jaar; eindleeftijd 70
2De verdere beoordeling
Het tussenvonnis van 12 maart 2025
2.1.
In het tussenvonnis van 12 maart 2025 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank – op basis van het rapport van de eerder door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige – uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist over diverse uitgangspunten voor de begroting van de schade van [eiser] als gevolg van het haar overkomen ongeval. Aldus heeft de rechtbank op die uitgangspunten een eindbeslissing gegeven. Zo heeft de rechtbank de conclusie van de arbeidsdeskundige overgenomen dat de functie van tolk passend moet worden geacht voor [eiser] in de feitelijke situatie met ongeval. [eiser] heeft deze beslissing bestreden in haar akte en stelt in dat kader voor om een vervolgopdracht aan de arbeidsdeskundige te verstrekken om te rapporteren over de concrete mogelijkheden voor [eiser] om als tolk in loondienst aan de slag te gaan.
2.2.
Op een eerdere eindbeslissing kan de rechter terugkomen indien bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat hij aan die beslissing zou zijn gebonden. Er zijn hier echter geen, althans onvoldoende, (nieuwe) feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat tot het oordeel gekomen zou moeten worden dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De beperkte resultaten van zoekopdrachten naar vacatures acht de rechtbank onvoldoende aangezien die slechts resultaten geven voor een specifiek moment. De in het tussenvonnis van 12 maart 2025 vastgestelde uitgangspunten worden daarom gehandhaafd.
2.3.
Verder heeft de rechtbank in voornoemd tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de bij een rekenkundig deskundigenonderzoek in acht te nemen uitgangspunten waarover in dat tussenvonnis niet inhoudelijk is beslist, de door een rekenkundige te beantwoorden vragen en de persoon van de te benoemen rekenkundige. Op die punten wordt in het hiernavolgende ingegaan. Het deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.
De uitgangspunten
Salaris tolk
2.4.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het redelijk is om uit te gaan van een bruto startsalaris van € 1.869,00 in 2024 en, vermeerderd met 3,2% inflatiecorrectie, € 1.928,81 in 2025. Verder zou het volgens [eiser] , gezien haar slechte arbeidsmarktpositie, redelijk zijn om uit te gaan van een eindsalaris van € 2.788,46 bruto per maand. Zij verwijst ter onderbouwing onder meer naar een bijlage bij het rapport van de arbeidsdeskundige, een ingevulde uitdraai van de website loonwijzer.nl.
2.5.
Allianz voert aan dat moet worden uitgegaan van hogere bedragen, namelijk € 2.850,00 bruto voor een tolk met één jaar ervaring, € 3.304,00 bruto voor een tolk met vijf jaar ervaring en € 3.719,00 voor een tolk met tien jaar ervaring. Ook zij verwijst ter onderbouwing naar een uitdraai van de website loonwijzer.nl. Bovendien zou [eiser] een jaaromzet van € 49.621,00 kunnen genereren met 21 uur per week werken wanneer zij als zelfstandige in plaats van in loondienst gaat werken, aldus Allianz.
2.6.
Hoewel partijen dus dezelfde website raadplegen (loonwijzer.nl), verschillen hun uitgangspunten. Dat is waarschijnlijk deels het gevolg van het tijdstip waarop de website is geraadpleegd (de arbeidsdeskundige heeft dat in 2024 gedaan, Allianz in 2025) en deels het gevolg van het feit dat [eiser] voor het startsalaris uitgaat van de ondergrens van de bandbreedte en Allianz van het gemiddelde daarvan. Ten aanzien van dat laatste ziet de rechtbank in het rapport van de arbeidsdeskundige, meer specifiek diens bevindingen over de mogelijkheden om als tolk te werken, geen, althans onvoldoende aanleiding om van de ondergrens van de bandbreedte in plaats van het gemiddelde salaris uit te gaan. De constatering van de arbeidsdeskundige dat simultaan tolken mentaal te belastend is voor [eiser] en tolken bij de politie of de IND niet passend is te achten, is daartoe onvoldoende omdat de arbeidsdeskundige ook expliciet concludeert dat er toch voldoende mogelijkheden zijn om in andere situaties als tolk te functioneren.
2.7.
Ten aanzien van het moment van raadplegen van de website loonwijzer.nl overweegt de rechtbank dat, voor een zo waarheidsgetrouw mogelijke begroting, in beginsel voor ieder moment uitgegaan dient te worden van de op dat moment te genereren gegevens. Een van de reeds geformuleerde uitgangspunten is dat van inkomsten als tolk wordt uitgegaan vanaf 22 augustus 2025 (rechtsoverweging 2.13 in het tussenvonnis van 12 maart 2025). De gegevens uit 2025 worden dan accurater verondersteld dan die uit 2024. Bovendien vermeldt het screenshot van de website van loonwijzer.nl in het rapport van de arbeidsdeskundige (2024) slechts bandbreedtes en geen gemiddelde. Zodoende dient naar het oordeel van de rechtbank uitgegaan te worden van de gemiddelde salarisbedragen zoals door Allianz voorgesteld. De door Allianz berekende jaaromzet indien [eiser] als zelfstandige zou gaan werken wordt buiten beschouwing gelaten.
2.8.
Ten slotte gaat de rechtbank ervan uit dat de te benoemen rekenkundige in zijn berekening zelf een inflatiecorrectie toepast. Deze dient niet op voorhand in de salarishoogte te worden verdisconteerd.
2.9.
Het bovenstaande leidt tot de volgende uitgangspunten voor het salaris als tolk:
- 1 t/m 4 jaar: € 2.850,00 (bruto maandsalaris)
- 5 t/m 9 jaar: € 3.304,00 (bruto maandsalaris)
- 10 jaar en verder: € 3.719,00 (bruto maandsalaris)
Opleidingskosten
2.10.
Volgens [eiser] bedragen de kosten van een opleiding tot tolk € 5.041,75. Zij voert aan dat haar schade wegens verlies van haar verdienvermogen dient te worden verhoogd met dit bedrag. Allianz heeft aangegeven bereid te zijn de opleidingskosten te dragen. Zij meent echter dat de kosten voor ‘oriëntatie’, ten bedrage van € 242,00, zoals opgenomen in de door [eiser] aangevoerde lijst van kosten, niet hoeven te worden gemaakt.
2.11.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen aldus niet in geschil is dat de kosten van [eiser] voor de opleiding tot tolk voor rekening komen van Allianz tot een bedrag van € 4.799,75. Met betrekking tot de kosten voor ‘oriëntatie’ overweegt de rechtbank dat [eiser] ter onderbouwing een tijdslijn van een integrale tolkopleiding heeft overgelegd en dat daaruit blijkt dat het onderdeel ‘oriëntatie’ bestaat uit “voorlichting, hoorcolleges beluisteren, demotoets bekijken en studiegids en lesboek doornemen”. Het is dan ook aannemelijk dat voor het onderdeel ‘oriëntatie’ kosten gemaakt moeten worden in de vorm van aan te schaffen lesmateriaal; dat de arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het werken als tolk passend is voor [eiser] doet daar niets aan af. Ook de aan de ‘oriëntatie’ gekoppelde kosten (€ 242,00) dienen dus voor rekening te komen van Allianz.
2.12.
Een voorwaarde voor de verschuldigdheid van de kosten is dat [eiser] de opleiding ook daadwerkelijk gaat volgen.
Pensioengerechtigde leeftijd
2.13.
[eiser] heeft aangevoerd dat het gezien de stijgende pensioenleeftijd redelijk is om uit te gaan van een pensioenleeftijd van 68 jaar. Allianz heeft aangevoerd dat die leeftijd 67 jaar en 9 maanden moet zijn. [eiser] heeft haar standpunt niet nader onderbouwd, terwijl Allianz ter onderbouwing van haar standpunt een berekening/inschatting op de website van de sociale verzekeringsbank heeft overgelegd. De rechtbank zal dat onderbouwde standpunt overnemen en uitgaan van 67 jaar en 9 maanden.
Rekenrente
2.14.
Partijen zijn het erover eens dat voor de rekenrente aansluiting wordt gezocht bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschade LOVCK/LOVC-Hoven en Expertgroep Personenschade van 1 augustus 2024.
Looptijd schade wegens kosten huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid
2.15.
[eiser] stelt dat met betrekking tot de looptijd van schade wegens kosten huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid een eindleeftijd van 75 jaar gebruikelijk is. Allianz acht 70 jaar redelijk.
2.16.
Allianz heeft terecht opgemerkt dat in het tussenvonnis van 12 maart 2025 reeds is beslist dat voor de looptijd van de schadepost verlies aan zelfwerkzaamheid een eindleeftijd van 70 jaar als onbetwist uitgangspunt uit het rapport van de arbeidsdeskundige wordt overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om daarvan af te wijken.
2.17.
Voor de schadepost kosten huishoudelijke hulp verwijzen beide partijen naar rechtspraak waarin de door hen voorgestelde looptijd als uitgangspunt is genomen. Wat daarin opvalt is dat in de rechtspraak van [eiser] een eindleeftijd van 75 jaar als afwijking van de standaardtermijn van 70 jaar wordt gezien. [eiser] heeft niet inhoudelijk onderbouwd waarom ook in haar geval van de gebruikelijke looptijd tot 70 jaar moet worden afgeweken. De rechtbank gaat dus ook voor de eindleeftijd voor de kosten van huishoudelijke hulp uit van 70 jaar.
Huishoudelijke hulp (uren en tarief)
2.18.
De behoefte van [eiser] aan huishoudelijke hulp daalt van 3,2 uur naar 1,1 uur per week wanneer haar dochter het huis heeft verlaten (zie rechtsoverweging 2.16 van het tussenvonnis van 12 maart 2025). Partijen gaan in hun vraagstellingen (vermoedelijk abusievelijk) uit van 2,3 uur in plaats van 3,2 uur. De rechtbank gaat uit van 3,2 uur. [eiser] heeft aangevoerd dat ervan uitgegaan dient te worden dat haar dochter per 1 maart 2025 het huis heeft verlaten. Allianz heeft dat niet betwist.
2.19.
Het te hanteren uurtarief dient volgens [eiser] voor de periode tot 1 maart 2025 te worden gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke hulp. Allianz heeft dat niet bestreden. Voor de periode vanaf 1 maart 2025 wil [eiser] aansluiting zoeken bij het uurtarief van ‘De witte werkster’ ad € 16,50 met bijbehorend abonnement ad € 14,95 per maand. Zij gaat daarbij uit van 52 weken hulp per jaar. Allianz betwist dat [eiser] daadwerkelijk huishoudelijke hulp krijgt vanaf 1 maart 2025 en voert aan dat dat een vereiste is voor het bestaan van een vergoedingsplicht voor Allianz. Ten slotte voert Allianz aan dat uitgegaan moet worden van 48 weken hulp per jaar.
2.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de begroting van de schade vanwege huishoudelijke hulp kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de benadeelde degene die de hulp heeft geboden geen vergoeding heeft betaald, voor zover het – kort gezegd – gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Terecht heeft Allianz betoogd dat (echter) niet kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de hulp in het geheel niet is geboden. Een abstract berekende vergoeding voor niet geboden hulp is dus niet aan de orde.
2.21.
In de constatering van de arbeidsdeskundige dat de hulpbehoefte 1,1 uur per week is en het feit dat een dergelijke hulpbehoefte de rechtbank in dit geval geenszins bovenmatig voorkomt, ziet de rechtbank aanleiding bij de vraagstelling aan de thans te benoemen deskundige van een dergelijke behoefte uit te gaan. [eiser] zal zich in het verdere verloop van de procedure kunnen uitlaten over de vraag of zij daadwerkelijk hulp tot genoemde duur ontvangt. Verder zal zij kunnen reageren op wat Allianz onder 35 van haar antwoordakte heeft gesteld met betrekking tot een eventueel beroep op de WMO. Niet noodzakelijk is dat [eiser] tevens aantoont dat zij voor genoemde hulp een vergoeding betaalt. De rechtbank wijst er verder thans reeds op dat het te ver voert om van [eiser] te verwachten dat zij in de toekomst totdat zij 70 jaar oud is blijft aantonen dat zij voor 1,1 uur per week door een derde werkzaamheden laat verrichten, al dan niet tegen betaling.
Zodoende dient, met genoemde kanttekening, voor de berekening te worden uitgegaan van 1,1 uur hulpbehoefte per week vanaf 1 maart 2025.
2.22.
Voor het tarief vanaf 1 maart 2025 kan worden aangesloten bij het tarief van ‘De witte werkster’. Allianz heeft het tarief van ‘De witte werkster’ niet inhoudelijk betwist, door bijvoorbeeld aan te voeren dat dit tarief onevenredig hoog zou zijn of betrekking zou hebben op andere werkzaamheden dan waar de hulpbehoefte van [eiser] op ziet. De rechtbank gaat dan ook uit van dat tarief als berekeningsgrondslag voor de kostenpost huishoudelijke hulp, zijnde € 16,50 per uur + € 14,95 abonnementskosten per maand.
2.23.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat het gebruikelijk is om uit te gaan van 48 weken hulp per jaar in plaats van 52, rekening houdend met (gemiddeld) vier weken vakantie per jaar. Dat wordt als uitgangspunt genomen.
De door de deskundige te beantwoorden vragen
2.24.
Aan de te benoemen deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Deze zijn afkomstig uit de door partijen voorgestelde vragen met inachtneming van de hiervoor vastgestelde uitgangspunten. Ook de overige (algemene) opmerkingen heeft de rechtbank overgenomen, voor zover zij deze relevant acht.
De persoon van de deskundige
2.25.
[eiser] heeft voorgesteld om de heer M.J. Neeser, rekenmeester bij het Nederlands Rekencentrum Letselschade (hierna: NRL), als deskundige te benoemen. Allianz maakt bezwaar en voert aan dat het wel eens is gebeurd dat de heer Neeser bij een gezamenlijke opdracht alleen contact legde met de belangenbehartiger en dat dat afbreuk doet aan zijn onafhankelijkheid. De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij omdat het onvoldoende is onderbouwd en overweegt dat van een rekenmeester van het NRL mag worden verwacht dat hij een onafhankelijk en betrouwbaar deskundigenrapport opstelt. De heer Neeser zal dus als deskundige worden benoemd.
Voorschot
2.26.
De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 9.075,00 (inclusief btw) op basis van een uurtarief van € 230,00 exclusief btw. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting.
2.27.
Het voorschot zal worden vastgesteld op een bedrag van € 9.075,00 inclusief btw. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om te bepalen dat dit voorschot door Allianz moet worden betaald.
Overig
2.28.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder ‘De beslissing’ omschreven. Wordt aan een van de genoemde verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.29.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.30.
De deskundige verwacht dat hij zijn definitieve deskundigenbericht uiterlijk tien weken na ontvangst van het voorschot kan toezenden.
2.31.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
Verlies van verdiencapaciteit
U wordt vriendelijk verzocht het verlies van verdiencapaciteit van [eiser] te berekenen vanaf 9 juni 2015 tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Uitgegaan dient te worden van een pensioenleeftijd van 67 jaar en 9 maanden.
Situatie met ongeval
Voor de situatie met ongeval dient onder meer te worden uitgegaan van het tussenvonnis van de rechtbank van 12 maart 2025 (rechtsoverweging 2.13), waarin de rechtbank een deel van de uitgangspunten voor de berekening van het verdienvermogen in de situatie met ongeval heeft vastgelegd:
- vanaf 9 juni 2015 (datum ongeval) tot 22 augustus 2025: feitelijke inkomsten (uitkering);
- vanaf 22 augustus 2025 tot de pensioenleeftijd: inkomsten als tolk.
Voor wat betreft het inkomen dat [eiser] als tolk vanaf 22 augustus 2025 kan verdienen, wordt u verzocht uit te gaan van de volgende bruto maandsalarissen:
- 1 t/m 4 jaar: € 2.850,00
- 5 t/m 9 jaar: € 3.304,00
- 10 jaar en verder: € 3.719,00
Hypothetische situatie zonder ongeval
Voor de hypothetische situatie zonder ongeval dient te worden uitgegaan van het tussenvonnis van de rechtbank van 12 maart 2025 (rechtsoverwegingen 2.14 en 2.15), waarin de rechtbank de uitgangspunten voor de berekening van het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval heeft overgenomen uit het deskundigenbericht van arbeidsdeskundige Van der Ham.
Pensioenschade
Voorts wordt u verzocht om de pensioenschade van [eiser] te berekenen, waarbij u voor de ingangsdatum van de AOW-uitkering van [eiser] dient uit te gaan van een leeftijd van 67 jaar en 9 maanden.
Huishoudelijke hulp
Wilt u de schade ter zake van de kosten van huishoudelijke hulp berekenen, uitgaande van een behoefte van 3,2 uur per week vanaf 9 juni 2015 t/m februari 2025, gedurende 48 weken per jaar, uitgaande van de normbedragen van de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke hulp?
Met ingang van 1 maart 2025 dient u uit te gaan van 1,1 uur hulp per week gedurende 48 weken per jaar. Uitgegaan dient te worden van een tarief van € 16,50 per uur + € 14,95 abonnementskosten per maand.
De eindleeftijd is 70 jaar.
Verlies aan zelfwerkzaamheid
Wilt u de schade ter zake van het verlies aan zelfwerkzaamheid berekenen conform hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 2.17 van het tussenvonnis van 12 maart 2025 vanaf 9 juni 2015, zijnde een jaarschade van € 245,00, tot het bereiken van de eindleeftijd van 70 jaar?
Algemene relevante opmerkingen
-
[eiser] is alleenstaand.
-
U wordt verzocht om voor de rendements- en inflatiepercentages van de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van de Rechtspraak (LOVCK/LOVC-Hoven en Expertgroep Personenschade) van 1 augustus 2024. Indien tijdens uw werkzaamheden de aanbevelingen worden herzien, dan wordt u verzocht om de herziene aanbevelingen toe te passen.
-
Voor wat betreft de looptijd van de berekening wensen partijen uit te gaan van de periode vanaf 9 juni 2015 tot aan de gebruikelijke eindleeftijd (100 jaar), met een jaarlijkse correctie op basis van de sterftekans en met toepassing van de jaarlijks geactualiseerde AG- of GMB/GBV-tabellen.
-
Als kapitalisatiedatum kunt u 1 januari 2026 hanteren.
3.2.
benoemt tot deskundige:
M.J. Neeser
(etc red. LSA LM) Rechtbank Rotterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2950
