Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 011225 kop-staartbotsing; dodelijke afloop; forse remming zonder aannemelijke oorzaak; achteroprijder niet aansprakelijk

RBGEL 011225 kop-staartbotsing; dodelijke afloop; forse remming zonder aannemelijke oorzaak; achteroprijder niet aansprakelijk
verzocht (advocaat-stagiaire) 23,7 uur x € 260 + 21%; begroot, niet toegewezen, 18,7 uur x € 260 + 21% = € 5.883,02

2De feiten

2.1.

[de verzoeker] is de partner van wijlen mevrouw [de overledene] (hierna: [de overledene] ). Op woensdag 25 mei 2022 omstreeks 14:30 uur is [de overledene] betrokken geraakt bij een verkeersongeval terwijl zij op de N241 reed in de richting van de Moerdijk. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De auto van [de overledene] , een personenauto van het merk Citroën, kwam tot stilstand op een afstand van ongeveer 250 meter tot de nabijgelegen rotonde, waarop een aanrijding is ontstaan doordat de bestuurder van een bestelbus van het merk Nissan, de heer [de betrokkene] (hierna: [de betrokkene] ), die achter [de overledene] reed achterop haar auto is gebotst.

2.2.

[de overledene] is vanaf de plaats van het ongeval per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Op 1 juni 2022 is zij overgebracht naar een hospice, waar zij op [overlijdensdatum] op 71-jarige leeftijd is overleden.

2.3.

Het ongeval vond plaats ter hoogte van de woning aan de Vennikerweg 15 te Zijdewind. Een op dat perceel aanwezige beveiligingscamera heeft het ongeval vastgelegd.

2.4.

Van het ongeval is door de politie Noord-Holland proces-verbaal opgemaakt. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Omstandigheden

(...)

Bijzonderheden van de plaats (aanvullend) : NIET VAN TOEPASSING

Lichtgesteldheid : DAGLICHT

(...)

Weersgesteldheid : DROOG

Wegdek : DROOG

Wegsituatie : RECHTE WEG

(...)

Toedracht

(...) Mevrouw [de overledene] [de meisjesnaam van [de overledene] , rb.] reed over de N241, komende uit de richting van de Tolkerdijk, gaande in de richting van de Moerdijk. De heer [de betrokkene] reed achter mevrouw [de overledene] in dezelfde rijrichting.

Zonder aantoonbare reden bracht mevrouw [de overledene] haar voertuig tot volledige stilstand. De heer [de betrokkene] remde uit alle macht en week uit in de richting van de rechter berm. Desondanks was de heer [de betrokkene] niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen. Hij botste vervolgens met de linkervoorzijde van zijn voertuig tegen de rechterachterzijde van het voertuig van mevrouw [de overledene] .

(...)

De heer [de betrokkene] was niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. (artikel 19 RVV 1990)”

2.5.

Op 9 juni 2022 heeft de politie [de betrokkene] verhoord als verdachte van het overtreden van artikel 19 RVV en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. In het proces-verbaal van dat verhoor is het volgende opgenomen:

“V: Uit het onderzoek blijkt dat u met de voorzijde van uw bestelauto tegen de achterzijde van een personenauto bent gebotst. Ik wil u graag terugbrengen naar het moment dat u deze auto voor het eerst zag rijden. Waar en wanneer zag u die auto voor het eerst?

A: Die zat al voor mij op die weg. Ik ben mij niet bewust wanneer ik die auto voor het eerst zag.

V: Wat hebt u vanaf dat moment gezien en of gehoord?

A: Niet opvallends.

V: Op welke afstand reed u achter die auto?

A: Ik mijn beleving een normale afstand.

(...)

Twee tot drie seconden. Ik weet niet hoe je dat moet uitdrukken in meters?

V: Hoe hebt u die afstand bepaald met die twee en drie seconden?

A: Toch afstand houden en voor je uit kijken.

(...)

V: Hoe kijkt u zelf naar de oorzaak van het verkeersongeval?

A: Ik reed. Je ziet dat er een auto voor je rijdt. Je kijkt even naar links en even naar rechts. En in een flits zag ik dat mijn voorganger heel dicht bij kwam waardoor ik vol in de remmen moest. Geprobeerd heb om mijn eigen auto de berm in te sturen waardoor ik haar met mijn linker voorkant haar rechter achterkant heb geraakt. Want ik probeerde het te ontwijken.

(...)

Het viel mij op dat ik vol in de remmen moest. Het leek wel of die auto stil stond of hard afremde op in feite op een plek zo’n 300 meter voor een rotonde. Je kon daar niet links of rechtsaf. Die auto kwam zo ineens dichtbij.

V: Het was voor u niet logisch dat uw voorganger daar zou stoppen?

A: Op het moment dat ik reed en ik keek even naar links en naar rechts, wederom weer vooruit kijkend naar mijn voorganger, merkt ik dat deze auto ineens erg dichtbij kwam. Waardoor ik zo snel als mogelijk mijn rempedaal intrapte en geprobeerd heb om de auto te ontwijken naar rechts.

(...)

Nee dat was niet logisch.”

2.6.

De politie heeft tevens een “Onderzoek Plaats Delict” uitgevoerd en daarvan op 4 juli 2022 proces-verbaal opgemaakt. Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

3.3.1

Voertuig 1 – Merk Citroën

(…)

Overig technisch onderzoek:

Ik (...) heb op 26 mei, omstreeks 13:55 uur onderzoek aan de betrokken personenauto verricht. Dit onderzoek vond plaats bij Bergingsberdrijf Haulo in Schagen. Ik heb daar het contact aangezet om te kijken of er meldingen op het dashboard kwamen. Ik zag dat dit niet gebeurde. Ik zag dat de tankmeter een blokje boven de helft aangaf. (...) Hierna heb ik de motor gestart (...) Ik heb vervolgens een stukje vooruit en achteruit gereden. Tevens heb ik hierbij naar links en naar rechts gestuurd en stevig geremd. Alle door mij gecontroleerde functies werkte zoals het hoort.

(...)

4.4.

Toedracht

Uit de door ons aangetroffen situatie, de sporen, de eindposities van de voertuigen, de schades aan de voertuigen en de verklaringen kan de volgende voorlopige toedracht worden geconcludeerd.

De bestuurder van de personenauto reed met haar voertuig over de N241, komende uit de richting van de Schagen en gaande in de richting van Verlaat. De bestuurder van de bedrijfsauto reed over dezelfde weg in dezelfde richting. De personenauto remde plotseling om onbekende reden. De achter de personenauto rijdende bestuurder van de bedrijfsauto kon zijn voertuig niet meer op tijd tot stilstand brengen met een aanrijding tot gevolg. (...)”

2.7.

Bij brief van 1 mei 2023 heeft [de verzoeker] Bovemij, de WAM-verzekeraar van de bestelbus waarin [de betrokkene] reed ten tijde van het ongeval, aansprakelijk gesteld voor alle schade ten gevolge van het ongeval. Bij e-mailbericht van 9 augustus 2023 heeft de belangenbehartiger van Bovemij aansprakelijkheid van de hand gewezen en dit standpunt bij brief van 22 januari 2024 herhaald.

2.8.

Op verzoek van Bovemij heeft Bosscha Ongevallenanalyse B.V. (hierna: Bosscha) op 26 september 2025 een rapport uitgebracht over de toedracht van het ongeval. In dat rapport is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

II – ANALYSE

(...)

Snelheden

(...)

Gelet op het voorgaande ben ik er ten behoeve van de verdere analyse vanuit gegaan dat beide voertuigen aanvankelijk gereden hebben met een (constante) snelheid van ca. 80 km/u (22,2 m/s). Het ongeval is op video vastgelegd. (...) De beelden laten zien dat de Citroën wordt aangereden juist op het moment dat dit voertuig remmend tot stilstand kwam. Tevens laat de video zien dat de Nissan daar tegenaan botst en vervolgens over een relatief korte afstand (ca. 5 meter) tot stilstand komt. (...) De tekening van de Politie laat vaststellen dat de Nissan bestuurder over een afstand van ca. 15 meter vol aan het remmen is geweest. Vanuit de (aangenomen) begin snelheid van ca. 80 km/u zal dit met een aangenomen (mijns inziens aannemelijke) remvertraging van ca. 8 m/s2 geleid hebben tot een botssnelheid van ca. 55 km/u. De daarbij behorende remtijd zal ca. 1,0 seconden in beslag hebben genomen (inclusief de zweltijd van ca. 0,2 sec.).

De berekende botssnelheid zie ik aannemelijk terug komen in de hoeveelheid schade die is ontstaan én in de uitlooptrajecten van beide voertuigen (ca. 5 meter voor de Nissan en ca. 44 meter voor de Citroën).

Volgafstand tussen de Nissan en de Citroën

De videobeelden laten in combinatie met de tekening van de Politie zien dat de Citroën over een afstand van ca. 6,5 meter in beeld is geweest. De video werkt met 30 beelden per seconde, zodat elk beeld een tijd omvat van 0,033 sec. Ik heb het aantal beelden geteld waarin de Citroën te zien is geweest (tussen het in beeld komen en het tot stilstand komen op het botsmoment). Dat blijken er 41 te zijn. Dit levert een tijdsbestek op van ca. 1,35 sec. Vervolgens heb ik berekend dat de gemiddelde remvertraging over die 6,5 meter ca. 7 m/s2 is geweest. De snelheid die de Citroën reed toen dit voertuig in het beeld van de video verscheen bedroeg ca. 35 km/u.

De zojuist genoemde vertraging kan getypeerd worden als een forse, stevige vertraging. Duidelijk meer dan die welke in het normale verkeer aan de orde is (ca. 3 m/s2), maar aan de andere kant ook niet de maximale vertraging die tijdens een noodremming op een droog wegdek gehaald kan worden (ca. 8 á 9 m/s2). Wanneer ik de Citroën vanuit een snelheid van ca. 80 km/u laat afremmen met gemiddeld 6 á 7 m/s2 tot stilstand zal daar ca. 3,2 á 3,7 seconden voor nodig zijn geweest. De bijbehorende remafstand bedraagt ca. 35 á 41 meter.

In het zojuist genoemde tijdstraject van 3,2 á 3,7 seconden zal de Nissan ca. 15 + 2,2/2,7 x 80/3,6 = ca. 64 á 75 meter hebben afgelegd.

Met de berekende afstanden kan vervolgens bepaald worden dat de tussenafstand 75/64 – 41/35 = ca. 34 á 29 meter zal zijn geweest toen de Citroën bestuurster haar remmanoeuvre inzette.

Reactietijd [de betrokkene]

(...)

Wanneer de dreiging duidelijk is (bijvoorbeeld het gaan oplichten van de remlichten in een situatie waarin een remming ook voor de hand ligt) kan een reactietijd van ca. 1 seconden worden aangehouden. In deze kwestie zijn er tussen het gaan oplichten van de remlichten van de Citroën en het gaan remmen door [de betrokkene] ca. 3,2 / 3,7 minus 1,0 = ca. 2,2 á 2,7 seconden verstreken.

Het vermoeden bestaat dat een gedeelte van deze tijd is gaan zitten in het spiegelen dat [de betrokkene] heeft gedaan teneinde een beeld te krijgen van het verkeersbeeld achter zijn bus (...).

Verhouding volgafstand / stopweg vanuit 80 km/u

De stopweg vanuit een snelheid van ca. 80 bedraagt ca. 22 meter (reageren) + ca. 33 meter (remmen) = ca. 55 meter. Wanneer deze afstand wordt vergeleken met de werkelijk aangehouden volgafstand (29 á 34 meter) kan gesteld worden dat [de betrokkene] in theorie (kunnen stoppen binnen de afstand die vrij is) wat dichter op zijn voorganger heeft gereden dan wordt voorgeschreven.

In dat kader wil ik graag het volgende opmerken. Ca. 250 meter vóórbij de botsplaats bevond zich een rotonde. Er was voor [de betrokkene] (mede gezien het tijdstip) naar mijn indruk geen reden om rekening te houden met de optie dat de Citroën bestuurster bij nadering van de botsplaats haar voertuig plotseling (kennelijk zonder enige noodzaak) fors remmend tot stilstand zou gaan brengen.

Wanneer de Citroën bestuurster de DS3 met een normale remvertraging (ca. 3 m/s2) tot stilstand had gebracht zou de remming ca. 82 meter in beslag hebben genomen. Inclusief de aangehouden volgafstand van 29 á 34 meter zou [de betrokkene] dan ca. 111 á 116 meter stopafstand tot zijn beschikking hebben gehad. Ook met de nu berekende reactietijd van ca. 2,2 á 2,7 seconden zou [de betrokkene] dan in staat zijn geweest om binnen die afstand (ca. 111 á 116 meter) de Nissan (vanuit 80 km/u) tot stilstand te brengen (onbeschadigd achter de Citroën). Deze berekeningen maken aannemelijk dat er een verband lijkt te zijn tussen de stevige / forse (en waarschijnlijk onnodige) remming en het ontstaan van de botsing tussen de Nissan en de Citroën.

III – CONCLUSIES

1. Aanvankelijk zullen de Citroën en de Nissan op enige afstand en met een (aannemelijke) snelheid van 80 km/u achter elkaar aan hebben gereden. Na een forse remming is op de westelijke rijbaan van de N241 het linker gedeelte van het Nissan front met een snelheid van ca. 55 km/u tegen de rechter achterzijde van de (juist tot stilstand gekomen) Citroën gebotst.

2. Voorafgaand aan de botsing werd de Citroën met een naar alle waarschijnlijkheid stevige/forse vertraging (op ca. 250 meter vóór een verderop gesitueerde rotonde) tot stilstand gebracht. Videobeelden leveren geen aannemelijke oorzaak voor deze remming.
Tussen het gaan oplichten van de Citroën remlichten en het gaan remmen door [de betrokkene] zijn ca. 2,2 á 2,7 seconden verstreken (reactietijd).

3. Toen de bestuurster van de Citroën ging remmen reden de voertuigen ca. 29 á 34 meter uit elkaar. De stopafstand vanuit 80 km/u bedraagt ca. 55 meter.

4. Wanneer de Citroën bestuurster met een normale (in het dagelijks verkeer gangbare) vertraging haar voertuig tot stilstand had afgeremd, zou [de betrokkene] in de gegeven omstandigheden (en met de berekende reactietijd van ca. 2,2 á 2,7 seconden) de Nissan zonder botsing achter de Citroën tot stilstand hebben kunnen brengen. Er lijkt derhalve een relatie te liggen tussen de forse remming door de Citroën bestuurster en het ontstaan van de aanrijding.

3Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

3.1.

[de verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

I. voor recht te verklaren dat Bovemij als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor alle overlijdensschade, vermogensschade en affectie- en shockschade die [de verzoeker] lijdt als gevolg van het verkeersongeval, op te maken bij staat en te verrekenen volgens de wet, inclusief wettelijke rente;

II. de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 3.381,95, te vermeerderen met de kosten voor het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling en het griffierecht, met veroordeling van [de rechtbank begrijpt] Bovemij om deze kosten binnen twee weken te vergoeden aan [de verzoeker] .

3.2.

Aan het verzoek heeft [de verzoeker] ten grondslag gelegd dat [de betrokkene] op grond van artikel 6:162 BW en artikel 19 RVV aansprakelijk is voor de door [de verzoeker] geleden schade als gevolg van het ongeval. [de betrokkene] heeft onrechtmatig gehandeld door achterop het voertuig van [de overledene] te rijden. Hij had voldoende afstand moeten houden, moeten anticiperen op de snelheid van [de overledene] en in staat moeten zijn om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen, aldus [de verzoeker] .

3.3.

Bovemij verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij voert primair aan dat [de betrokkene] niet aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval omdat [de overledene] zonder verkeersnoodzaak een noodstop maakte en [de betrokkene] daarmee redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden. Indien toch een fout van [de betrokkene] wordt aangenomen beroept Bovemij zich subsidiair op eigen schuld aan de zijde van [de overledene] . Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek verzoekt zij de rechtbank dan ook bij een toewijzende beschikking voor recht te verklaren dat de vergoedingsplicht van Bovemij jegens [de verzoeker] dient te worden verminderd met 80% op grond van artikel 6:108 lid 5 BW. Ten slotte betwist Bovemij dat sprake is van shockschade.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[de verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot het houden van een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.2.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van Bovemij voor de door [de verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade. Dat dit een verzoek is dat zich leent voor behandeling in deelgeschil staat tussen partijen niet ter discussie. [de verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

In deze procedure staat vast dat op 25 mei 2022 op de N241 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [de betrokkene] met zijn bestelbus achterop de auto van [de overledene] is gebotst, waarna de auto van [de overledene] is doorgerold over de tegenovergestelde weghelft en uiteindelijk in een sloot is beland. Niet in geschil is dat [de overledene] als gevolg van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en in het ziekenhuis is opgenomen. Zij is op [overlijdensdatum] overleden. De rechtbank stelt voorop dat, zoals Bovemij ook ter zitting heeft opgemerkt, dit een ongeval met afschuwelijke gevolgen betreft. In deze procedure ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor of sprake is van onrechtmatig handelen door [de betrokkene] door in strijd met artikel 19 RVV onvoldoende afstand te houden.

4.4.

Voorop staat dat de stelplicht en bewijslast van die stelling, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, rusten op [de verzoeker] . De enkele omstandigheid dat [de betrokkene] achterop de auto van [de overledene] is gebotst, rechtvaardigt geen uitzondering op deze hoofdregel van bewijslastverdeling. Dit is vaste rechtspraak bij kop-staartbotsingen (zie o.m. HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1065, gerechtshof [woonplaats] 26 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1720 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3631). Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in deze procedure geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die met zich brengen dat van de hoofdregel van artikel 150 Rv moet worden afgeweken. [de verzoeker] zal dus voldoende onderbouwd moeten stellen dat [de betrokkene] onrechtmatig heeft gehandeld en een verkeersfout heeft gemaakt.

4.5.

Daarvoor is niet voldoende dat vast staat dat [de betrokkene] achterop is gereden op de auto van [de overledene] . Volgens dezelfde vaste rechtspraak als hiervoor is genoemd, biedt het enkel achterop rijden door de bestuurder van een auto bij een andere auto onvoldoende basis om aan te nemen dat de bestuurder van de achterste auto een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Deze bestuurder moet weliswaar voldoende afstand tot zijn voorganger houden, en daarmee voldoende overzicht over de situatie op de weg om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen zoals bedoeld in artikel 19 RVV, maar er kunnen zich situaties voordoen waarbij de achteroprijdende bestuurder niet aansprakelijk is voor de botsing. Bovemij voert aan dat dit in deze zaak het geval is, nu [de overledene] zeer plotseling en zonder verkeersnoodzaak krachtig heeft geremd, waardoor haar auto (vrijwel) tot stilstand is gekomen op een plek waar [de betrokkene] dit redelijkerwijs niet hoefde te verwachten. Gelet op dit verweer is het aan [de verzoeker] om aanvullende feiten en omstandigheden te stellen voor het oordeel dat [de betrokkene] artikel 19 RVV heeft geschonden.

4.6.

[de verzoeker] stelt in dit verband dat [de betrokkene] onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van de auto van [de overledene] . Dit klemt volgens hem te meer omdat [de betrokkene] in een zware bedrijfsbus reed en bovendien zelf heeft verklaard dat hij vlak voor het ongeval niet naar voren keek maar naar zijn linker- en rechterspiegel. Die omstandigheden hadden gevolgen voor zijn reactiesnelheid, aldus [de verzoeker] . Hij stelt dat de vertraagde reactie van [de betrokkene] cruciaal was en in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding. Het gebrek aan oplettendheid in combinatie met de te korte volgafstand maakt dat [de betrokkene] onrechtmatig heeft gehandeld, zo stelt [de verzoeker] .

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. In het verzoekschrift heeft [de verzoeker] gesteld dat [de betrokkene] wellicht slechts één à twee voertuiglengtes afstand hield, inhoudend 6,85 tot 13,7 meter en dat er dus sprake was van bumperkleven. [de verzoeker] heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar de foto’s in het proces-verbaal en door de remsporen op het wegdek te vergelijken met de lengte van de witte onderbroken markering. Nog daargelaten echter dat [de verzoeker] niet onderbouwt waarop de gestelde lengte van de markering en de tussenruimte is gebaseerd (dat lijkt immers enkel door zijn advocaat te zijn afgeleid uit de foto’s in het proces-verbaal van de politie), geldt dat ook voor het overige de gemaakte berekening niet inzichtelijk is. In het verzoekschrift worden gestelde afstanden tussen remsporen en markeringen bij elkaar opgeteld, waarna daaruit wordt afgeleid dat [de betrokkene] slechts 0,75 seconden had om te remmen. Voor die stelling kan het proces-verbaal van de politie niet als onderbouwing dienen. Daarin is immers niets opgenomen over een geschatte volgafstand of de afmetingen van de remsporen en de markering op het wegdek. Aan de berekening ligt evenmin een ander (verkeersongevallen)rapport ten grondslag. De stelling dat [de betrokkene] een verkeersfout heeft gemaakt door zodanig dicht op [de overledene] te rijden dat sprake was van bumperkleven en hij nog geen seconde had om te remmen, is dus onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat de advocaat van [de verzoeker] ter zitting heeft erkend dat uit het rapport van Bosscha over de toedracht van het ongeval niets blijkt over bumperkleven en blijkt dat er sprake was van een volgafstand tussen de 29 en 34 meter.

4.8.

Ten aanzien van het rapport van Bosscha overweegt de rechtbank allereerst dat het enkele feit dat dit rapport is uitgebracht op eenzijdig verzoek van Bovemij, geen reden is om het buiten beschouwing te laten. Bosscha is een bekende deskundige op het gebied van toedrachtsonderzoek bij verkeersongevallen. De advocaat van [de verzoeker] heeft in dit verband ook ter zitting opgemerkt dat het weliswaar een eenzijdig rapport betreft, maar dat zij geen reden heeft om aan te nemen dat het niet objectief of onpartijdig is. Zij heeft zich ook, onder meer in haar pleitaantekeningen, aangesloten bij een deel van de door Bosscha uitgevoerde berekeningen en desgevraagd verklaard dat zij zich op onderdelen van het rapport van Bosscha beroept. Nu verder ook niet is gebleken van bezwaren tegen (de inhoud van) het rapport van Bosscha, zal de rechtbank dit rapport tot uitgangspunt nemen.

4.9.

Uit het rapport van Bosscha blijkt, kort gezegd, dat zowel [de betrokkene] als [de overledene] naar alle waarschijnlijkheid aanvankelijk 80 kilometer per uur heeft gereden, dat de afstand tussen de beide voertuigen 29 tot 34 meter bedroeg en dat de stopafstand vanuit 80 kilometer per uur 55 meter bedraagt. Verder concludeert Bosscha dat [de overledene] op een afstand van ongeveer 250 meter tot de rotonde haar auto met een stevige/forse vertraging tot stilstand heeft gebracht over een afstand van 35 tot 41 meter, dat de reactietijd van [de betrokkene] 2,2 tot 2,7 seconden bedroeg en dat hij met een snelheid van circa 55 kilometer per uur de auto van [de overledene] heeft geraakt. Ten slotte merkt Bosscha op dat de videobeelden geen aannemelijke oorzaak leveren voor de remming door [de overledene] en dat, wanneer zij met een in het dagelijks verkeer gangbare vertraging had afgeremd, [de betrokkene] zijn auto binnen de berekende reactietijd zonder botsing tot stilstand had kunnen brengen.

4.10.

Gelet op deze conclusies en de verdere inhoud van het rapport van Bosscha ziet de rechtbank geen steun voor de stelling van [de verzoeker] dat [de betrokkene] een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Van de (in r.ov. 4.5. genoemde) benodigde aanvullende feiten en omstandigheden is onvoldoende gebleken. [de verzoeker] heeft weliswaar ter zitting opnieuw betoogd dat [de betrokkene] onvoldoende afstand heeft gehouden tot de auto van [de overledene] , maar Bosscha geeft in zijn rapport geen kwalificatie aan de aangehouden volgafstand. Weliswaar is bij een snelheid van 80 kilometer per uur een stopafstand berekend van 55 meter, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie dat [de betrokkene] op dat moment en op die plaats 55 meter afstand had moeten houden. Bovemij heeft in dit verband onweersproken aangevoerd dat dit, uitgaande van een gemiddelde autolengte van 4,5 meter, zou inhouden dat automobilisten op welke weg en bij welke omstandigheden dan ook met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, ruim 12 autolengtes afstand van elkaar zouden moeten houden. Dat dit redelijkerwijs op de ongevalslocatie van [de betrokkene] had kunnen worden verwacht, terwijl vast staat dat het een rechte weg betrof, zonder aanwezigheid van zijwegen of andere mogelijkheden om af te slaan, op een afstand van ruim 250 meter van een rotonde en met goede weersomstandigheden, is onvoldoende gesteld en toegelicht door [de verzoeker] . Aan de ook ter zitting ingenomen stelling dat uit de camerabeelden zou blijken dat [de betrokkene] ‘er te dicht op zat’ gaat de rechtbank verder voorbij nu op basis van de camerabeelden met het blote oog geen afstand kan worden ingeschat en Bosscha bovendien heeft gerapporteerd dat de auto van [de overledene] nog slechts 35 kilometer per uur reed op het moment dat deze in beeld verschijnt, zodat de remming al ruim daarvoor moet zijn ingezet.

4.11.

Dat [de betrokkene] onvoldoende oplettend zou zijn geweest is evenmin voldoende feitelijk toegelicht. Bosscha heeft weliswaar vastgesteld dat de reactietijd van [de betrokkene] 2,2 tot 2,7 seconden bedroeg, maar hij heeft ook hierin geen oorzakelijk verband met de botsing gevonden. Dat de reactietijd iets langer is geweest dan gebruikelijk, wordt volgens Bosscha verklaard doordat [de betrokkene] net op het moment dat [de overledene] is gaan remmen volgens zijn eigen verklaring kort in zijn spiegels keek om het verkeer achter zich in de gaten te houden. Dat dit onoplettendheid zou opleveren of een zodanig ernstige vertraging in reactiesnelheid zou zijn dat dit [de betrokkene] kan worden aangerekend, is onvoldoende onderbouwd. Dat het cruciaal zou zijn voor het ontstaan voor de aanrijding, zoals [de verzoeker] ter zitting heeft gesteld, blijkt niet uit het rapport van Bosscha.

4.12.

Tegenover het voorgaande staat dat Bosscha heeft vastgesteld dat [de overledene] haar auto met een ‘stevige/forse’ vertraging tot stilstand heeft gebracht en dat de videobeelden daarvoor geen aanleiding leveren. Op die beelden is juist te zien, zo heeft ook de rechtbank vastgesteld, dat de vrachtwagen en personenauto die voor de auto van [de overledene] reden, op een - naar het oog - stabiele en onverminderde snelheid voorbij komen en weer uit beeld verdwijnen, terwijl vervolgens de auto van [de overledene] met al een fors lagere snelheid in beeld verschijnt en bijna direct (vrijwel) tot stilstand komt, waarna de bestelbus van [de betrokkene] achterop botst. Er lijkt dus geen sprake te zijn van filevorming of plotseling sterk afremmend verkeer vóór de auto van [de overledene] . Uit de videobeelden blijkt ook niet van een andere oorzaak voor het plotselinge remmen van [de overledene] . Ter zitting heeft [de verzoeker] toegelicht dat [de overledene] na het ongeval nog even bij kennis is geweest, maar zich het moment van de aanrijding niet kon herinneren. Er is geen onderzoek gedaan naar een eventuele medische reden voor het plotselinge remmen. Uit het technisch onderzoek aan de auto is gebleken dat alle functies werkten naar behoren (zie r.ov. 2.6). De conclusie is dan ook dat onduidelijk blijft om welke reden [de overledene] is gaan remmen. Dat dit gelegen was in een omstandigheid die ook voor [de betrokkene] kenbaar was (of had moeten zijn), is in elk geval niet gebleken. Daarbij weegt de rechtbank ook in dit verband mee dat de rotonde die [de overledene] en [de betrokkene] naderden nog ruim 250 meter van de botsplaats was verwijderd, dat er tot die rotonde geen mogelijkheid was om af te slaan naar rechts, de weg op te draaien vanaf de ventweg of de weg over te steken, en dat de weersomstandigheden en het zicht goed waren.

4.13.

De rechtbank kan dus slechts vaststellen dat [de overledene] , zonder kenbare (verkeers)noodzaak, plotseling en krachtig heeft geremd. Bosscha rapporteert over een ‘stevige/forse vertraging’ en noemt deze meer dan in het normale verkeer gebruikelijk is. Hij concludeert dat wanneer [de overledene] met een ‘normale (in het dagelijks verkeer gangbare)’ remming had afgeremd, [de betrokkene] tot stilstand had kunnen komen zonder botsing. Volgens Bosscha lijkt er dan ook een relatie te liggen tussen de forse remming en de aanrijding. De rechtbank volgt die conclusie. Een bestuurder moet weliswaar bedacht zijn op onverwachte gebeurtenissen en ook plotseling en tijdig kunnen anticiperen op afremmend verkeer, maar gelet op de omstandigheden op de weg gaat het te ver om van [de betrokkene] te verwachten dat hij zijn voertuig zo onverwachts, zonder enige aanleiding of waarschuwing, geheel tot stilstand kon brengen zonder daarbij de auto van [de overledene] te raken. Aangezien niet is komen vast te staan dat [de betrokkene] te weinig afstand hield of onoplettend heeft gereden, betekent het enkele feit dat hij achterop de auto van [de overledene] is gebotst dus niet dat hij een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Er is sprake van een zeer noodlottig ongeval, maar voor de gevolgen daarvan kan Bovemij niet aansprakelijk worden gehouden.

4.14.

De conclusie is dat de gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.15.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat de kosten niet voor begroting en vergoeding in aanmerking komen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van dat laatste is geen sprake, zo is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.

4.16.

[de verzoeker] maakt, gelet op de ter zitting overgelegde urenstaat, aanspraak op € 7.456,02 (23,7 uur tegen een uurtarief van € 260,00, vermeerderd met 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht. Bovemij voert verweer tegen de hoogte van het uurtarief. Volgens haar wordt de zaak behandeld door een advocaat-stagiair, zodat daarbij niet het tarief van een gespecialiseerd letselschadeadvocaat past en een tarief van maximaal € 180,00 per uur redelijk is. Daarnaast maakt Bovemij bezwaar tegen het aantal bestede uren, met name gelet op het opvoeren van tijd voor het aanvragen van een toevoeging, intern overleg en reistijd. Een tijdsbesteding van maximaal twaalf uur voor het opstellen van het verzoekschrift en de correspondentie daarbij en vier uur voor de zitting is redelijk, aldus Bovemij.

4.17.

De rechtbank acht het uurtarief van € 260,00 weliswaar aan de hoge kant, maar niet bovenmatig hoog. De advocaat van [de verzoeker] heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat zij ruime ervaring heeft in het voeren van letselschadeprocedures. Het uurtarief van een gespecialiseerd (LSA-)letselschadeadvocaat ligt in de regel ook hoger. De rechtbank is van oordeel dat bij het rekenen van een uurtarief van € 260,00 echter wel mag worden verwacht dat de zaak efficiënt en voortvarend wordt behandeld. Daarvan is, gelet op de inhoud en overzichtelijkheid van de zaak, geen sprake. Niet alleen is de rechtbank met Bovemij van oordeel dat het rekenen van het volledige uurtarief voor het aanvragen van een toevoeging, het voeren van intern overleg en de reistijd naar de rechtbank niet redelijk is, maar ook het aantal aan de zaak bestede uren na indiening van het verzoekschrift (ruim acht uur zonder de zitting en de reistijd) acht de rechtbank bovenmatig veel. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op (18,7 uren × € 260,00, vermeerderd met 21% btw en griffierecht van € 90,00 =) € 5.973,02 inclusief btw. Gelet op het feit dat aansprakelijkheid van Bovemij niet is komen vast te staan, bestaat voor veroordeling van Bovemij in (een percentage van) deze kosten geen aanleiding.

4.18.

De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [de verzoeker] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv. Rechtbank Gelderland 1 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:12056