Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 311025 geen letsel; botsing auto vs fatbike; door rood rijden fatbike komt niet vast te staan; fout auto wel; volgt afwijzing

RBAMS 311025 geen letsel; botsing auto vs fatbike; door rood rijden fatbike komt niet vast te staan; fout auto wel; volgt afwijzing
- schending 21 Rv; eiser niet toegelaten tot bewijslevering; in dagvaarding is inrijverbod verzwegen, niet bestaand verkeerslicht opgevoerd en SAF is vervalst;

2De feiten

2.1.

Op 7 januari 2024 omstreeks 1:40 uur ’s nachts heeft op het kruispunt van de Van Woustraat en de Stadhouderskade in Amsterdam een ongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] en [gedaagde] betrokken waren. [eiser] was de bestuurder van een personenauto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken] . [gedaagde] reed op een elektrische fiets (een fatbike, Engwe EP 2 Pro). [gedaagde] reed op het fietspad van de Stadhouderskade, kwam vanuit westelijke richting (vanaf de Heineken Experience) en reed in oostelijke richting. [eiser] reed op de Van Woustraat in noordelijke richting. [eiser] en [gedaagde] zijn beiden de kruising opgereden en daar met elkaar in botsing gekomen. Door het ongeval is schade aan de fiets van [gedaagde] en schade aan de auto van [eiser] ontstaan.

2.2.

In Het Parool is op 8 januari 2024 een artikel gepubliceerd met als kop ‘Auto’s rijden ondanks verbod door bij knip Van Woustraat (…)’. Het artikel gaat over het deel van de Van Woustraat tussen de Albert Cuypstraat/Hemonylaan en de Stadhouderskade. Voor dat deel van de Van Woustraat geldt sinds 21 december 2023 een inrijverbod (met uitzondering van trams). Bij het artikel staat de volgende foto, die het betreffende deel van de Van Woustraat toont:

2.3.

Als productie 1 bij de dagvaarding heeft [eiser] een aanrijdingsformulier overgelegd. Dat formulier ziet er uit als volgt:

Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.

2.4.

[gedaagde] heeft als productie 5 bij de conclusie van antwoord een door hem op 7 januari 2024 gemaakte foto van het aanrijdingsformulier overgelegd:

Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.

2.5.

Op 22 januari 2024 en in februari en april 2024 heeft DAS Rechtsbijstand namens [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval op 7 januari 2024.

2.6.

Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders (hierna: Bazuin) heeft namens Allianz Benelux B.V. (hierna: Allianz) in een brief van 19 juni 2024 [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 4.583,29 te betalen. In reactie hierop heeft de gemachtigde van [gedaagde] op 1 juli 2024 meegedeeld niet bekend te zijn met Allianz als partij in deze kwestie en betwist dat Allianz een vorderingsrecht heeft. Bazuin heeft vervolgens in een e-mail van 9 juli 2024 onder meer laten weten: “Onze opdrachtgever treed op als rechtsbijstandsverzekeraar van cliënt, hierdoor beschikken zij over het vorderingsrecht.”

2.7.

Op 22 juli 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] een inhoudelijke reactie aan Bazuin gestuurd. Daarin staat onder meer het volgende:

“Mijn cliënt betwist de juistheid van het door [eiser] (de verzekerde van uw opdrachtgever) overgelegde schadeformulier ten stelligste. De heer [eiser] heeft mijn cliënt gevraagd om in zijn auto enkel de NAW-gegevens in te vullen. Mijn cliënt heeft de overige delen van het formulier niet ingevuld en het formulier niet ondertekend. De handtekening op het formulier is niet van mijn cliënt, wat betekent dat het formulier geen enkele waarde heeft en vals is. In de bijlage treft u het formulier aan zoals dit door mijn cliënt is ingevuld. Hieruit blijkt duidelijk dat de heer [eiser] de overige delen van het formulier heeft ingevuld (…).

Daarnaast wordt de toedracht onjuist geschetst door de heer [eiser] . Het is immers de heer [eiser] die een overtreding heeft begaan: het is voor automobilisten verboden om de Stadshouderskade op te rijden. (…) Cliënt betwist tevens dat hij door rood licht reed, nu hij door groen licht reed (…)”

Tekst

Tekst

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.583,29 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2024, buitengerechtelijke incassokosten van € 583,33 en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft een verkeersovertreding begaan door een rood verkeerslicht voor fietsers te negeren. [eiser] verwijst naar het hiervoor onder 2.3 opgenomen aanrijdingsformulier en een verklaring van een getuige. Doordat [gedaagde] een rood verkeerslicht heeft genegeerd, is het ongeval ontstaan en heeft [eiser] schade aan zijn auto. [gedaagde] heeft daarmee onvoorzichtig of nalatig gehandeld en moet daarom de schade aan de auto van [eiser] vergoeden. Voor de hoogte van de schade verwijst [eiser] naar een schaderapport en foto’s van zijn auto.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met rente.

3.4.

[gedaagde] voert het volgende aan. [eiser] moet niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Uit de verklaring die op 9 juli 2024 door Bazuin is gedaan mocht [gedaagde] afleiden dat de vordering was gecedeerd aan Allianz. Het subsidiaire standpunt is dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. De toedracht zoals deze door [eiser] is geschetst in de dagvaarding is onjuist. Het is niet [gedaagde] die een verkeersfout heeft gemaakt. Het verkeerslicht voor [gedaagde] stond op groen. [eiser] heeft zelf een verkeersfout gemaakt. [eiser] reed op een weg waar een inrijverbod gold. Bovendien heeft [eiser] het aanrijdingsformulier vervalst. Ten tijde van het ongeval heeft [gedaagde] alleen zijn NAW-gegevens ingevuld. Hij heeft het aanrijdingsformulier ook niet ondertekend. De handtekening die op het door [eiser] overgelegde formulier staat, is niet van hem. [gedaagde] verwijst naar het hiervoor onder 2.4 opgenomen aanrijdingsformulier. [gedaagde] betwist de authenticiteit en inhoud van de door [eiser] overgelegde getuigenverklaring.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Geen cessie

4.1.

De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat het (eventuele) vorderingsrecht van [eiser] is overgedragen. Op basis van uitsluitend het bericht van Bazuin van 9 juli 2024, waarnaar [gedaagde] verwijst, kan niet worden vastgesteld dat [eiser] zijn vordering heeft overgedragen. Deze mededeling is niet afkomstig van Allianz, terwijl ook niet gebruikelijk is dat een vordering wordt overgedragen aan een rechtsbijstandsverzekeraar. Verder heeft de gemachtigde van [eiser] (van DAS Rechtsbijstand) tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [eiser] geen (schade)uitkering van zijn verzekeraar heeft ontvangen en dat [eiser] zijn vordering niet heeft gecedeerd.

Toetsingskader voor aansprakelijkheid

4.2.

Aangezien [eiser] als gemotoriseerde verkeersdeelnemer schadevergoeding vordert van [gedaagde] als ongemotoriseerde verkeersdeelnemer moet de vordering van [eiser] worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en de reflexwerking van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW). Die reflexwerking houdt in dat bij een ongeval waarbij een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer zijn betrokken, waarbij schade aan de gemotoriseerde verkeersdeelnemer ontstaat, de schade, ook als de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer schuld heeft aan de aanrijding, in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van de gemotoriseerde, behalve als sprake is van overmacht aan de zijde van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Is geen sprake van overmacht, dan blijft in beginsel steeds een gedeelte van de schade van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer voor zijn eigen rekening. Het antwoord op de vraag voor wélk gedeelte, hangt af van de causaliteitsafweging die in het kader van artikel 6:101 BW dient te worden gemaakt; hierbij gaat het om een verdeling naar evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Na de causaliteitsverdeling kan eventueel, indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven, nog een billijkheidscorrectie plaatsvinden.

4.3.

Van belang is de toedracht van het ongeval vast te stellen.

De toedracht van het ongeval: de verkeersfout van [eiser]

4.4.

Inmiddels is niet meer in geschil dat ten tijde van het ongeval een inrijverbod gold voor een deel van de Van Woustraat, namelijk het deel dat is gelegen tussen de Albert Cuypstraat/Hemonylaan en de Stadhouderskade. Dat is het deel waar [eiser] met zijn auto reed. [eiser] reed dus op een plek waar dat niet was toegestaan. Met verkeersborden was het inrijverbod duidelijk aangegeven, zo blijkt uit de foto bij het artikel in Het Parool (zie 2.2).

4.5.

De kantonrechter is verder van oordeel dat er ten tijde van het ongeval, anders dan [eiser] heeft gesteld, op de Van Woustraat geen verkeerslicht was voor autoverkeer om de kruising met de Stadhouderskade op te rijden. Op de foto bij de reportage in Het Parool is een dergelijk verkeerslicht niet te zien en in het artikel zelf schrijft de journalist over de situatie ter plaatse: “(…) er staan geen verkeerslichten meer die aangeven of je mag doorrijden. De meeste auto’s lijken vooral af te gaan op het verkeerslicht voor fietsers (…)”. De aanwezigheid van een verkeerslicht voor auto’s is ook niet logisch. Immers, ten tijde van de aanrijding was het enige verkeer dat op dat deel van de Van Woustraat nog mocht rijden trams en fietsers. Voor trams geldt een negenoog en voor fietsers een afzonderlijk fietsersverkeerslicht. Dat betekent dat [eiser] , anders dan hij in de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, dus geen groen verkeerslicht voor motorvoertuigen kan hebben gezien bij het oprijden van de kruising met de Stadhouderskade.

4.6.

Gelet op het ontbreken van een verkeerslicht voor motorvoertuigen geldt dat [eiser] voorrang had moeten verlenen aan al het verkeer op de Stadhouderskade. De Stadhouderskade is namelijk een voorrangsweg ten opzichte van de Van Woustraat. Door niet alleen het inrijverbod te negeren maar ook geen voorrang te verlenen aan [gedaagde] heeft [eiser] een ernstige verkeersfout gemaakt die in elk geval mede het ongeval heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van overmacht aan de kant van [eiser] en dat in elk geval een deel van de schade van [eiser] voor zijn eigen rekening blijft. Welk deel dat is, hangt af van de vraag of ook [gedaagde] een verkeersfout heeft gemaakt die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade.

De toedracht van het ongeval: heeft [gedaagde] een verkeersfout gemaakt?

4.7.

Partijen verschillen erover van mening of [gedaagde] door rood licht is gefietst of niet. Als komt vast te staan dat [gedaagde] door rood is gefietst, is sprake van een causaliteitsverdeling van 50% voor [eiser] en 50% voor [gedaagde] , omdat elk van partijen in die situatie dan ongeveer in gelijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade. In dat geval krijgt [eiser] de helft van zijn schade vergoed.

Indien niet komt vast te staan dat [gedaagde] door rood is gefietst, geldt dat ervan uit moet worden gegaan dat het ongeval en de schade volledig door (de verkeersfout van) [eiser] zijn veroorzaakt. In dat geval kan [eiser] geen schadevergoeding vorderen van [gedaagde] en moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.

4.8.

Aangezien [eiser] zich erop beroept dat [gedaagde] aansprakelijk is op grond van een door [gedaagde] gemaakte verkeersfout, is het aan [eiser] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [gedaagde] door rood is gefietst. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] staat vooralsnog niet vast dat hij door rood is gefietst. Dat zou betekenen dat [eiser] daarvan bewijs moet leveren. De kantonrechter is echter van oordeel dat [eiser] in deze procedure de waarheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden en dat [eiser] daarmee zijn recht heeft verspeeld om toegelaten te worden tot bewijslevering. De kantonrechter licht dat hierna toe.

[eiser] heeft artikel 21 Rv geschonden

4.9.

Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht. De door de rechter toe te passen sanctie moet in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van de schending.

4.10.

Ten eerste heeft [eiser] in de dagvaarding verzwegen dat hij zelf een verkeersfout heeft gemaakt en hij heeft over de situatie ter plekke een onjuist beeld geschetst. In de dagvaarding heeft [eiser] over de toedracht van het ongeval het volgende gesteld:

“1. Op 7 januari 2024 stond eiser met het aan hem toebehorende voertuig, personenauto, merk Mercedes met het kenteken [kenteken] , op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Van Wouwstraat in Amsterdam voor een rood uitstralend verkeerslicht. Eiser trok op bij groen licht en volgde de rijstrook voor rechtdoor gaand verkeer in de richting van het Westeinde.”

4.11.

Op het moment van het ongeval gold waar [eiser] reed een inrijverbod voor auto’s. Dat heeft hij verzwegen, terwijl hij wist of had moeten weten dat daar een inrijverbod gold. Voor zover hij dat ten tijde van het ongeval niet zelf al had opgemerkt aan de hand van de aanwezige verkeersborden, had hij dat bij het uitbrengen van de dagvaarding moeten weten, omdat de inhoud van de brief van de gemachtigde van [gedaagde] van 22 juli 2024 op zijn minst aanleiding gaf tot het doen van onderzoek op dit punt. Verder kan [eiser] geen groen licht voor auto’s hebben gezien bij het oprijden van de kruising met de Stadhouderskade, omdat ten tijde van het ongeval daar geen verkeerslicht voor auto’s aanwezig was. Ook op dit punt is zijn standpunt dus in strijd met de waarheid.

4.12.

Daarnaast heeft [eiser] in de dagvaarding een verkeerde voorstelling van zaken gegeven over de inhoud van het door hem overgelegde aanrijdingsformulier (zie 2.3) en het moment waarop dat is ingevuld. Daarbij heeft [eiser] namelijk verzwegen dat hij dat formulier later eigenhandig verder heeft ingevuld. [eiser] heeft in zijn dagvaarding het volgende over het hiervoor onder 2.3 opgenomen formulier gesteld:

“Na de aanrijding werd door partijen een schadeformulier ingevuld en ondertekend (productie 1). Uit de schets blijkt dat het verkeerslicht voor gedaagde rood licht uitstraalde en het verkeerslicht voor eiser op groen stond. Beide partijen hebben voor de juistheid van de op de voorzijde van het schadeformulier ingevulde gegevens getekend.”

4.13.

Ter zitting heeft [eiser] toegegeven dat het door hem bij de dagvaarding overgelegde formulier niet het formulier is zoals dat door partijen na de aanrijding is ingevuld, omdat partijen na de aanrijding dat formulier slechts gedeeltelijk hadden ingevuld. [eiser] heeft verklaard dat hij het formulier enige tijd later heeft aangevuld, nadat hij de benodigde gegevens over de verzekering van [gedaagde] had ontvangen. [eiser] heeft het bij het aanvullen van het aanrijdingsformulier echter niet gelaten bij het invullen van de verzekeringsgegevens van [gedaagde] . [eiser] heeft op dat moment, zoals hij op de zitting heeft toegegeven, ook de situatieschets gewijzigd door daar gegevens aan toe te voegen. Dat is duidelijk te zien bij een vergelijking van de twee overgelegde formulieren. De kantonrechter acht dit bijzonder ernstig, omdat de stellingname in de dagvaarding mede inhield dat [gedaagde] het bij de dagvaarding gevoegde aanrijdingsformulier had ondertekend. Doordat [eiser] dat formulier later heeft aangevuld, staat dus vast dat [gedaagde] in elk geval niet de door [eiser] overgelegde versie van het aanrijdingsformulier heeft ondertekend.

4.14.

Tot slot heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] het aanrijdingsformulier, zoals partijen dat na de aanrijding hadden ingevuld, heeft ondertekend. [gedaagde] betwist dat hij het formulier heeft ondertekend, omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, niet alles begreep wat er moest worden ingevuld op het formulier en het niet eens was met de door [eiser] ingevulde toedracht.

4.15.

De kantonrechter is van oordeel dat de handtekening (het woord ‘ [gedaagde] ’) in vak 15 onderaan het aanrijdingsformulier, zoals [eiser] dat heeft overgelegd, niet van [gedaagde] afkomstig is. De schrijfstijl van de letters van het woord ‘ [gedaagde] ’ vertoont meer gelijkenis met de schrijfstijl van het deel van het formulier dat [eiser] heeft ingevuld (waaronder de later door [eiser] toegevoegde verzekeringsgegevens van [gedaagde] in vak 8) dan met de schrijfstijl van het deel van het formulier dat [gedaagde] heeft ingevuld. Bovendien is het woord ‘ [gedaagde] ’ met blauwe inkt geschreven, net als een aantal elementen van de situatieschets die op een later moment door [eiser] aan de situatieschets zijn toegevoegd. De gegevens die ter plekke zijn ingevuld, zijn daarentegen met zwarte inkt geschreven. Gevoegd bij de andere feiten waarover [eiser] niet naar waarheid heeft verklaard (zie 4.10-4.13) en die afbreuk doen aan zijn geloofwaardigheid, gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat de zogenaamde handtekening van [gedaagde] onderaan het formulier nadien door [eiser] is geplaatst, en niet door [gedaagde] . Dat betekent dat [eiser] een vervalst formulier in deze procedure heeft overgelegd, hetgeen als buitengewoon ernstig moet worden aangemerkt.

4.16.

Gelet op de omvang en de ernst van de schendingen van de waarheidsplicht door [eiser] , welke schendingen bovendien betrekking hebben op gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil, is de gevolgtrekking die de kantonrechter daaruit maakt dat [eiser] niet wordt toegelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat [gedaagde] door rood is gefietst.

Conclusie: afwijzing van de vordering

4.17.

Nu geen bewijslevering zal plaatsvinden, staat niet vast dat [gedaagde] door rood is gefietst en moet de kantonrechter ervan uitgaan dat [gedaagde] geen verkeersfout heeft gemaakt. Dat betekent (zie ook 4.7) dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Rechtbank Amsterdam 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9464