RBMNE 120826 wn-ster uitzendbureau stelt ongeval t.g.v. kantelende sta-verhoger bij zalmfileerlijn; niet voldaan aan stelplicht
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 120826 wn-ster uitzendbureau stelt ongeval t.g.v. kantelende sta-verhoger bij zalmfileerlijn; niet voldaan aan stelplicht
2De beoordeling
De zaak in het kort
2.1
[eiseres] is van 23 september 2024 tot 5 december 2024 in dienst geweest bij [gedaagde sub 1] in de functie van [functie 3] . [gedaagde sub 1] is een uitzendorganisatie en heeft [eiseres] ingezet bij Uvec . [eiseres] stelt dat zij op 10 oktober 2024 een arbeidsongeval heeft gehad. [eiseres] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en Uvec (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade en een (hoofdelijke) veroordeling tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af en veroordeelt haar in de proceskosten.
Toetsingskader werkgeversaansprakelijkheid
2.2
Bij de beoordeling van deze zaak stelt de kantonrechter het volgende voorop.
-
In artikel 7:658 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
-
Volgens artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
-
Artikel 7:658 lid 4 bepaalt: “Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt .”
Verhouding [eiseres] en inlener Uvec
2.3
Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtsverhouding tussen [eiseres] en Uvec valt onder 7:658 lid 4 BW.
[eiseres] heeft niet aan haar stelplicht voldaan en daarom worden de vorderingen afgewezen
2.4
Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW geldt dat de werknemer moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen (Hoge Raad 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430).
2.5
[eiseres] stelt zij op 10 oktober 2024 bij haar werkzaamheden aan de zalmfileerlijn bij Uvec gebruik maakte van een sta-verhoger met twee tredes. [eiseres] stelt dat de verhoger, bij het betreden ervan, is gekanteld en haar onderbeen heeft geraakt. Als gevolg van het ongeval heeft zij diverse fracturen opgelopen, waaronder een geperforeerd onderbeen en kampt zij met blijvend letsel, aldus [eiseres] .
2.6
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet heeft onderbouwd dat er zich op de werkvloer een ongeval heeft voorgedaan. Het vermeende ongeval is, terwijl er meerdere mensen aan de fileerlijn werkzaam zijn, door niemand waargenomen. [eiseres] heeft het aanvankelijk ook niet bij [gedaagde sub 1] of Uvec gemeld. Dat de partner van [eiseres] , die tegenover [eiseres] aan de fileerlijn werkzaam was en aan wie [eiseres] zou hebben verteld wat haar was overkomen, de heer [D] ( [functie 2] bij Uvec ) direct zou hebben aangesproken is door de heer [D] niet erkend. Pas in de avond van 13 oktober 2024 heeft [eiseres] aan een medewerker van [gedaagde sub 1] laten weten dat er op 10 oktober 2024 op het werk iets was gebeurd waarvoor zij naar het ziekenhuis zou gaan, zonder verder in detail te treden. Of er een ongeval op het werk heeft plaatsgevonden is dan ook niet vast komen te staan. Daar komt bij dat [eiseres] zelf ook wisselend heeft verklaard over wat er gebeurd zou zijn. Zij heeft een schriftelijke verklaring opgesteld waarin staat dat toen zij een voet op de onderste trede van de verhoger zette, de verhoger kantelde en haar been en haar hoofd raakte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat de verhoger is gekanteld toen zij van de eerste naar de tweede trede stapte en dat de verhoger (alleen) haar been heeft geraakt. Verder heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling ineens naar voren gebracht dat de bovenste trede los zat. De video die [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling heeft getoond is volgens haar partner pas na 21 oktober 2024 gemaakt en onduidelijk is of het de door [eiseres] gebruikte verhoger betreft.
2.7
Ook is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht voor wat betreft het door haar gestelde oorzakelijk verband tussen het vermeende ongeval en het vermeende letsel. Het enige wat [eiseres] als onderbouwing naar voren heeft gebracht is de schriftelijke verklaring van haarzelf. In het dossier bevindt zich nog een stuk van de huisartsenpost van een bezoek van [eiseres] van 14 oktober 2024 – welke is overgelegd door [gedaagde sub 1] – waarin (slechts) melding wordt gemaakt van wondroos aan het been van [eiseres] . Gelet op de verweren van [gedaagde sub 1] en Uvec had het op de weg van [eiseres] gelegen om aanvullende informatie te overleggen waaruit het door haar gestelde letsel volgt en dat dat letsel door het arbeidsongeval is veroorzaakt. Zonder nadere onderbouwing, die dus ontbreekt, valt niet in te zien hoe het vermeende raken van de verhoger tegen haar been heeft geleid tot het gestelde ernstige letsel en dat [eiseres] daar zelfs op 10 oktober 2024 en 11 oktober 2024 mee heeft doorgewerkt. Het aanbod van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling om bij akte nog aanvullende medische stukken in het geding te brengen wordt gepasseerd. Dit aanbod is te laat gedaan.
2.8
Omdat [eiseres] niet voldoende heeft voldaan aan haar stelplicht, komt de kantonrechter niet toe aan nadere bewijslevering. Dat betekent dat in deze procedure niet komt vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. De vorderingen van [eiseres] zullen om die reden worden afgewezen. Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5792
