Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 110225 psychisch letsel a.g.v. handelen gemeente v Jehova's getuigen na beschuldiging van kindermisbruik; smartengeld € 25.000 + rectificatie

GHARL 110225 psychisch letsel a.g.v. handelen gemeente v Jehova's getuigen na beschuldiging van kindermisbruik; smartengeld € 25.000 + rectificatie

2De kern van de zaak

2.1

[appellant] is lid van de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen Harderwijk-Oost (hierna ook wel: de gemeente). Deze gemeente behoort tot het kerkgenootschap CGJG. Naar aanleiding van een melding van zijn jongste zusje in november 2019, is door twee ouderlingen van de gemeente onderzoek gedaan naar vermeend seksueel kindermisbruik door [appellant] . Op basis van de bevindingen van de ouderlingen zijn in overleg met en door CGJG in januari 2020 restricties aan [appellant] opgelegd vanwege het vermeende seksuele kindermisbruik. Deze restricties zijn in november 2021 opgeheven. [appellant] is van mening dat CGJG hem ten onrechte heeft beschuldigd van seksueel kindermisbruik en hem ten onrechte op die grond restricties heeft opgelegd. Hij stelt dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast en dat CGJG onzorgvuldig want in strijd met de eigen kerkelijke regels, heeft gehandeld.

2.2

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat

I) voor recht wordt verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] ten onrechte als dader van kindermisbruik aan te merken;

II) het lichaam van ouderlingen van de gemeente wordt geboden alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen te bezoeken om de ouders te vertellen dat [appellant] geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor [appellant] als kindermisbruiker;

III) wordt bepaald dat CGJG een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat CGJG voornoemd gebod niet nakomt;

IV) CGJG wordt veroordeeld tot vergoeding van materiële schade van € 423,44 met wettelijke rente daarover dan wel de schade nader op te maken bij staat;

V) CGJG wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade ter grootte van

€ 25.000,- met wettelijke rente;

VI) CGJG wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.3

De rechtbank heeft vastgesteld dat CGJG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft kunnen komen tot het punt waarop CGJG een belangenafweging maakte en het besluit nam om de interne procedure te volgen. De rechtbank heeft zich voor het overige onbevoegd verklaard om inhoudelijk kennis te nemen van de door [appellant] ingestelde vorderingen. (geen publicatie bekend, red. LSA LM)

2.4

De bedoeling van het principaal hoger beroep van [appellant] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De bedoeling van het incidenteel beroep van CGJG is dat het hof zich alsnog onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [appellant] kennis te nemen.

3Het oordeel van het hof

Inleiding

3.1

Het hof zal oordelen dat het bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en dat [appellant] in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Het hof zal de vorderingen ook grotendeels toewijzen. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld. De achtergrond van het geschil is als volgt.

De feiten

3.2

CGJG is een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW en bezit civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Jehovah’s getuigen komen voor de eredienst bijeen in gemeenten, waarvan er in Nederland ongeveer driehonderd drieënvijftig zijn. De religieuze activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Nederland worden gecoördineerd vanuit hun nationaal religieus bijkantoor, gevestigd te Emmen. Dit bijkantoor, dat verantwoordelijk is voor de geestelijke, bestuurlijke en wettelijke leiding van het kerkgenootschap, is algemeen bekend bij Jehovah’s Getuigen als ‘Bethel’ (hierna ook wel: het Bijkantoor of Bethel)). De werkzaamheden op het Bijkantoor staan onder toezicht van een religieus bijkantoorcomité dat is samengesteld uit ervaren ouderlingen en dat het bestuur van CGJG vormt. De betrokken afdelingen van het Bijkantoor die gemeenteouderlingen bijstaan bij het behandelen van beschuldigingen van seksueel kindermisbruik zijn de Dienstafdeling, die de gemeenteouderlingen bijstaat bij de uitvoering van het beleid van Jehovah’s Getuigen voor het beschermen van kinderen en de Juridische Afdeling, die juridisch advies geeft aan het Bijkantoor en aan gemeenteouderlingen. Een zogeheten ‘lichaam van ouderlingen’ wordt gevormd door de mannen in de gemeente die het ambt van ouderling bekleden. Gemeenten van Jehovah's Getuigen zijn weer gegroepeerd in regionale kringen. De geestelijke behoeften van dergelijke groepen gemeenten worden verzorgd door een ervaren ouderling die kringopziener wordt genoemd. De kringopzieners benoemen of ontheffen de gemeenteouderlingen. De gebedszalen van de Jehovah’s Getuigen worden Koninkrijkszalen genoemd.

3.3

Tot het statuut van CGJG in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW behoren haar statuten, het ‘Ouderlingenboek’ en het orgaan van de ‘Wachttoren’.

3.4

In de preambule bij de statuten staat onder punt 4:

‘Zowel personen die een geestelijk ambt bekleden als religieuze organisatieonderdelen van Jehovah’s Getuigen in Nederland, functioneren op basis van het interne recht van het kerkgenootschap (hierna: 'intern recht') (Psalm 1:2; Psalm 19:7; Galaten 6:2). Dit interne recht stemt overeen met het begrip dat het kerkgenootschap heeft van Bijbelse leringen en van de manier waarop het dient te functioneren, zoals vastgesteld door het Besturende Lichaam (Mattheüs 24:45-47). Het omvat tevens geestelijke richtlijnen van het Besturende Lichaam of haar vertegenwoordigers, en richtlijnen die het bijkantoorcomité als bestuurder van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland (…) in het kader van zijn bevoegdheden uitvaardigt.’

De statuten bepalen verder:

‘Artikel 55 Personen die in een geestelijk ambt worden benoemd, dienen in overeenstemming met het interne recht van het kerkgenootschap te handelen. (…)

Artikel 65 Het lichaam van ouderlingen heeft de leiding over de gemeente en voorziet in geestelijk toezicht, waarbij het zorg draagt voor de geestelijke behoefte van de lidmaten in de gemeente, in overeenstemming met het interne recht van het kerkgenootschap (Handelingen 20:28; Galaten 6:1; 1 Petrus 5:1-3).
(…)

Artikel 70 Elk lidmaat van het kerkgenootschap is verplicht om te handelen en te leven in overeenstemming met het intern recht van het kerkgenootschap.’

3.5

In het Ouderlingenboek ‘Zorg als een herder voor Gods kudde’ uit 2019 staat onder meer:

‘Hoofdstuk één

Hoe ouderlingen als lichaam samenwerken

(…)

‘VERANTWOORDELIJKHEDEN’

2. De verantwoordelijkheden van het lichaam van ouderlingen zijn onder andere: (…)

(10) Aanwijzen van twee ouderlingen om een beschuldiging van ernstig kwaaddoen te onderzoeken. Bepalen of er een rechterlijk comité nodig is om een geval van ernstig kwaaddoen te behandelen. Bepalen wie er in het comité zullen dienen en wie voorzitter zal zijn. (…)

Hoofdstuk twaalf

Bepalen of er een rechterlijk comité moet worden gevormd .

1.(…) De ouderlingen moeten eerst beoordelen of het kwaaddoen, als het bewezen kan worden, ernstig genoeg is voor een rechterlijk comité. (…)

OVERTREDINGEN DIE DOOR OUDERLINGEN MOETEN WORDEN BEHANDELD

2. Hieronder volgt een opsomming van overtredingen die mogelijk door een rechterlijk comité behandeld moeten worden. (...) De ouderlingen moeten de ernst van het vermeende kwaaddoen met onderscheidingsvermogen en in redelijkheid evalueren. Ze moeten kijken naar de omvang en aard van het wangedrag, het motief erachter, hoe vaak het is begaan, of het gewoonte is, enzovoorts (...).

13. Mishandeling en misbruik van kinderen

(...) Kindermishandeling omvat het seksueel misbruik of lichamelijk mishandelen van een minderjarige. (...) Seksueel kindermisbruik is een perversiteit en omvat over het algemeen geslachtsgemeenschap met een minderjarige; orale of anale seks met een minderjarige; het strelen van de geslachtsorganen, borsten of billen van een minderjarige (...).

14. Grove onreinheid, hebzuchtig beoefende onreinheid (…)

15. Hier volgen enkele gevallen (geen complete lijst) waarin sprake kan zijn van grove onreinheid:

(1) Vluchtig aanraken van intieme lichaamsdelen of strelen van borsten : Als het slechts enkele op zichzelf staande gevallen betreft, dan zal zo’n lichte vorm van onreinheid kunnen worden afgedaan met raad van twee ouderlingen (...). Maar als het vele keren is gebeurd en is toegenomen in ernst en frequentie, kan het op grove, hebzuchtige onreinheid neerkomen die rechterlijk optreden vereist (...).

BEWIJZEN WAARDOOR KWAADDOEN KAN WORDEN VASTGESTELD

40. Ook al wordt iemand beschuldigd van kwaaddoen dat ernstig genoeg is voor rechterlijk optreden, er kan pas een rechterlijk comité worden gevormd als het kwaaddoen door voldoende bewijs is vastgesteld. Dat kan op de volgende manieren:

(1) Bekentenis : Een schriftelijke of mondelinge bekentenis mag als afdoende bewijs worden aanvaard zonder verder ondersteunend bewijsmateriaal (Joz. 7:19). Er moeten twee getuigen zijn van een bekentenis en de bekentenis moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn (...).

(2) Ooggetuigen : Er moeten twee of drie ooggetuigen zijn, niet alleen maar mensen die herhalen wat ze gehoord hebben; er kan niet worden opgetreden als er maar één getuige is (Deut. 19:15-17; Joh. 8:17; 1 Tim. 5-19, 24, 25). Als er twee of drie getuigen zijn van dezelfde soort kwaaddoen maar ieder bij een afzonderlijke gelegenheid, kunnen de ouderlingen hun getuigenis in overweging nemen. Hoewel zulk bewijsmateriaal gebruikt mag worden om schuld vast te stellen, heeft het de voorkeur als er twee getuigen zijn van hetzelfde voorval (...). Het is aan ouderlingen om het waarheidsgehalte van het getuigenis te bepalen. (...).

ERNSTIG KWAADDOEN VAN JAREN GELEDEN

(…)

58. Het lichaam van ouderlingen moet twee ouderlingen aanwijzen om de feiten te achterhalen zodat het lichaam kan bepalen of er een rechterlijk comité nodig is of niet (…)

Hoofdstuk veertien

Kindermishandeling en kindermisbruik

1.Ouderlingen moeten zich nauwlettend aan de richtlijnen in dit hoofdstuk houden als zij op de hoogte raken van een kwestie inzake kindermisbruik. Dit zal bijdragen aan de heiliging van Jehovah’s naam en de veiligheid van minderjarigen (Jes. 32:1, 2; 1 Petr. 2:12). (…)

3. Kindermishandeling omvat het seksueel misbruiken of lichamelijk mishandelen van een minderjarige. (…)

4.Van Bijbels standpunt uit bezien is seksueel kindermisbruik een grove zonde (Deut 23:17, 18; Gal. 5:19-21; w97 1/2 29). (…)De stappen die de gemeente onderneemt om een beschuldiging van seksueel kindermisbruik te behandelen, zijn niet bedoeld als vervanging voor de behandeling van de kwestie door overheidsinstanties (Rom. 13:1-4). (…)

JURIDISCHE ASPECTEN

6.Kindermisbruik is een misdrijf. In sommige rechtsgebieden zijn personen die van een beschuldiging van kindermisbruik op de hoogte zijn geraakt wettelijk verplicht dit bij de overheidsinstanties te melden (Rom. 13:1-4) (…)

7. Als de ouderlingen op de hoogte raken van een beschuldiging van kindermisbruik moeten twee van hen onmiddellijk de Juridische Afdeling bellen voor juridisch advies. Zo wordt gewaarborgd dat de wetgeving voor het melden van kindermisbruik wordt nageleefd. Ze moeten ook bellen als beide betrokkenen minderjarig zijn. (…)

8. De Juridische Afdeling zal op basis van de feiten en de geldende wetgeving juridisch advies geven. Als degene die van kindermisbruik beschuldigd wordt verbonden is met jullie gemeente, dan moeten de twee ouderlingen de Juridische Afdeling zijn volledige naam, geboortedatum en, indien van toepassing, zijn doopdatum geven. (…)

GEMEENTELIJKE ASPECTEN

11. Vanuit gemeentelijk oogpunt omvat seksueel kindermisbruik niet een situatie waarbij een bijna volwassen minderjarige gewillig deelneemt aan seksuele handelingen met een volwassene die een paar jaar ouder is. Ook hebben we het over het algemeen niet over situaties waar alleen minderjarigen bij betrokken zijn. (Zie 14:29-30.) We hebben het over een volwassene die schuldig is aan seksueel misbruik van een jong kind, of een volwassene die schuldig is aan seksuele handelingen met een bijna volwassen minderjarige die daar niet gewillig aan deelnam. (…)

BESCHULDIGINGEN ONDERZOEKEN

18. De ouderlingen kunnen van een beschuldiging van seksueel kindermisbruik op de hoogte raken via het slachtoffer zelf, de ouders of een vertrouwenspersoon van het slachtoffer. Als de beschuldigde een lid van de gemeente is, zal het lichaam van ouderlingen, nadat het bijkantoor hulp heeft geboden, twee ouderlingen aanwijzen om onderzoek te doen. Deze ouderlingen moeten nauwlettend Bijbelse procedures en de op de Bijbel gebaseerde richtlijnen in dit hoofdstuk en hoofdstuk 12 volgen. (…)

RECHTERLIJK COMITÉ

19. Als het lichaam van ouderlingen tot de conclusie komt dat er voldoende Bijbels bewijs is om op grond van seksueel kindermisbruik een rechterlijk comité te vormen, dan moet de coördinator eerst contact opnemen met de kringopziener. (…)

RESTRICTIES

22. De ouderlingen moeten zich nauwlettend aan alle instructies houden die de Dienstafdeling geeft. (…)

23. In zulke gevallen zal de Dienstafdeling de ouderlingen onder andere instructies geven over de restricties die worden opgelegd ten aanzien van iemands activiteiten binnen de gemeente, zijn deelname aan de velddienst en zijn omgang met minderjarigen. De ouderlingen zullen de instructie krijgen de persoon te waarschuwen dat hij nooit met een minderjarige alleen moet zijn, geen vriendschappen met minderjarigen moet aangaan, geen affectie voor minderjarigen moet tonen, enzovoorts. De Dienstafdeling zal de ouderlingen de instructie geven om in hun gemeente gezinshoofden met minderjarige kinderen te laten weten dat het nodig is de omgang van hun kinderen met de persoon in de gaten te houden. De ouderlingen zullen dit alleen doen als de Dienstafdeling daartoe opdracht geeft. (…)

SEKSUEEL WANGEDRAG WAARBIJ ALLEEN MINDERJARIGEN BETROKKEN ZIJN

29. Wat moeten ouderlingen doen als minderjarigen zich onderling schuldig maken aan seksueel wangedrag? Zoals eerder vermeld, moeten twee ouderlingen onmiddellijk de Juridische Afdeling bellen, ook als beide personen minderjarig zijn. Seksueel wangedrag tussen minderjarigen wordt door de gemeente doorgaans niet als kindermisbruik bezien. Maar wat de leeftijd ook is, zulk wangedrag is iets ernstigs en zou rechterlijk optreden kunnen vereisen. Het lichaam van ouderlingen moet met de ouders samenwerken om ervoor te zorgen dat de minderjarigen geestelijke hulp ontvangen.’

Volgens CGJG is er inmiddels een nieuwe versie van het Ouderlingenboek uitgebracht. CGJG heeft deze versie niet overgelegd en heeft ook niet gesteld dat de hiervoor vermelde bepalingen uit de versie 2019 van het Ouderlingenboek in de nieuwe versie zijn gewijzigd of daarin niet meer voorkomen.

3.6

In de Wachttoren (1995, 1/11, pagina 25-29) wordt ingegaan op flashbacks en ontkenning van de beschuldiging. Opgemerkt wordt:

‘Indien de ouderlingen worden benaderd door een gemeentelid dat last heeft van flash-backs of „verdrongen herinneringen” betreffende kindermisbruik, krijgen doorgaans twee van hen de toewijzing om hulp te bieden.

Wanneer de beschuldiging wordt ontkend, dienen de ouderlingen de beschuldiger uit te leggen dat er langs rechterlijke weg niets meer gedaan kan worden. En de gemeente zal de beschuldigde als onschuldig blijven beschouwen. De bijbel zegt dat er twee of drie getuigen moeten zijn voor er rechterlijke actie kan worden ondernomen (2 Korinthiërs 13:1; 1 Timotheüs 5:19). Zelfs als meer dan één persoon zich „herinnert” door dezelfde persoon misbruikt te zijn, is de aard van deze herinneringen gewoon te onzeker om er zonder ander ondersteunend bewijsmateriaal rechterlijke beslissingen op te baseren. Dit betekent niet dat zulke „herinneringen" als onwaar (of waar) worden beschouwd. Maar voor het rechterlijk vaststellen of er een overtreding is begaan, moeten bijbelse beginselen in acht worden genomen.’

In de Wachttoren van mei 2019, pagina 9 wordt de term seksueel misbruik van kinderen toegelicht:

‘Seksueel misbruik van kinderen vindt plaats als een volwassene een kind gebruikt om zijn eigen seksuele lusten te bevredigen. Het kan gaan om geslachtsgemeenschap, orale of anale seks, het strelen van geslachtsorganen, borsten of billen en andere perversiteiten. Vaak zijn meisjes het slachtoffer, maar ook veel jongens worden misbruikt. De kindermisbruiker is vaak een man, maar er zijn ook vrouwen die kinderen misbruiken’.

In de Wachttoren van mei 2019, Studieartikel 19, p. 11, staat:

‘a. Als er geen bekentenis van het kwaaddoen is, zijn er twee getuigen vereist om een beschuldiging te staven."

b. "Alleen dan zullen de ouderlingen rechterlijke stappen ondernemen."

c. "Ais er maar één getuige is, betekent dit niet dat hij liegt. Ook als vermeend kwaaddoen niet kan worden vastgesteld op basis van twee getuigen, erkennen de ouderlingen dat er mogelijk een ernstige zonde is begaan, een zonde die anderen veel leed heeft aangedaan.’

3.7

[appellant] is in 1997, op 19-jarige leeftijd, gedoopt en toegetreden als lid van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen Harderwijk-Oost. In 2011 is [appellant] aangesteld als gemeenteouderling en maakte hij als zodanig deel uit van het lichaam van ouderlingen in de gemeente. [appellant] is gehuwd en heeft twee nog jonge kinderen.

3.8

In november 2019 hebben ouderlingen van de gemeente een melding ontvangen van [de zus1] , de zes jaar jongere zus van [appellant] , dat zij en haar anderhalf jaar oudere zus [de zus2] in hun jeugd seksueel zijn misbruikt door [appellant] .

3.9

Op 21 november 2019 doen de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] hierover een melding aan het Bijkantoor. De Dienstafdeling heeft het beleid met de ouderlingen doorgenomen en hen geïnstrueerd.

3.10

De ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] hebben vervolgens een onderzoek ingesteld naar de beschuldiging. Op 27 november 2019 bezoeken zij samen met [de zus1] en haar echtgenoot, [de zus2] .

3.11

Op 28 november 2019 bezoeken de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] de ouders van [appellant] . Op die dag bezoeken zij ook [appellant] en confronteren hem met de beschuldigingen.

3.12

In de gesprekken is verklaard dat [appellant] één of beide zusjes ongeoorloofd heeft aangeraakt toen zij jong waren. De vader van [appellant] heeft verklaard dat hij [appellant] en [de zus2] eens op heterdaad heeft betrapt.

3.13

Op 2 december 2019 heeft [appellant] uit eigen beweging en naar aanleiding van het voorgaande, zijn ambt als ouderling neergelegd.

3.14

Op 4 december 2019 heeft [appellant] met de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] een gesprek in de Koninkrijkszaal. Na dit gesprek hebben de ouderlingen contact opgenomen met het Bijkantoor. CGJG heeft vervolgens restricties opgelegd aan [appellant] . Op 12 januari 2020 hebben de ouderlingen een brief van het Bijkantoor voorgelezen aan [appellant] met de aan hem opgelegde restricties. [appellant] heeft geen afschrift van de brief ontvangen. Deze restricties betroffen:

(le) Het waarschuwen van [appellant] om niet in compromitterende situaties met minderjarigen te belanden. Zo is hem duidelijk gemaakt dat hij nooit met een kind alleen mag zijn, geen vriendschappen met kinderen aan mag gaan en geen affectie voor kinderen mag tonen.

(2e) [appellant] is medegedeeld dat hij tientallen jaren geen voorrechten, verantwoordelijkheden of andere speciale taken in de Gemeente kan vervullen (wellicht zelfs nooit meer).

(3e) [appellant] is geïnstrueerd dat hij niet mag deelnemen aan de evangelisatie van Jehovah's Getuigen of, als hij daar wel aan deel mag nemen, dat hij dit alleen mag doen met een ouderling die op de hoogte is van zijn verleden.

Daarnaast hebben de ouderlingen de ouders van minderjarigen in de gemeente medegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met [appellant] . Daarbij zijn ouders aangemoedigd om het voorlichtingsmateriaal te lezen dat door Jehovah's Getuigen is gepubliceerd over het beschermen van kinderen tegen seksueel misbruik.

3.15

[de zus2] heeft op 12 oktober 2020 haar mondelinge verklaring, die zij in het gesprek met de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] in het bijzijn van [de zus1] en haar man op 27 november 2019 heeft afgelegd (zie rechtsoverweging 3.10), schriftelijk ingetrokken. Zij schrijft:

‘Een aantal maanden geleden belden twee ouderlingen uit gemeente Harderwijk-Oost bij mij aan. Zij hadden mijn zus en mijn zwager meegenomen. Tijdens dat gesprek ben ik onder druk gezet en helemaal dichtgeklapt en weet niet meer wat ik heb gezegd. Daarom neem ik alle woorden terug die ik toen heb gesproken. Een korte periode in mijn leven zijn mijn broer en ik op jonge leeftijd te close met elkaar geweest. Wanneer dit precies was weet ik niet meer. En hoe oud ik was weet ik ook niet. Ik weet wel dat ik alleen oppervlakkig ben aangeraakt en niet meer dan dat. Ik heb dit [de broer] vergeven. En heb altijd een hele goede band gehad en nog steeds.(…) Mijn broer is geen kindermisbruiker of pedofiel! Ik vertrouw mijn dochters volledig toe aan mijn broer (…) Er is mij niks bekend dat er iets tussen mijn broer en mijn jongste zus [de zus1] wat heeft plaatsgevonden (…) Deze verklaring berust op de waarheid.’

3.16

Nadat de verklaring is gedeeld met het Bijkantoor, heeft Bethel contact opgenomen met [naam1] , een ouderling uit een buurgemeente. Daarop zijn de ouderlingen [de ouderling3] en [de ouderling4] aangewezen om te onderzoeken of [de zus2] onder druk is gezet haar mondelinge verklaring schriftelijk in te trekken. Deze ouderlingen hebben dit onderzocht en aan [naam1] bevestigd dat [de zus2] niet door [appellant] of iemand anders onder druk is gezet om haar schriftelijke verklaring af te leggen. Dit is terug gerapporteerd aan het Bijkantoor.

3.17

De ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] hebben in een Zoombespreking met [appellant] aangegeven dat er niets in de situatie veranderd zou worden. Met de Kringopziener [naam2] uit Almere hebben [appellant] en zijn vrouw ook een aantal maal contact gehad. Ook dat heeft niet geleid tot een heroverweging of een nieuw onderzoek. Op brieven aan het Bijkantoor in de Verenigde Staten heeft [appellant] geen reactie gehad.

3.18

In antwoord op een brief van de raadsman van [appellant] van 2 september 2021 schrijft het Lichaam van Ouderlingen van de gemeente:

‘De christelijke gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland heeft uw brief voor beantwoording aan ons doorgestuurd. We kunnen u meedelen dat we, in samenwerking met uw cliënt, bereidt zijn om zijn situatie binnen de gemeente opnieuw te beoordelen. Hoewel we van mening zijn dat de zaak van uw cliënt betrekking heeft op beslissingen die puur religieus van aart zijn en niet door een seculiere rechtbank kunnen worden getoetst, hopen we dat de zaak van uw cliënt kan worden opgelost zonder dat er juridische stappen ondernomen hoeven worden. Alvast bedankt voor uw getoonde geduld in afwachting van onze reactie.’

3.19

In een brief van 1 november 2021 aan CGJG deelt de raadsman van [appellant] mee dat geen genoegen wordt genomen met slechts een heroverweging van de situatie, maar dat [appellant] aanspraak blijft maken op schulderkenning, rehabilitatie en vergoeding van schade.

3.20

In een ongedateerde brief, heeft de moeder van [appellant] geschreven:

‘Toen [de ouderling2] en [de ouderling1] hier waren hadden ze meerdere malen gezegd dat [de broer] 18 a 19 was. Wij waren zeer verbaasd dat ze dat bleven zeggen (…) Verscheidene malen zei ik dat die leeftijd niet klopte (…) Meerdere malen bleef ik zeggen dat die leeftijd niet klopte van 18 a 19 jaar. Maar dat [de broer] een jonge jongen van 14 ong was. Toen ze wegreden naar [de broer] om hem te overvallen, heb ik [de ouderling2] en [de ouderling1] weer gebeld en gezegd dat we toen het gebeurd was, we nog maar 1 jaar in [woonplaats1] woonden. Dat was het jaar 1990. We hadden toen een VW Transpoorter. Daarom weet ik het zo goed (…) Hij was 14 jaar weet ik zeker. Wat hun zeggen klopt niet.’

3.21

In een ongedateerde brief, heeft de vader van [appellant] geschreven:

‘ [de ouderling1] belde mij op of ze even mogen langskomen. Ja is goed, maar toen wist ik nog niet waar het over ging éénmaal binnen begonnen ze over [de broer] en [de zus2] . Toen zei ik direct waar bemoeien jullie je mee, daar zijn de ouders verantwoordelijk voor, het waren toen nog kinderen hij was toen 14 jaar, maar ze wilden toch wat inlichtingen, toen gingen ze vragen stellen. Toen heb ik gezegd. Ik heb ze één keer betrapt toen zei ik waar zijn jullie mee bezig toen kwam de aap uit de mouw. Toen heb ik tegen [de broer] gezegd als je [de zus2] nog één keer aanraakt dan krijg je goed straf (..) een week later heb ik [de zus2] gevraagd of [de broer] jou nog heeft aangeraakt, toen zei [de zus2] nee papa is niets meer gebeurd. Nou dan is het goed zei ik.’

3.22

In een brief van 18 januari 2022 aan [appellant] schrijft de ouderling [de ouderling3] :

‘Op verzoek van het bijkantoor heeft [naam1] (..) aan [de ouderling4] en mij in oktober 2020 gevraagd een gesprek aan te gaan met jouw zus, [de zus2] . Reden van het gesprek was de handgeschreven brief van [de zus2] (gedateerd 12-10-2020). Die brief is in jouw bezit. In die brief geeft zij weer hoe zij staat ten aanzien van de beschuldiging aan jouw adres en hoe zij daarbij betrokken is.

Namens [naam1] en [de ouderling4] kan ik het volgende laten weten. In ons gesprek is door [de zus2] nooit letterlijk gezegd nog op enigerlei wijze gezinspeeld op het feit dat haar brief is geschreven onder druk van wie dan ook - en dus ook niet onder druk van jou. Ook is die brief niet door wie dan ook gedicteerd - het zijn haar eigen gedachten en woorden.’

3.23

De aan [appellant] opgelegde restricties zijn op 13 november 2021 opgeheven. Dit is hem mondeling medegedeeld. De informatie die aan de gezinnen is gegeven die zijn bezocht, is evenwel niet teruggenomen.

3.24

[appellant] is tot op heden lid van CGJG.

De verhouding tussen kerk en staat

3.25

In het Nederlandse recht is de autonomie van het eigen kerkrecht neergelegd in artikel 2:2 BW. In het eerste lid van die bepaling staat dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. In het tweede lid van art. 2:2 BW is vastgelegd dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Art. 2:2 BW geeft aldus aan kerkgenootschappen een vergaande organisatievrijheid, die zowel de oprichting als de inrichting omvat. Dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet, berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval tot het statuut van een kerkgenootschap behoort, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot het statuut behoren in het algemeen regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap. Ook de regeling van interne geschillenbeslechting kan tot het statuut behoren. Het statuut is geen recht in de zin van art. 79 RO. Oordelen over de inhoud en uitleg van het statuut zijn daarom van feitelijke aard.

3.26

In het arrest NGK/Gort1 oordeelde de Hoge Raad dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat van strijd met de wet in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW sprake is bij strijd met bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’. Een kerkgenootschap kan de (rechts-) verhoudingen met zijn leden, in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard. Niet iedere strijdigheid van het statuut met een wet in formele zin of dwingende wetsbepaling levert dus strijd met de wet op zoals in artikel 2:2 lid 2 BW is bedoeld.

3.27

Tussen partijen staat in dit geval vast dat tot het statuut van de CGJG in de zin van artikel 2:2 BW behoren: de Statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren (zie rechtsoverweging 3.3-3.6).

Bevoegdheid

3.28

CGJG heeft zich onder verwijzing naar onder meer artikel 2:2 BW primair beroepen op de onbevoegdheid van de burgerlijke rechter om deze zaak te behandelen. Zij heeft aangevoerd dat de vraag naar de bevoegdheid van de statelijke rechter in kerkelijke aangelegenheden wordt beheerst door de institutionele verhouding tussen kerk en staat. Die rechtstatelijke verhouding kan, aldus CGJG niet zomaar doorbroken worden door een eiser die in een zuiver intern-kerkelijke verhouding stelt dat jegens hem sprake zou zijn van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Een dergelijke civielrechtelijke benadering miskent de rechtstatelijke basisverhouding waarin de kerkgenootschappen bij uitsluiting bevoegd zijn tot besluitvorming in eigen kerkelijke kring (absolute bevoegdheid) en worden geregeerd door hun eigen interne statuut en niet door het civiele recht. De ‘objectum litis leer’ geldt slechts binnen het statelijke recht en doorbreekt niet de fundamentele scheiding tussen kerkelijk en statelijk domein. [appellant] kan niet eenzijdig de grondrechtelijke rechtsmachtverdeling overrulen met een ‘Etikettenschwindel’.

3.29

Het hof gaat hier niet in mee. De scheiding tussen kerk en staat gaat niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie is uitgesloten wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een geschil tussen een kerkgenootschap en één van zijn leden. Dat zou in strijd zijn met de grondrechtelijke waarborgen die ten behoeve van individuen zijn neergelegd in de artikelen 17 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 112 van de Grondwet. Volgens vaste rechtspraak wordt de bevoegdheid van de burgerlijke rechter tegen deze achtergrond beoordeeld naar het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd.2 [appellant] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen door CGJG jegens hem, te weten een inbreuk op zijn eer en goede naam en onzorgvuldig handelen jegens hem. Daarmee beroept hij zich op civiele rechten waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt. De burgerlijke rechter is dan ook bevoegd van de zaak kennis te nemen.3 In dit verband wijst het hof erop dat in het al genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak NGK-Gort, maar ook in andere arresten, de Hoge Raad ervan uitgaat dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk bevoegd is van de vordering van het kerklid kennis te nemen.4

3.30

De verwijzing door CGJG naar het arrest van het EHRM in de zaak Nagy/Hongarije5 maakt dit oordeel niet anders. In deze zaak bevestigt het EHRM slechts dat artikel 6 EVRM geen nieuwe, eigen rechtsingang creëert indien het nationale recht daarin niet voorziet. Omdat het Nederlandse recht een eigen rechtsingang kent voor de door [appellant] ingestelde vordering, zijn de overwegingen van het Europese Hof van Justitie in deze zaak verder niet van belang.

Ontvankelijkheid

3.31

Een andere vraag is of [appellant] in zijn vorderingen ontvankelijk is. Ook die vraag beantwoordt het hof bevestigend. De burgerlijke rechter moet degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in artikel 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap in beginsel niet-ontvankelijk verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.6 Dat de vordering een onderwerp betreft dat valt onder het in artikel 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van CGJG, is tussen partijen niet in geschil.

3.32

CGJG heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof erkend dat een kerkelijke rechtsgang waarin de vorderingen van [appellant] kunnen worden ingesteld, ontbreekt. CGJG heeft geen interne procedure voor geschillenbeslechting waarin [appellant] de tegen hem genomen maatregelen die zijn eer en goede naam aantasten, kan aanvechten. Alleen wanneer een rechterlijk comité wordt samengesteld kan tegen een beslissing van dat rechterlijk comité beroep worden ingesteld. In dit geval is echter geen rechterlijk comité ingesteld, zodat een interne rechtsingang ontbrak. Omdat geen sprake is van een (met voldoende waarborgen omklede) kerkelijke rechtsgang waar [appellant] zijn vorderingen kan instellen, kan hij worden ontvangen in zijn vordering.

Onrechtmatig handelen?

3.33

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. CGJG heeft hem ten onrechte beschuldigd van seksueel kindermisbruik en op basis daarvan ten onrechte restricties opgelegd met als gevolg dat het recht van [appellant] op zijn eer en goede naam is aangetast. Hij is ten onrechte beschuldigd dader te zijn van seksueel kindermisbruik. Die beschuldigingen hebben plaatsgevonden binnen de kerkelijke context van partijen, die zich kenmerkt door het gebruik van eigen kerkelijke regels. Die regels zijn echter door CGJG geschonden en daarmee heeft CGJG onzorgvuldig en ook onrechtmatig gehandeld. Bij de beoordeling van dat wat maatschappelijk betamelijk is, dient rekening te worden gehouden met de kerkelijke context en de eigen regels. CGJG is echter op onrechtmatige wijze met die regels en procedures omgegaan, door met behulp van en in strijd met de eigen regels en procedures, [appellant] te beschuldigen van seksueel kindermisbruik. Als CGJG bij aanwijzing van seksueel kindermisbruik overeenkomstig de interne regels zou hebben gehandeld, zou [appellant] niet zijn aangemerkt als dader van seksueel kindermisbruik, want dat is hij niet.

3.34

CGJG heeft een en ander betwist. De weging van alle ontvangen informatie is aan de onderzoekende ouderlingen, aldus CGJG. Zij beoordelen zowel de beschuldigingen van de slachtoffers, de verklaring van de aangeklaagde, alsook andere informatie op hun geloofwaardigheid, consistentie en betrouwbaarheid. Zij worden daarin geadviseerd en begeleid door het religieuze bijkantoor in Nederland. Ook in dit geval is dat gebeurd conform het kerkelijk recht en de geldende beleidskaders.

3.35

Het hof stelt voorop dat niet aan de orde is of het statuut van CGJG in strijd is met de wet (zie rechtsoverweging 3.25 en 3.26). [appellant] stelt met zoveel woorden dat niet het kerkrecht van CGJG als zodanig problematisch is omdat het in strijd met de wet zou zijn, maar de wijze waarop het interne kerkrecht in zijn geval is toegepast. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen door CGJG, is het eigen kerkrecht, de statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren van CGJG dan ook richtinggevend en is een terughoudende, marginale toets door het hof geboden. In beginsel dient gehandeld te worden in overeenstemming met het intern kerkelijke recht van de kerkgenootschap. Niet iedere overtreding daarvan betekent echter dat sprake is van onrechtmatig handelen. Daarvan is in elk geval sprake als blijkt dat het kerkelijk recht niet is gevolgd en daarbij fundamentele rechtsbeginselen in de kerkelijke rechtsgang zijn geschonden.7 Van belang in dit verband is dat het kerkelijk recht van CGJG onder meer bepalingen kent over wat onder seksueel kindermisbruik moet worden verstaan en hoe moet worden vastgesteld of seksueel kindermisbruik heeft plaatsgevonden.

3.36

Tegen de achtergrond van het voorgaande is het hof van oordeel dat onduidelijk is welke feiten en daarmee welk misbruik door CGJG op basis van haar eigen onderzoek zijn respectievelijk is vastgesteld, wanneer dat vermeende misbruik precies heeft plaatsgevonden en daarmee hoe oud de betrokkenen daarbij zijn geweest. Vaststelling van de feiten dient op basis van het Ouderlingenboek, hoofdstuk twaalf onder punt 40, in beginsel plaats te vinden door een bekentenis, dan wel door tenminste twee getuigen.

3.37

Voor wat een eventuele bekentenis door [appellant] is relevant dat [appellant] heeft betwist dat hij ooit heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel kindermisbruik, zowel ten aanzien van [de zus1] als ten aanzien van [de zus2] . CGJG heeft weliswaar erkend dat [appellant] het misbruik van [de zus1] heeft ontkend, maar heeft aangevoerd dat [appellant] gedurende het onderzoek tegenover de ouderlingen wel heeft bekend dat hij, toen hij circa 18 à 19 jaar was, [de zus2] een aantal keren heeft misbruikt over een tijdsperiode van enkele jaren en dat gezien de aangegeven leeftijd dit dan rond 1995-1996 moet zijn geweest. Daarbij heeft CGJG aangevoerd dat in een nader gesprek met de onderzoekende ouderlingen [appellant] zijn verhaal heeft gewijzigd en de leeftijd heeft aangepast naar circa 16 à 17 jaar (wat het misbruik in 1993-1994 doet plaatsvinden). Een onderbouwing voor dit verweer geeft CGJG evenwel niet. Gespreksverslagen of aantekeningen zijn er niet of zijn vernietigd, zoals tijdens de mondelinge behandeling bij het hof namens CGJG is verklaard. Dat geldt ook voor het gesprek tussen [appellant] en [de ouderling1] en [de ouderling2] op 4 december 2019 in de Koninkrijkszaal. Hoe het gesprek is verlopen, kan niet worden nagegaan. Evenmin kan worden vastgesteld of sprake is geweest van een ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ bekentenis door [appellant] van seksueel kindermisbruik, zoals het Ouderlingenboek in hoofdstuk twaalf onder punt 40 voorschrijft, noch ten aanzien van [de zus1] , noch ten aanzien van [de zus2] . Het hof gaat er dan ook vanuit dat daarvan geen sprake is geweest. Voor wat betreft de verklaring van [appellant] over [de zus2] , verwijst het hier kortheidshalve naar rechtsoverweging 3.39.

3.38

Voor wat betreft de verklaring van [de zus1] als getuige heeft CGJG aangevoerd dat zij tijdens het onderzoek tegenover de ouderlingen heeft verklaard dat [appellant] in de periode 1993-1996 haar eenmalig op een seksuele manier heeft aangeraakt. Ook hiervan is geen (schriftelijke) onderbouwing door CGJG gegeven, zodat niet valt na te gaan hoe het gesprek is verlopen en wat precies is verklaard. Vaststaat tussen partijen dat van de vermeende aanraking van [de zus1] door [appellant] geen getuigen zijn geweest. Nadere details over wat precies zou hebben plaatsgevonden en of [appellant] op dat moment 16 dan wel 18 of 19 is geweest, ontbreken. Onweersproken is daarbij de verklaring van [de echtgenote] , de vrouw van [appellant] . Zij heeft verklaard dat de ouderlingen in het gesprek waar zij bij was leeftijden zijn gaan schatten, waartegen zij vervolgens heeft geprotesteerd. Van belang in dit verband is verder dat onvoldoende door CGJG is weersproken dat [de zus1] tot de beschuldiging is gekomen omdat zij tijdens een therapeutische behandeling een lichtflits heeft waargenomen en gezien heeft dat er door [appellant] handelingen bij haar zijn verricht in de badkamer. In de Wachttoren uit 1995 wordt ten aanzien van ‘flashbacks’ en ‘verdrongen herinneringen’ betreffende kindermisbruik opgemerkt dat wanneer de beschuldiging wordt ontkend, zoals in dit geval door [appellant] wordt gedaan, de ouderlingen de beschuldiger moeten uitleggen dat er langs rechterlijke weg niets gedaan kan worden en de beschuldigde als onschuldig wordt beschouwd. Daarbij wordt opgemerkt dat zelfs als meer dan één persoon zich ‘herinnert’ door dezelfde persoon misbruikt te zijn, de aard van deze herinneringen te onzeker is om daarop zonder ander ondersteunend bewijsmateriaal rechterlijke beslissingen te baseren. Ten aanzien van het gestelde misbruik van [de zus1] ontbreekt ondersteunend bewijsmateriaal. Ten aanzien van [de zus1] heeft ook [de zus2] verklaard hierover niets te weten.

3.39

Voor wat betreft de verklaring van [de zus2] als getuige heeft CGJG aangevoerd dat uit het onderzoek van de ouderlingen naar voren is gekomen dat bij haar rond 1994-1995 gedurende een periode van 2 tot 3 jaar bijna dagelijks sprake was van betastingen en dat er meerdere keren orale seks heeft plaatsgevonden met [appellant] . Ook zou zij hebben verklaard dat zij omstreeks 2015 over de gebeurtenissen heeft gesproken met haar ouders en [appellant] zelf en dat zij er moeite mee heeft dat [appellant] ouderling in de gemeente is. Dat [de zus2] dit ten overstaan van de ouderlingen heeft verklaard is verder niet door CGJG onderbouwd en wordt gemotiveerd betwist. Nadere details over wat er precies zou zijn gebeurd, wanneer en of [appellant] op dat moment minderjarig was of niet, ontbreken ook hier. In dit verband is van belang dat [appellant] zelf heeft erkend dat, voor zover sprake was van ontoelaatbaar gedrag tussen hem en zijn viereneenhalfjaar jongere zus [de zus2] , die feiten zich hebben voltrokken toen hij minderjarig was, niet ouder dan 14 jaar en dat van seksueel kindermisbruik geen sprake is geweest. Hij en zijn zusje konden, aldus [appellant] , ook altijd goed met elkaar overweg en ondervonden steun aan elkaar in de soms moeilijke thuissituatie. De door [appellant] genoemde leeftijd wordt bevestigd door zowel zijn moeder als zijn vader. Volgens de verklaringen van beiden die in het geding zijn gebracht, hebben zij ook tegenover de ouderlingen verklaard dat grensoverschrijdend gedrag door [appellant] ten opzichte van zijn zusje – niet wordt weergegeven waaruit dit zou bestaan – heeft plaats gehad toen [appellant] nog ‘een jonge jongen’ van veertien jaar was. De vader heeft over het gedrag verklaard, hetgeen in zoverre als ondersteunend bewijsmateriaal kan gelden voor wat betreft het handelen van [appellant] ten opzichte van [de zus2] , dat hij beiden ‘één keer betrapt’ heeft, dat hij toen heeft ingegrepen en dat [de zus2] vervolgens aan hem heeft bevestigd dat het niet meer is gebeurd. Het hof constateert dat voor zover het hier om gedrag gaat dat door het intern kerkelijk recht als seksueel wangedrag moet worden aangemerkt, het in beginsel niet seksueel kindermisbruik betreft, omdat [appellant] toen veertien jaar was. Ook wanneer de verklaring van [de zus1] wordt meegewogen (vergelijk het Ouderlingenboek, hoofdstuk twaalf onder punt 40), kan dat gelet op de onduidelijkheid over de leeftijd van [appellant] , niet tot een ander oordeel leiden. CGJG heeft weliswaar aangevoerd dat de ouderlingen hebben waargenomen dat [de zus2] hevig was getraumatiseerd door het seksueel misbruik van [appellant] , maar CGJG heeft daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven. Voor zover al sprake zou zijn van trauma’s bij [de zus2] en deze bovendien door ‘leken’ op het gebied van de psychiatrie in een enkel gesprek zouden kunnen worden vastgesteld - het hof weet dat niet -, ontbreekt in ieder geval een aanknopingspunt voor de conclusie dat het gedrag van [appellant] daarvan de oorzaak is. Voor zover [de zus2] al verklaard zou hebben dat zij er moeite mee heeft dat [appellant] ouderling in de gemeente was, wil dat verder -zonder nadere toelichting die ontbreekt- nog niet zeggen dat daadwerkelijk sprake is geweest van seksueel kindermisbruik. Het hof gaat dan ook aan het verweer van CGJG voorbij.

3.40

CGJG heeft op 12 januari 2020 op basis van de verklaring van [appellant] en de verklaringen van [de zus1] en [de zus2] niettemin aan [appellant] als dader van seksueel kindermisbruik vergaande en draconische restricties opgelegd. Daarbij hebben ouderlingen de ouders van minderjarige kinderen in de gemeente bezocht en hen gewaarschuwd voor contacten tussen [appellant] en hun minderjarige kinderen, waarbij verboden werd dat kinderen bij de kinderen van [appellant] gingen spelen of logeren. Dit terwijl de vaststaande feiten ook in onderlinge samenhang beschouwd conform het intern kerkelijk recht, ‘in het algemeen’ niet de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] een dader van seksueel kindermisbruik was. Ook nadat [de zus2] op 12 oktober 2020 haar mondelinge verklaring ten opzichte van de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] schriftelijk had ingetrokken, veranderde aan die situatie niets. Dat valt CGJG aan te rekenen, te meer omdat het verwijt van seksueel kindermisbruik door CGJG aan het adres van [appellant] met de schriftelijke verklaring van [de zus2] verder werd ondergraven, toen zij verklaarde alleen oppervlakkig te zijn aangeraakt en niet meer dan dat. Het woord ‘seksuele’ komt in deze verklaring niet voor. Deze oppervlakkige aanrakingen zouden hebben plaatsgevonden in een korte periode waarin zij en haar broer ‘op jonge leeftijd te close met elkaar’ zijn geweest. Nadat was onderzocht en bevestigd dat [de zus2] deze verklaring uit eigen wil, zonder druk en in eigen bewoordingen heeft opgesteld, hebben de ouderlingen [de ouderling1] en [de ouderling2] aangegeven dat er geen heroverweging zou plaatsvinden, terwijl de contacten met de kringopziener [naam2] ook geen verandering in de situatie hebben gebracht. Hij had echter, zoals onbetwist is gesteld, aangegeven dat de situatie anders zou komen te liggen als getuigen op een eerdere verklaring terugkomen.

Het verweer van CGJG dat het ten aanzien van het begrip ‘seksueel kindermisbuik’ een zekere interne beleidsvrijheid heeft getuige de woorden uit het Ouderlingenboek dat seksueel kindermisbruik ‘over het algemeen’ niet omvat situaties waar alleen minderjarigen bij betrokken zijn, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof evenwel in deze omstandigheden nog niet de conclusie dat vanwege het leeftijdsverschil tussen de minderjarige [appellant] en zijn vierenhalfjaar jongere zusje [de zus2] hiervan wel sprake is. Het hof verwijst hierbij, gezien de schriftelijke verklaring van [de zus2] van 12 oktober 2020 naar het Ouderlingenboek hoofdstuk twaalf onder 15 (1) waar is weergegeven dat voor zover het gaat om slechts enkele op zichzelf staande gevallen van ‘vluchtig aanraken van intieme lichaamsdelen of strelen van borsten (…) zo’n lichte vorm van onreinheid’ kan worden afgedaan met raad van twee ouderlingen. Waarom zo’n lichte vorm van onreinheid, als dat heeft plaatsgevonden tussen de minderjarige [appellant] en [de zus2] , niettemin als seksueel kindermisbruik moet worden aangemerkt heeft CGJG onvoldoende toegelicht.

3.41

Onduidelijk is op basis van welke feiten CGJG tot de vergaande en voor [appellant] verstrekkende conclusie heeft kunnen komen dat hij een dader is van seksueel kindermisbruik. Hetgeen CGJG daartoe naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Daarmee heeft CGJG het vereiste onderzoek naar de beschuldiging onzorgvuldig uitgevoerd. Zij heeft gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld en heeft daarbij fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Van een nauwlettend volgen van de regels is geen sprake geweest, zodat CGJG gehandeld heeft in strijd met de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig. Het hof heeft begrip voor het standpunt van CGJG dat kritisch wordt gereageerd wanneer CGJG op de hoogte raakt van een beschuldiging van seksueel kindermisbruik, maar juist een dergelijke situatie verlangt dat bij het onderzoek ernaar zorgvuldig en nauwgezet de interne kerkelijke procedure wordt gevolgd waarbij de feiten zorgvuldig worden vastgesteld. Dat is in dit geval niet gebeurd. [appellant] is met de beschuldiging dader van seksueel kindermisbruik te zijn, ernstig in zijn eer en goede naam aangetast, ook dat is onrechtmatig. Op basis van deze onvoldoende onderbouwde beschuldiging zijn vergaande restricties opgelegd, die diffamerend zijn geweest voor [appellant] . Deze restricties hebben grote gevolgen gehad voor [appellant] als persoon, voor zijn relatie met vrouw en kinderen en voor zijn positie binnen de gemeente en daarbuiten. Uit de verklaringen van hemzelf, zijn vrouw en de verklaringen van de GGZ blijkt dat hij onder de beschuldiging en de daarop volgende restricties, zwaar heeft geleden. Dit onrechtmatig handelen is ook aan CGJG toerekenbaar.

3.42

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door eiser ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt, zal worden toegewezen.

De overige vorderingen

3.43

[appellant] heeft verder gevorderd te gebieden dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is onbetwist gesteld dat (het lichaam van ouderlingen van) de gemeente Harderwijk-Oost hiertoe reeds bereid is, maar dat Bethel dit tegen houdt. Het hof zal dan ook gebieden dat CGJG toestemming geeft en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker. Het hof zal hieraan de dwangsom verbinden, zoals in het dictum wordt weergegeven.

3.44

[appellant] heeft verder vergoeding gevorderd van materiele schade ten bedrage van

€ 423,44 met rente dan wel deze schade nader op te maken bij staat. [appellant] heeft gesteld dat hij als gevolg van ernstige psychische klachten door de onterechte beschuldigingen kosten heeft moeten maken die niet door de verzekering worden vergoed. Het gaat hier in ieder geval om € 423,44 voor Lorazepam. [appellant] heeft een en ander onderbouwd door overlegging van de betreffende facturen. Tegen de achtergrond van de doorverwijzing van de huisarts naar de GGZ crisisdienst van 11 maart 2021 en de verklaring van de GGZ van 2 januari 2024 acht het hof het causale verband tussen het onrechtmatig handelen en deze schade, anders dan CGJG aanneemt, voldoende aangetoond. Het hof zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen met de gevorderde rente.

3.45

[appellant] heeft ook € 25.000,- gevorderd als vergoeding voor zijn immateriële schade. CGJG betwist deze schade. Deze zou niet toerekenbaar zijn, [appellant] zou niet in zijn eer en goede naam zijn aangetast en de vergoeding zou niet billijk zijn.

3.46

Het hof zal het gevorderde bedrag toewijzen. Onder verwijzing naar artikel 6:106 lid 1 sub b BW overweegt het hof daartoe als volgt. [appellant] is in de eerste plaats in zijn eer en goede naam geschaad. Uit zijn eigen verklaringen, waaronder ook die hij heeft afgelegd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, en de verklaring van zijn vrouw blijkt dat [appellant] als het gevolg van het onrechtmatig handelen van CGJG is aangetast in het gevoel voor eigenwaarde en de waardering die hij bij anderen geniet, waartoe ook de zedelijke waarde in dit geval moet worden gerekend. Hij heeft daarbij zijn positie binnen de gemeente verloren en de waardering die hij daarbinnen ondervond, wat voor [appellant] zeer ingrijpend is geweest. Daarnaast is hij ook op andere wijze in zijn persoon aangetast, doordat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de verwijzing van de huisarts naar de GGZ van 11 maart 2021, maar in het bijzonder uit de verklaring van de GGZ van 2 januari 2024 valt naar objectieve maatstaven het bestaan van het geestelijk letsel als gevolg van het onrechtmatig handelen genoegzaam vast te stellen.8 Uit de verklaring van de GGZ volgt dat [appellant] ernstige psychische klachten heeft gekregen (het betreft ‘persisterende depressieve klachten’), suïcidaal is geworden en mede daardoor ingrijpende (medische en psychische) behandelingen heeft ondergaan en nog steeds ondergaat. Dit alles heeft een grote impact op [appellant] en op zijn gezin. Gelet op al deze feiten acht het hof de geclaimde vergoeding een billijke. CGJG heeft ook niet onderbouwd waarom dit anders zou zijn.

De conclusie

3.47

Het principaal hoger beroep slaagt.9 Omdat CGJG in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof CGJG tot betaling van de proceskosten van [appellant] veroordelen, zowel in principaal hoger beroep als bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.10 CGJG zal ook worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan CGJG heeft voldaan.

3.48

De veroordelingen in principaal hoger beroep kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.49

Het incidenteel hoger beroep van GCJG slaagt niet. De door CGJG gevorderde onbevoegdheidsverklaring zal worden afgewezen. CGJG zal verder worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [appellant] in incidenteel hoger beroep.

4De beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep

4.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 26 juli 2023 en beslist als volgt:

4.2

verklaart voor recht dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door eiser ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt;

4.3

gebiedt dat CGJG toestemming geeft aan en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker;

4.4

veroordeelt CGJG tot betaling van € 500,- aan dwangsommen voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat CGJG binnen veertien dagen na betekening van dit arrest nalaat uitvoering te geven aan het gebod van 4.3 tot dat een maximum van € 50.000,- is bereikt;

4.5

veroordeelt CGJG tot betaling van € 423,44, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding van 22 maart 2022 tot aan die van de algehele voldoening;

4.6

veroordeelt CGJG tot betaling van € 25.000,- als vergoeding voor de door [appellant] geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding van 22 maart 2022 tot aan die van de algehele voldoening;

4.7

veroordeelt CGJG tot terugbetaling aan [appellant] van alles wat hij op grond van het vonnis van de rechtbank aan CGJG heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] aan CGJG tot aan de dag van terugbetaling;

4.8

veroordeelt CGJG tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:

€ 86,- aan griffierecht,

€ 134,10 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan CGJG,

€ 2.298,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (3 procespunten x tarief III à € 766,-),

en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in principaal hoger beroep:

€ 343,- aan griffierecht,

€ 138,22 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan CGJG,

€ 3.142,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x appeltarief III à € 1.571,-),

4.9

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

4.10

verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in incidenteel hoger beroep

4.11

veroordeelt CGJG tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in incidenteel hoger beroep:

€ 607,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (0.5 x (1 procespunt x appeltarief II à € 1.214,-))

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.12

wijst af wat verder is gevorderd.

1HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531.

2HR 31 december 1915, ECLI:NL:HR:1915:AG1773.

3Grieven I, V en VI in principaal hoger beroep van [appellant] slagen. De grief in het incidenteel hoger beroep van CGJG faalt.

4Zie bijvoorbeeld HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387 en 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718.

5EHRM (Grote Kamer) 14 september 2017, nr. 56665/09 (Karoly Nagy/Hongarije).

6HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718.

7Grieven IV en VII in principaal hoger beroep slagen eveneens.

8Zie onder meer HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024 en HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.

9De grieven II en III in principaal hoger beroep behoeven daarom geen bespreking meer.

10HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406