Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Limburg 210814 KG: osv wegens vermeende werkweigering door wn-er na aanrijding; loonvordering afgewezen

Rb Limburg 210814 KG: osv wegens vermeende werkweigering door wn-er na aanrijding; loonvordering afgewezen; 
looninhoudingen nav door aanrijding veroorzaakte schade onterecht; geen verzekering wn-er; geen opzet of bewuste roekeloosheid


De feiten

2.1.
Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

2.2.
[eiser] is op 15 november 2013 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden bij [gedaagde] in dienst getreden. [gedaagde] heeft een bedrijf dat koeriersdiensten verzorgt. Het betreft een arbeidsovereenkomst op oproepbasis voor nul uur per week in de functie van algemeen medewerker/chauffeur tegen een loon van € 9,20 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. [eiser] reed vrijwel uitsluitend voor de klant van [gedaagde], genaamd Dynalogic te Nuth. In de arbeids-overeenkomst is onder artikel 14 opgenomen “14.1 Indien een chauffeur niet verhaalbare schade veroorzaakt en/of boetes ontvang (lees: ontvangt), zijn deze schade en boetes voor rekening van de werknemer. Bij onverhaalbare schades is (lees: zijn) € 300,- voor zijn rekening”.

2.3.
Op 3 maart 2014 is [eiser] betrokken geraakt bij een ongeval met een bedrijfsauto van [gedaagde]. [eiser] is op 4 maart 2014 niet op zijn werk verschenen.

2.4.
Op 4 maart 2014 heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen met als ontslaggrond “het niet op komen dagen of contact opnemen met de werkgever” kort gezegd “werkweigering”.

2.5.
Op 6 maart 2014 heeft [eiser] schriftelijk gereageerd op de gang van zaken en verzocht het ongegrond gegeven ontslag in te trekken. De kantonrechter vat dit op als het inroepen van de nietigheid.

(...)

De loonvordering

4.3.1.
Alhoewel vast is komen te staan dat [eiser] op 4 maart 2014 niet op zijn werk is verschenen, is daarmee nog niet gezegd dat dan ook sprake is van werkweigering en daarmee een grond voor een ontslag op staande voet. De lezingen die partijen geven over de gang van zaken zowel op 3 als op 4 maart 2014, waaronder met name ten aanzien van de onderlinge (telefonische) contacten en het daarin besprokene, lopen dermate vèr uiteen dat de vraag of het ontslag op staande voet naar voorlopig oordeel onterecht is gegeven niet zonder meer bevestigend kan worden beantwoord. Dat, naar de stelling van [gedaagde], gedurende het dienstverband met [eiser] “meer is voorgevallen” doet in deze niet ter zake.
Deze vordering en de daarmee samenhangende vordering tot het betalen van de wettelijke verhoging, zullen dan ook worden afgewezen.

ECLI:NL:RBLIM:2014:7380

Deze website maakt gebruik van cookies