Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 111225 na overlijdensschade, pas na dagvaarding is duidelijkheid over cessie gegeven; afwijzing bgk en rente; partijen dragen eigen proceskosten

RBDHA 111225 na overlijdensschade, pas na dagvaarding is duidelijkheid over cessie gegeven; afwijzing bgk en rente; partijen dragen eigen proceskosten

2De feiten

2.1.

Op 13 februari 2023 heeft een ernstig verkeersomgeval plaatsgevonden als gevolg waarvan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is overleden.

2.2.

De heer [naam 2] , bestuurder van R&I, (hierna: [naam 2] ) heeft bij brief van 13 maart 2024 – onder meer – namens mevrouw [naam 3] , een meerderjarige dochter van [naam 1] (hierna: [naam 3] ), een aansprakelijkstelling gezonden aan de verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken twee voertuigen.

2.3.

Bij emailbrief van 24 mei 2024 heeft de gemachtigde van NN aan R&I laten weten dat NN bereid is om in deze kwestie op te treden als regelend verzekeraar. NN heeft verder bericht dat zij bereid is om de affectieschade aan de nabestaanden van de inzittenden – waar onder [naam 3] – te betalen. NN heeft R&I gevraagd om de complete bankgegevens en een kopie van de bankpassen van de rekeningen van de nabestaanden.

2.4.

In zijn brief van 10 juni 2024 aan de gemachtigde van NN heeft [naam 2] – onder meer – het volgende geschreven: “NN kan de uitkeringen conform de Gedragscode voldoen door overboeking naar de derdenrekening van MKB Advies Apeldoorn BV, zijnde (…).”

2.5.

In een daarop volgende (mail)briefwisseling heeft de gemachtigde van NN aangedrongen op ontvangst van bankrekeninggegevens van de nabestaanden in verband met betaling van de schadevergoeding aan deze nabestaanden, waaronder [naam 3] .

2.6.

Op 10 maart 2025 heeft [naam 2] aan de gemachtigde van NN een email gezonden waarin hij heeft verwezen naar een bijgesloten akte van cessie tussen [naam 3] en R&I. [naam 2] heeft geschreven dat dit bericht als een mededeling ex artikel 3:94 BW moet worden beschouwd en heeft NN gevraagd te betalen op “mijn IBAN rekening (…) tnv Rechtshulp & Incasso”.

3Het geschil

3.1.

R&I vordert – samengevat – veroordeling van NN tot betaling van € 15.248,05, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

R&I legt aan de vordering het volgende ten grondslag. R&I vordert op grond van artikel 7:954 lid 1 BW betaling door NN als aansprakelijkheidsverzekeraar van een vergoeding van de door haar verzekerde veroorzaakte schade. NN heeft erkend dat [naam 3] aanspraak heeft op een vergoeding wegens affectieschade tot een bedrag van € 15.000,00. [naam 3] heeft haar aanspraak op NN gecedeerd aan I&R. Van deze cessie is op 10 maart 2025 door I&R mededeling gedaan aan NN.

3.3.

NN voert verweer. NN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van R&I, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van R&I, met veroordeling van R&I in de kosten van deze procedure.

3.4.

NN voert het volgende aan. NN wil het bedrag van de affectieschade niet aan I&R betalen omdat zij zich afvraagt of het bedrag dan ook echt bij [naam 3] terechtkomt. NN acht het haar maatschappelijke plicht om – al is het op marginale wijze – te toetsen of [naam 3] welbewust haar vordering heeft overgedragen en zich daarbij heeft gerealiseerd wat haar rechten waren. NN betwist niet dat zij als gevolg van het hiervoor onder 2.1 genoemde ongeval aan [naam 3] een vergoeding wegens affectieschade van € 15.000,00 dient te betalen. Zij wijst erop dat zij dat het recht van [naam 3] al geruime tijd geleden (al voor de ontvangst van de akte van cessie) heeft erkend. Als NN de door haar gevraagde gegevens omtrent de bankrekening van [naam 3] had ontvangen, dan had zij de vergoeding al aan [naam 3] betaald. Omdat NN steeds heeft willen betalen, is er geen goede reden voor de cessie. NN heeft ook twijfels over de akte van cessie; zij wijst erop dat deze geen titel of koopprijs bevat en dat de handtekening van [naam 3] op die akte er anders uitziet dan haar handtekening op haar identiteitsbewijs. Ook vraagt I&R NN te betalen op een rekening van een bedrijf van [naam 2] . Het gaat daarbij niet om een afgeschermde rekening (een derdengeldenrekening) die de rechthebbenden bescherming biedt. NN brengt naar voren dat [naam 2] geen goede reputatie heeft als het gaat om financieel beheer. NN heeft gevraagd om van [naam 3] zelf – ondersteund door een tolk – te horen over de cessie. NN vraagt de kantonrechter [naam 3] door middel van een Teamsverbinding en met hulp van een tolk te uit te nodigen voor een mondelinge behandeling.

4De beoordeling

4.1.

Dat NN een bedrag van € 15.000,00 dient te betalen staat hier niet ter discussie. Beide partijen gaan daar immers van uit. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of NN dit bedrag aan I&R moet betalen in plaats van aan [naam 3] . Volgens I&R volgt haar recht op betaling uit de akte van cessie waarmee [naam 3] haar aanspraak wegens affectieschade op – onder meer – NN heeft gecedeerd aan I&R. Waarvan op 10 maart 2025 aan NN mededeling is gedaan. De kantonrechter begrijpt dat NN de rechtsgeldigheid van de akte van cessie betwist.

4.2.

Voor een rechtsgeldige cessie is op grond van artikel 3:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat sprake is van een daartoe bestemde akte en een mededeling aan de persoon tegen wie de rechten die worden gecedeerd kunnen worden uitgeoefend. De mededeling van de cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW kan op grond van artikel 3:37 lid 1 BW in iedere vorm geschieden.

4.3.

De kantonrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat de akte van cessie een onderhandse akte is in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Deze onderhandse akte heeft tussen partijen in deze procedure slechts vrije bewijskracht als bedoeld in artikel 152 lid 1 Rv. De dwingende bewijskracht van een akte (artikel 157 lid 2 Rv) geldt namelijk alleen tussen de partijen die de akte hebben ondertekend (en hun rechtsverkrijgenden). De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de vordering rechtsgeldig is gecedeerd rust op I&R, aangezien zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, namelijk dat zij rechtsgeldig eigenaar is geworden van de vordering.

4.4.

I&R heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij gerechtigde is tot de vordering waarvan zij in deze procedure betaling vordert, bij dagvaarding een akte in de Nederlandse taal in het geding gebracht met een vertaling in het Slowaaks waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen “Partij [naam 3] cedeert bij deze aan Property & Business World BV gelijk Property & Business BV cessie aanvaardt de volledige aansprakelijkheid van [naam 3] wegens affectieschade op de betrokken verzekeraar Nationale Nederlandsen (…)”.

4.5.

Met NN is de kantonrechter van oordeel dat de handtekening op de akte die volgens I&R van [naam 3] is, zeer vaag is en voor zover deze zichtbaar is aanzienlijk afwijkt van die op het door NN in het geding gebrachte (en niet door I&R betwiste) identiteitsbewijs van [naam 3] . De verschillen tussen de beide handtekeningen – voor zover de handtekeningen op de aktes zichtbaar zijn – is zodanig dat de kantonrechter de twijfels van NN gerechtvaardigd acht. Andere door NN genoemde omstandigheden, die op zichzelf niet in de weg staan aan een geldige cessie (zoals: dat er geen duidelijke reden lijkt te bestaan voor een cessie, dat door I&R betaling wordt gevraagd op een (niet-afgeschermde) rekening van een andere vennootschap van [naam 2] en de weigering van I&R om direct contact met [naam 3] om de twijfel weg te nemen) versterken de door de handtekeningen gerezen twijfels. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat door I&R met de bij dagvaarding overgelegde stukken onvoldoende is onderbouwd dat sprake van een rechtsgeldige akte.

4.6.

I&R heeft echter voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in het geding gebracht waarmee zij haar stelling omtrent de cessie nader onderbouwt. Blijkens de overgelegde email van I&R aan [naam 3] van 24 juli 2025, heeft I&R haar (in het Nederlands met een Slowaakse vertaling) bericht dat NN heeft gesteld dat haar handtekening op haar legitimatiebewijs afwijkt van haar handtekening op de overeenkomst van cessie en dat I&R nu moet aantonen dat zij ( [naam 3] ) de overeenkomst van cessie heeft ondertekend. Bij dit bericht zijn gevoegd de akte van cessie in het Nederlands en Slowaaks en de email die [naam 3] op 10 maart 2025 aan I&R heeft gestuurd waarbij zij de getekende akten heeft gevoegd. I&R heeft [naam 3] gevraagd om naar een plaatselijke notaris te gaan en deze bijlage te tonen en te verklaren dat zij haar handtekening heeft geplaatst. Uit de overgelegde kopie van een gelegaliseerde verklaring (met Nederlandse vertaling) volgt dat [naam 3] heeft verklaard dat zij op de Nederlandse en Slowaakse akte van cessie van 7 maart 2025 (waarvan een kopie is aangehecht) haar handtekening heeft geplaatst.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat I&R daarmee voldoende heeft onderbouwd dat [naam 3] haar rechten aan I&R heeft gecedeerd. De overige door NN genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg aan in de weg dat sprake van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW.

4.8.

Het tweede vereiste betreft de mededeling van de cessie. De wijze waarop de mededeling van de cessie plaats moet vinden is vormvrij en kan dus in iedere vorm geschieden. Dat met het hiervoor onder 2.6 genoemde mailbericht mededing is gedaan aan NN, is door NN niet betwist zodat dat vaststaat.

4.9.

Met de door I&R voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van [naam 3] op NN heeft plaatsgevonden aan I&R. Het gevolg daarvan is dat NN aan I&R een bedrag van € 15.000,00 dient te betalen zijnde de aan [naam 3] toekomende vergoeding wegens affectieschade.

4.10.

De door I&R gevorderde incassokosten van € 248,05 worden door de kantonrechter afgewezen. Uit het voorgaande volgt immer dat pas met de door I&R voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken (die op 26 september 2025 bij de griffie zijn binnengekomen en waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze eerder aan NN zijn gezonden), de noodzakelijke duidelijkheid is gekomen over ondertekening van de akte van cessie door [naam 3] , en daarmee over de rechtsgeldigheid van de cessie op grond waarvan nu wordt geoordeeld dat NN aan I&R dient te betalen. Zoals hiervoor overwogen, waren de twijfels van NN aan de rechtsgeldigheid van de akte van cessie, voor de ontvangst van deze stukken gerechtvaardigd. NN behoefde daarom geen gevolg te geven aan de sommaties van I&R. Niet valt in te zien dat de daarmee gemoeide (incasso)kosten voor haar rekening dienen te komen. Deze worden daarom afgewezen.

4.11.

Om dezelfde reden zal de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom niet eerder dan met ingang van de in het dictum genoemde datum worden toegewezen.

4.12.

Partijen hebben over en weer kosten gemaakt en vorderen dat de andere partij in de proceskosten wordt veroordeeld. Hoewel I&R grotendeels in het gelijk wordt gesteld, is dat omdat zij pas na het uitbrengen van de dagvaarding de daarvoor noodzakelijke onderbouwing heeft verschaft. Dat NN nog niet aan haar de aan [naam 3] toekomende schadevergoeding heeft betaald, is dan ook niet onbegrijpelijk. Daarom komt de kantonrechter tot de beslissing dat de kosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Rechtbank Den Haag 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23585