Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 170626 bodycheck op ijshockeybaan; tandletsel minderjarige; verzoek aan gemeente tot afgifte camerabeelden; privacy verzekerde asr; tonen op kantoor gemeente i.p.v. afgifte

RBGEL 170626 bodycheck op ijshockeybaan; tandletsel minderjarige; verzoek aan gemeente tot afgifte camerabeelden; privacy verzekerde asr; tonen op kantoor gemeente i.p.v. afgifte

2De feiten

2.1.

[minderjarige 1] (hierna [minderjarige 1] ), zoon van [verzoekende partij] , heeft op 23 oktober 2024 omstreeks 14.30 uur onder meer tandletsel opgelopen door een ongeval op de ijshockeybaan bij Travium Schaatsbaan. Productie 3 bij verzoek betreft het tandheelkundig advies dat naar aanleiding daarvan is opgesteld met bijbehorende begrote kosten.

2.2.

Bij email van 25 oktober 2024 heeft de gemeente desverzocht aan [verzoekende partij] medegedeeld dat de camerabeelden zijn nagezien, dat het voorval op beeld staat en dat de beelden zijn veiliggesteld.

2.3.

De gemachtigde van [verzoekende partij] heeft op 5 december 2024 de gemeente verzocht een kopie van de videobeelden op grond van artikel 843a Rv te verstrekken. De gemeente heeft op 12 december 2025 daarop geantwoord dat zij op grond van de AVG de beelden, die niet geblurd kunnen worden, zonder bepaling van de rechter niet vrij kan geven.

2.4.

Op 5 december 2024 heeft de gemachtigde van [verzoekende partij] aan [verzekerde van ASR] (verzekerd bij ASR, hierna te noemen: verzekerde van ASR) medegedeeld dat haar zoon [minderjarige 1] op 23 oktober 2024 omstreeks 14.30 uur een beuk heeft uitgedeeld, te omschrijven als een bodycheck, en haar als ouder van [minderjarige 2] aansprakelijk gesteld voor alle schade die daarvan het gevolg is. ASR heeft in reactie daarop bij mails van 5 februari 2025 en 14 maart 2025 namens haar verzekerde aangegeven dat er geen beuk is uitgedeeld maar dat er sprake is geweest van een botsing.

2.5.

Productie 13 betreft een lijst met vragen die [getuige] als getuige van het voorval heeft beantwoord. Naar aanleiding daarvan heeft ASR op 23 oktober 2025 het standpunt ingenomen dat ‘het incident heeft plaatsgevonden tijdens sport en spel waarbij men over en weer gedragingen van elkaar te verwachten heeft’.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter de gemeente te bevelen binnen 14 dagen, althans een redelijke termijn de camerabeelden van het incident op 23 oktober 2024 af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de gemeente hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat [minderjarige 1] aan de hand van de verzochte camerabeelden zijn rechtspositie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen met ASR beter kan inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een (bodem)procedure tegen ASR te beginnen. Aan de vereisten van artikel 196 jo 194 Rv is voldaan, omdat het gaat om bepaalde gegevens van een derde te verkrijgen waarbij voldoende belang bestaat.

3.3.

De gemeente voert verweer. Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [verzoekende partij] betreft een voorlopige bewijsverrichting, meer specifiek afgifte van camerabeelden. Zij bepleit toewijzing daarvan, omdat voldaan is aan de vereisten die artikel 196 lid 2 Rv daaraan stelt. Het gaat, zo stelt zij, om bepaalde gegevens, namelijk de camerabeelden waarop het incident te zien is tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat op 23 oktober 2024 omstreeks 14.30 uur heeft plaatsgevonden op de ijshockeybaan Travium te Nijmegen. De gemeente is daarbij de derde conform artikel 195a Rv die over de beelden beschikt. Bij het opvragen van die beelden heeft [minderjarige 1] voldoende belang, omdat ASR de aansprakelijkheid bij gebreke van voldoende bewijs afwijst.

4.2.

De gemeente voert aan dat de verzekerde van ASR niet wil dat de beelden beschikbaar worden gesteld en wijst er op dat zij zich dient te houden aan de privacywetgeving, zoals neergelegd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

4.3.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voldaan is aan de vereisten van artikel 196 lid 2 Rv dat voorschrijft dat de informatie die [verzoekende partij] verlangt voldoende bepaald is en dat zij daarbij voldoende belang heeft. Daarnaast dient het verzoek ook getoetst te worden aan artikel 6 lid 1 onder f AVG in samenhang met artikel 6 lid 4 AVG, nu toestemming van de verzekerde van ASR ontbreekt en de verwerking van de persoonsgegevens een ander doel dient dan waarvoor deze zijn verzameld. Daarbij komt het aan op een belangenafweging. Het belang van [verzoekende partij] heeft betrekking op waarheidsvinding met betrekking tot vaststelling van de aansprakelijkheid die de verzekerde van ASR afwijst. Dat belang weegt zwaarder dan het niet nader onderbouwde belang van de verzekerde van ASR. Afgifte van de beelden zou dan ook in de rede liggen, ware het niet dat op de beelden niet alleen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zien zijn maar ook overige bezoekers van de ijshockeybaan. De beelden zouden daarom volgens de gemeente eerst nog professioneel extern geblurd moeten worden. Niet duidelijk is (gemaakt door partijen) of dit technisch mogelijk is en zo ja welke kosten daaraan zijn verbonden alsmede hoeveel tijd daarmee gemoeid zou zijn. Ter ondervanging is de optie die de gemeente heeft aangeboden om de beelden bij haar op de laptop te komen bekijken in plaats van deze af te geven een uitkomst. De kantonrechter beveelt daarom dat de gemeente de beelden op eerste verzoek van [verzoekende partij] binnen 14 dagen na verzoek daartoe op haar kantoor dient te tonen. Er is daarbij geen aanleiding aan deze verplichting een dwangsom te verbinden. De gemeente heeft zich op de zitting bereid getoond haar medewerking te verlenen. Partijen kunnen aan de hand hiervan bezien of (ook tevens) aan ASR op deze wijze de beelden kunnen worden getoond, waarmee het belang van [verzoekende partij] mogelijk al voldoende gediend is. Een andere mogelijkheid is dat deze vertoning leidt tot het preciezer vaststellen van de relevante delen van de opname, waarna deze mogelijk kunnen worden afgescheiden en bewerkt, in overleg met en op kosten van [verzoekende partij] , ASR of hen gezamenlijk.

4.4.

Tegen de beslissing op dit verzoek kan uit hoofde van artikel 200 Rv hoger beroep worden ingesteld. Rechtbank Gelderland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5205