Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 290426 verweerders hoeven medisch advies in medische aansprakelijkheidszaak niet met dochters overledene te delen

RBMNE 290426 vdo intensivist vanwege overlijden vader in zkh aan multi-orgaanfalen door scepsis
- rb kiest zelf deskundige; dat deze net als MA verweerders werkzaam is bij Veduma staat aan benoeming niet in de weg
- horen dochters overledene is i.h.k van een vdo niet gebruikelijk/noodzakelijk; indien desk. daar toch voor kiest dient ook zkh uitgenodigd te worden
- dochters kunnen niet in plaats van hun overleden vader een beroep doen op het inzage- en blokkeringsrecht;
- vraag t.z.v. deskundigheid en onpartijdigheid deskundige blijft achterwege; vraag is in voorfase beantwoord t.o.v. griffier
- verweerders hoeven medisch advies in medische aansprakelijkheidszaak niet met dochters overledene te delen

2. De kern van de zaak
 


2.1.  Verzoeksters zijn dochters van de heer [vader]. Hun vader is op 52-jarige leeftijd in het Diakonessenhuis overleden aan multi-orgaanfalen door een scepsis. Hij had colitis en bij hem was darmkanker ontstaan. In het Diakonessenhuis is hij daarvoor behandeld en hij is vier keer geopereerd. De dochters stellen zich op het standpunt dat het Diakonessenhuis bij de medische behandeling verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en zij hebben het Diakonessenhuis aansprakelijk gesteld. Centramed, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het Diakonessenhuis, heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De dochters willen meer duidelijkheid over hun procespositie. Daarom willen zij een deskundige naar deze zaak laten kijken. Ook vragen zij om een afschrift van het medisch advies van Centramed.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe. Het verzoek van de dochters om een afschrift van het medisch advies van Centramed wordt afgewezen.

3. De beoordeling

Wat de rechtbank moet beoordelen in het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht

3.1. De rechtbank moet een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in principe toestaan als dat deskundigenbericht kan bijdragen aan een van de volgende doelen.
- De verzoeker wil door het deskundigenbericht zekerheid of duidelijkheid krijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil van belang kunnen zijn.
- De verzoeker wil door het deskundigenbericht (beter) inzicht krijgen of het beginnen van of doorgaan met een rechtszaak over het geschil wenselijk is.

3.2. In artikel 196 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat de rechter het verzoek moet afwijzen als zich een of meer van de volgende redenen voordoen.
- De informatie die aan de deskundige gevraagd wordt, is niet voldoende bepaald. Er is onvoldoende belang bij een voorlopig deskundigenbericht.
- Het verzoek is in strijd met de eisen van een goede procesorde.
- De bevoegdheid om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken, wordt misbruikt.
- Er bestaat een ander belangrijk bezwaar tegen het houden van het onderzoek.

De rechtbank wijst het verzoek toe

3.3. De dochters hebben goed uitgelegd waarom onderzoek nodig is. Verweerders hebben er geen bezwaar tegen gemaakt. Voor de rechtbank zijn er ook geen redenen om het verzoek van de dochters niet toe te staan. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak het gevraagde onderzoek zal bevelen en daarvoor een deskundige zal benoemen.

De rechtbank benoemt dr. F.J. Schoonderbeek om het onderzoek uit te voeren

3.4.  Partijen zijn het niet eens over de persoon van de deskundige. Daarom zal de rechtbank in deze beschikking een deskundige benoemen die zijzelf heeft gekozen. Het gaat om dr. F.J. Schoonderbeek (chirurg, intensivist), verbonden aan het Ikazia Ziekenhuis en als medische expert aangesloten bij Intermedes. De griffier heeft per e-mail en telefonisch contact met haar gehad en de deskundige heeft bevestigd dat zij deskundig, onpartijdig en bereid is om in deze procedure als deskundige op te treden. Dat de deskundige, zoals zij heeft toegelicht, net als de medisch adviseur van verweerders (dr. G.S.A. Abis) ook werkzaam is bij Veduma Medisch Adviseurs, staat haar benoeming in deze zaak niet in de weg. Zij kennen elkaar namelijk persoonlijk niet en het feit dat zij allebei beroepsmatig aan Verduma Medisch Adviseurs zijn verbonden, betekent niet dat de onafhankelijkheid van de deskundige in het geding is. Bovendien gaat het in deze zaak om het handelen van de behandelaren van het Diakonessenhuis en niet om het handelen van de medisch adviseur van Centramed.

De rechtbank stelt de volgende vragen aan de deskundige

3.5. De rechtbank neemt de vraagstelling over die de dochters hebben voorgesteld. Deze vraagstelling sluit aan bij de feitelijke vraagstelling die de rechtbank in dit soort zaken vaker hanteert. De vraagstelling die verweerders voorstellen, is te beperkt omdat de dochters het Diakonessenhuis niet alleen de delay in de opname op de IC afdeling verwijten maar ook de gang van zaken bij de CT-scan en de informatieverstrekking. De door de dochters voorgestelde vraag 1 (over de deskundigheid en onpartijdigheid van de deskundige) laat de rechtbank achterwege omdat de deskundige deze vraag al heeft beantwoord in de voorfase waarin zij door de griffier is benaderd (zie hiervoor onder 3.4).

3.6. De vragen die aan de deskundige zullen worden gesteld, zijn:

In deze zaak staat het handelen van de zorgverleners in het Diakonessenhuis ter discussie. Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat de rechter/jurist over het handelen van de betrokken zorgverleners kan oordelen; is er juist gehandeld door de zorgverleners? Het handelen van de betrokken zorgverleners moet de rechter toetsen aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken zorgverlener de geneeskundige behandeling heeft verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat de rechter door u als medische deskundige wordt voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken arts. U wordt als medisch deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de zorgverlener zijn voor de toets niet van belang.

In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de geneeskundige behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur.

Het begrip 'medisch professionele standaard' moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(s-eisen) voor medici, inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.

ALGEMEEN

1) Beschikt u over voldoende informatie om de casus te beoordelen? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog wilt ontvangen?

2) Wilt u op basis van het dossier een beschrijving geven van de voorgeschiedenis op uw vakgebied bij betrokkene?

3) Welke zijn uw bevindingen na opname van de anamnese en bestudering van het medisch dossier voor de behandelperiode 29-12-2023 t/m 27-02-2024?

HOE HOORT HET IN HET ALGEMEEN TE GAAN?

4) Kunt u voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling waar het hier over gaat, aangeven waaruit deze moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard? Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden? Wilt u daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan:
a) de uitgevoerde operaties op 09-02-2024, 14-02-2024, 26-02-2024 en 27-02-2024; b) de CT-scan op 14-02-2024;
c) het moment van opname op de IC;
d) de informatieverstrekking aan betrokkene en gezinsleden.

5) Kunt u bij de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling aangeven of met de bepaalde handelwijze beoogd wordt een specifiek omschreven medisch doel te bereiken? Zoja, welk doel?

6) Zijn er meerdere mogelijkheden van behandeling? Zo ja, voor welke mogelijke behandeling is in dit geval gekozen?

7) Kunt u aangeven of er binnen de beroepsgroep bestaande medisch professionele standaard iets bekend is over het verschil in resultaat van de behandelingen?

HOE IS HET IN DIT GEVAL GEGAAN EN WAS DAT CONFORM DE PROFESSIONELE STANDAARD?

(U moet deze vraag zo feitelijk mogelijk beantwoorden. U hoeft niet aan te geven in hoeverre een eventuele afwijking aanvaardbaar, redelijk of verwijtbaar is.)

8) Kunt u op basis van de aan u verstrekte informatie een beschrijving geven van de in vraag 4 genoemde stadia van de geneeskundige behandeling zoals verricht bij betrokkene in het Diakonessenhuis? Kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de bij vraag 4 a t/m d genoemde punten? Kunt u daarbij aangeven of naar uw oordeelde behandelend zorgverleners hebben gehandeld volgens de op dat moment voor hen geldende professionele standaard?

9) Is betrokkene voldoende geïnformeerd over de voorgestelde behandelingen, de alternatieven en de risico's en complicaties? Zo nee, waarover is betrokkene onvoldoende geïnformeerd?

10) Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld? 
 

11) Zijn er richtlijnen of protocollen die bepalen op welk moment een patiënt op de IC behoort te worden opgenomen? Zo ja, welke en zijn die gevolgd?

12) Kunt u aangeven wat de oorzaak is van het overlijden van betrokkene?

13) Indien u van mening bent dat er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, heeft dit dan bijgedragen aan of was dit de oorzaak van het overlijden van betrokkene?

14) Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak door de rechter?

De stukken die de deskundige moet krijgen

3.7.

De rechtbank zal bepalen dat de dochters de deskundige voorzien van de processtukken en dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige toestuurt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundige inzage zullen geven in alle stukken die hij voor het verrichten van het onderzoek belangrijk vindt.

Het is aan de deskundige om te bepalen op welke wijze zij het onderzoek inricht

3.8. Uit het verzoekschrift blijkt dat de dochters de wens hebben geuit om door de deskundige te worden gehoord. Overwogen wordt dat dit in onderzoeken als het onderhavige niet gebruikelijk/noodzakelijk is. Het laatste woord op dit punt is aan de deskundige. Het is aan de deskundige om te bepalen op welke wijze zij het onderzoek inricht. En dus ook of zij een mondelinge toelichting van de dochters voor haar onderzoek noodzakelijk of nuttig acht. Mocht zij daartoe overgaan dan moet zij de wederpartij van de dochters in de gelegenheid stellen daarbij aanwezigheid te zijn (1) omdat het bij dit onderdeel niet om een medisch onderzoek gaat. In het kader hoor en wederhoor zal zij dan ook (de betrokken behandelaren van) verweerders (in aanwezigheid van de dochters) de gelegenheid moeten geven om te worden gehoord. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een onderzoek waarbij de deskundige de betrokkenen hoort extra tijd en kosten met zich kan brengen.

3.9. De rechtbank laat het echter aan de deskundige over of zij het voor haar onderzoek nodig vindt om de dochters te horen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat in het kader van hoor en wederhoor partijen in elk geval na de opstelling van het conceptrapport in de gelegenheid zullen worden gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen en de deskundige zal daarop - binnen het kader van de onderzoeksvragen - weer gemotiveerd op reageren.

Het inzage- en blokkeringsrecht geldt voor dit onderzoek niet

3.10. Tussen partijen is in geschil of het inzage- en blokkeringsrecht van toepassing is. (2) Volgens de dochters is dat het geval en volgens verweerders niet. Naar het oordeel van de rechtbank geldt voor dit onderzoek het inzage- en blokkeringsrecht niet. Het inzage- en blokkeringsrecht dient ter bescherming van het recht op privacy van de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft. Dit is een persoonlijk recht dat door het overlijden van de betrokkene niet overgaat op zijn erfgenamen. De dochters kunnen daarom dus niet in plaats van hun vader een beroep doen op het inzage- en blokkeringsrecht.

De kosten van het voorschot worden door de Staat voorgeschoten

3.11. De rechtbank volgt de hoofdregel van artikel 187 Rv dat de dochters de kosten van het deskundigenonderzoek moeten voorschieten. De aansprakelijkheid is niet erkend en het is nog niet duidelijk of er een medische fout is gemaakt. Er is daarom geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel. Ook niet tegen de achtergrond van de GOMA, de gedragscode ziet op het buitengerechtelijk onderhandelingstraject, zoals de dochters subsidiair aanvoeren.

3.12. Omdat de dochters een toevoeging hebben gekregen voor het voeren van deze procedure, worden de kosten van het deskundigenonderzoek eerst door de Staat voorgeschoten. Pas nadat de rechtbank het rapport van de deskundige heeft ontvangen, zal in principe beslist worden wie van partijen de kosten van de deskundige moet betalen aan de griffier (artikel 202 lid 2 Rv). Dit is alleen anders als tussen partijen een bodemprocedure  volgt waarin het rapport van de deskundige een rol speelt. Dan kunnen de kosten daarvan namelijk via de proceskostenbeslissingen in de bodemprocedure worden afgewikkeld (zie artikel 244 Rv).

3.13. Om na ontvangst van het voorlopig deskundigenbericht te kunnen beoordelen of een beslissing genomen moet worden over wie de kosten van het deskundigenonderzoek moet betalen, zal de rechtbank tegen die tijd geïnformeerd moeten worden of tussen partijen een bodemprocedure loopt. Partijen hebben daarvoor zes weken de tijd nadat de deskundige het deskundigenrapport bij de rechtbank heeft ingeleverd.

Instructies aan partijen

3.14. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal de verschillende verplichtingen van partijen opnemen in de beslissing. Voldoet een partij niet aan een van deze verplichtingen, dan kan de rechter daaraan conclusies verbinden die hij daarbij vindt passen (artikel 190 lid 3 Rv).

3.15. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief contact heeft met de deskundige, moet dat schriftelijk gebeuren, steeds meteen met een kopie aan de andere partij.

De deskundige hoeft niet te beginnen voordat de rechtbank dat laat weten

3.16. De rechtbank zal de deskundige op de hoogte stellen als zij met het onderzoek kan beginnen. Dat doet de rechtbank pas nadat het voorschot is betaald.

De rechtbank verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad

3.17. De rechtbank verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad. Voor de rest doet de rechtbank dat niet omdat tegen een beschikking over voorlopige bewijsverrichtingen in principe geen hoger beroep kan worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 200 lid 2 Rv.

Het verzoek van de dochters om een afschrift van het medisch advies van de medisch adviseur van Centramed wordt afgewezen

3.18. De dochters verzoeken om een afschrift van het medisch advies van de medisch adviseur van Centramed (dr. G.S.A. Abis). Zij voeren aan dat zij daar belang bij hebben omdat het zou kunnen zijn dat Centramed een ander standpunt heeft ingenomen dan dr. Abis heeft geadviseerd.

3.19. De rechtbank is het met verweerders eens dat zij dit medisch advies niet met de dochters hoeven te delen. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 december 2023 3, waar verweerders naar verwijzen, volgt dat een (ex-)patiënt geen recht heeft op inzage in het medisch advies aan de kant van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. De reden daarvoor is dat de medisch adviseur zich een mening vormt over het handelen van de aangesproken hulpverlener en dat er geen sprake is van een behandelingsovereenkomst tussen de medisch adviseur en de (ex-)patiënt. Boek 7, titel 7, afdeling 5 is niet van toepassing en dus ook het inzagerecht van artikel 7:456 BW niet. Als de verzochte inzage moet worden verleend, doet dit bovendien afbreuk aan een ongestoorde gedachtewisseling. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er dus gewichtige redenen die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.


 1. Gedragscode gerechtelijk deskundigen civiel bestuur januari 2012 onder 4.12 en Leidraad deskundigen in civiele zaken onder 11.2 en 11.3.
2 Artikel 7:464 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3 ECLI:NL:HR:2023:1670
4 ECLI:NL:HR:2023:1670 r.o. 3.9, 3.13 en 3.15
5 Zie de conclusie van AG- Hartlief van 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:762. nrs. 7.1 t/m 7.6
6 Artikel 194 lid 2 sub b Rv
 


Met dank aan mw. mr. M.G.F. (Babette) de Graaff-Bosch, BAEN Advocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RRBMNE-290426