Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBLIM 220921 moeder vordert na suicide dochter volledige dossier van instelling; afwijzing ogv geheimhoudingsplicht

RBLIM 220921 moeder vordert na suicide dochter volledige dossier van instelling; afwijzing ogv geheimhoudingsplicht

2. De vordering en het verweer in het incident 

2.1. [moeder] vordert op grond van artikel 843a Rv dat [instelling] de navolgende bescheiden verstrekt: 

- het volledige dossier, inclusief het medisch dossier van (de behandelingen) van [betrokkene]
- de naar aanleiding van het overlijden van [betrokkene] opgestelde calamiteiten-rapportage, alsmede de correspondentie daaromtrent van en met de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ);
- de binnen de [instelling]  geldende protocollen met betrekking tot suïcide en eventuele overige protocollen die op de behandeling van: [betrokkene] betrekking hebben gehad. 

2.2. [instelling] voert verweer. 

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

3. De beoordeling in het incident 

3.1. Tijdens de behandeling van [betrokkene] bij de [instelling] is de [instelling] volgens [moeder] tekort geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst tussen [betrokkene] en de [instelling]. Afgifte van althans inzage in het (medisch) dossier van [betrokkene] is noodzakelijk voor [moeder] om de aansprakelijkheid van de [instelling] verband met het overlijden van [betrokkene] te kunnen onderzoeken en te onderbouwen. [moeder] stelt zich op het standpunt dat, ondanks het medische beroepsgeheim, er in onderhavige situatie gronden zijn om dit beroepsgeheim te doorbreken. Zij stelt recht te hebben op inzage en afschrift op grond van artikel 7:458a lid 1, sub a, b en c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten aanzien van sub a stelt [moeder] zich op het standpunt dat [betrokkene] bij leven toestemming heeft gegeven, welke toestemming ook schriftelijk is vastgelegd. Ten aanzien van sub b stelt [moeder] dat hier eveneens aan wordt voldaan aangezien de [instelling] een calamiteitenmelding heeft gedaan op grond van artikel 11 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en zij als nabestaande (moeder van [betrokkene]) hierover is geïnformeerd. Tot slot stelt [moeder] dat sprake is van een zwaarwegend belang als bedoeld in sub c aangezien zij als nabestaande door een inzagerecht een vordering tot schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud of de kosten voor lijkbezorging beter kan onderbouwen. Daarnaast zijn de bescheiden volgens moeder nodig om de gestelde verwijten te kunnen beoordelen en nader te kunnen onderbouwen. 

3.2. [instelling] voert aan dat de geheimhoudingsplicht verstrekking van het (medisch) dossier van [betrokkene] inclusief de calamiteiten-rapportage alsmede de correspondentie daaromtrent met de IGJ, in de weg staat. Er is geen grond op basis waarvan de geheimhoudingsplicht kan worden doorbroken. Primair stelt [instelling]  dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:458a lid 4 BW. Vastgelegd is dat [betrokkene] de inzage niet wenst, ook niet wanneer een nabestaande op grond van lid 1 sub b en c wel recht zou hebben op inzage. Subsidiair voert zij aan dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:458a lid 1 sub a t/m c BW b heeft namelijk geen toestemming gegeven voor inzage (sub a), ondanks dat melding is gedaan bij de IGJ, is er uiteindelijk geen sprake geweest van een incident (sub b) en tot slot is niet aannemelijk gemaakt dat inzage noodzakelijk is voor het gestelde zwaarwegende belang gelet op het bepaalde in artikel 7:458b BW, dan wel is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zwaarwegend belang (sub c). Ten aanzien van de binnen [instelling]  geldende protocollen met betrekking tot suïcide geeft [instelling] aan dat een afschrift van het Protocol Suïcidepreventie aan [moeder] is verstrekt en zij derhalve geen belang meer heeft bij dit deel van haar vordering. Op de behandeling van [betrokkene] zijn volgens [instelling] geen andere interne protocollen van toepassing geweest. 

Artikel 843a Rv
3.3. [moeder] baseert haar incidentele vordering op artikel 843a Rv. Bij de beoordeling op grond van dit wetsartikel stelt de rechtbank voorop dat dit artikel niet ziet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien (i) degene die een dergelijke vordering instelt daarbij een rechtmatig belang heeft, (ii) de bescheiden voldoende bepaald zijn en (iii) het bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Voorts mag zich geen van de in de leden 3 en 4 van artikel 843a Rv genoemde uitzonderingen voordoen, te weten dat (iv) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn en (v) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn en (vi) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijner berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. 

Rechtmatig belang
3.4. De rechtbank overweegt dat het verkrijgen van bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen of [instelling] tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst van de dochter van [moeder], wat vervolgens onderwerp is in de hoofdprocedure, is te beschouwen als een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv. 

Voldoende bepaalde bescheiden
3.5. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van voldoende bepaalde bescheiden, nu de vordering specifiek ziet op het (medisch) dossier samenhangende met de behandeling van de dochter van [moeder] gedurende haar verblijf bij [instelling].

Rechtsbetrekking
3.6. Ten aanzien van de voorwaarde dat het bescheiden dienen te betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin [moeder] of haar rechtsvoorganger partij is, stelt de rechtbank voorop dat het bestaan van die rechtsbetrekking marginaal moet worden getoetst. Hieronder valt niet alleen een contractuele verbintenis, maar ook een verbintenis uit de wet, zoals wanprestatie. [moeder] was geen partij bij de geneeskundige behandelovereenkomst, maar dit laat onverlet dat als [moeder] als nabestaande schade zou hebben geleden als gevolg van tekortschieten in de geneeskundige behandelovereenkomst door [instelling] een schadevergoedingsvordering van [moeder] jegens [instelling]  aan de orde kan zijn. Dat impliceert genoegzaam een rechtsbetrekking tussen partijen als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv, daargelaten of een dergelijke vordering toewijsbaar zal zijn. 

Uitzonderingen op grond van artikel 843a lid 3 en 4 Rv
3.7. Vervolgens dient te worden beoordeeld of zich één van de uitzonderingen genoemd in het derde en vierde lid van artikel 843a Rv voordoet. Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat de gegevens uit het dossier van [betrokkene] alsmede de overige gevorderde bescheiden, [instelling] uit hoofde van hun functie aan de behandelend artsen van [instelling] zijn toevertrouwd en te hunner beschikking staan.  

3.8. Het gevorderde (medisch) dossier, alsmede de correspondentie en documenten van de IGJ vormen naar het oordeel van de rechtbank tezamen het medisch dossier als bedoeld in artikel 7:454 BW, aangezien deze bescheiden betrekking hebben op de behandeling van [betrokkene]. Op de gevorderde protocollen, zal in rechtsoverweging 3.11 en 3.12 separaat op worden ingegaan. 

3.9. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot inzage c.q. afgifte in het medisch dossier van [betrokkene] (gelet op het vorenstaande bestaande uit het (medisch) dossier, alsmede de correspondentie en documenten van de IGJ) dient te worden afgewezen nu zich een uitzondering voordoet. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen. 

3.9.1. Artikel 7:458a BW luidt voor zover van belang als volgt:
"1. In afwijking van het bepaalde in artikel 457 lid 1 verstrekt de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt aan:
a. een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven indien die toestemning schriftelijk of elektronisch is vastgelegd;
b. een nabestaande als bedoeld in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, of een persoon als bedoeld in artikel 465 lid 3, indien die nabestaande of die persoon een mededeling over een incident op grond van artikel 10, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg heeft gekregen; c. een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
2. [...]
3. [...]
4. Op grond van dit artikel worden geen gegevens verstrekt voor zover schriftelijk of elektronisch is vastgelegd dat de overleden patiënt die de leeftijd van twaalf jaar had bereikt en tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat was, deze inzage niet wenst, of daarbij de persoonlijke levenssfeer van een ander wordt geschaad.” 

3.9.2. Het primaire standpunt van [moeder] is dat [betrokkene] toestemming heeft gegeven (artikel 7:458a lid 1 sub a). [instelling] stelt dat [betrokkene] juist géén toestemming gegeven en beroept zich op lid 4. Uit de dossierstukken blijkt dat er gedurende de opname van [betrokkene] bij [instelling] regelmatig contact is geweest tussen [instelling], [moeder], en [betrokkene]. Dit ging met name over de mate waarin en de wijze waarop [moeder] zou worden geïnformeerd omtrent de situatie van [betrokkene]. Kort gezegd blijkt uit het dossier dat het meer specifiek ging over situaties waarin [instelling] [moeder] mocht informeren over de situatie en/of omstandigheden met betrekking tot (de behandeling van [betrokkene]. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet expliciet c.q. duidelijk genoeg worden afgeleid dat er toestemming voor inzage in het medische dossier is gegeven door [betrokkene]. Uit hetgeen partijen naar voren brengen, blijkt weliswaar dat er afspraken zijn geformuleerd, maar ook dat partijen hierna nog nader over de inhoud en interpretatie van deze afspraken hebben gesproken. Op basis van die stand van zaken kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat [betrokkene] toestemming heeft gegeven en dat dit ook uitdrukkelijk is vastgelegd. Bovendien valt uit de correspondentie niet af te leiden of de gemaakte afspraken over de communicatie [moeder] door [instelling] óók de inzage in het (medisch) dossier omvatten. Dat [moeder] in bepaalde gevallen geïnformeerd zou worden, kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat daarmee ook sprake zou zijn van toestemming voor inzage in het (medisch) dossier. De vereiste toestemming kan dan ook niet uit de stukken worden afgeleid zodat het primaire standpunt van [moeder] wordt afgewezen. Echter, uit deze omstandigheden kan evenmin het tegenovergestelde - dat [betrokkene] uitdrukkelijk géén toestemming heeft gegeven - worden afgeleid. De correspondentie geeft namelijk blijk van enige intentie om in bepaalde gevallen [moeder] te informeren. Van een uitdrukkelijk vastgelegde weigering als bedoeld in artikel 7:458a lid 4 BW is dan ook niet gebleken zodat [instelling] evenmin in haar stelling kan worden gevolgd. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat [betrokkene] bij leven niets (uitdrukkelijk) heeft vastgelegd met betrekking tot de inzage in haar dossier door [moeder] geen toestemming, maar ook geen verbod. 

3.9.3. De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin grond bestaat om de vordering toe te wijzen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub b BW. Er is een melding gemaakt van een (mogelijke) calamiteit. [instelling] geeft aan dat zij die melding uit voorzorg heeft gedaan omdat een te late melding van een calamiteit een bestuurlijke boete oplevert en direct na het overlijden van [betrokkene] onduidelijk was of sprake was van een calamiteit. Daartoe moest de gehele behandelperiode van [betrokkene] geanalyseerd worden. [instelling] concludeerde aan de hand van die analyse dat er geen sprake was van een calamiteit als bedoeld in de Wkkgz. In dat kader acht de rechtbank verder van belang dat de IGJ die conclusie beoordeeld heeft. In de brief van de IGJ van 9 mei 2019, die als productie 1 bij de conclusie van antwoord in incident is gevoegd, staat: "Concluderend heeft u een zorgvuldig onderzoek laten verrichten en is er geen sprake geweest van een calamiteit in de zorgverlening. Achteraf bezien had u dan ook geen meldplicht en is uw melding een zogenoemde andere melding”. Nu de conclusie van [instelling] ondersteund wordt door de IGJ is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat sprake was van een calamiteit in de zin van de Wkkgz, zodat een beroep op sub b van voornoemd artikel niet kan slagen. 

3.9.4. Tot slot oordeelt de rechtbank dat een eventueel inzagerecht voor [moeder] evenmin kan worden gegrond op artikel 7:458a lid 1 sub c BW, het zwaarwegende belang van de nabestaande. Er gelden geen laagdrempelige eisen voor het geldend maken van het recht op inzage wegens een zwaarwegend belang. Voor een geslaagd beroep moet aan twee cumulatieve voorwaarden zijn voldaan, te weten: (a) degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad, én (b) diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Allereerst moet aldus sprake zijn van een zwaarwegend belang voor de persoon die om inzage vraagt, in dit geval [moeder]. Het kan volgens de parlementaire geschiedenis gaan om situaties waarin het gaat om het aanvechten van een rechtshandeling, waar de dossierinzage voor een vertegenwoordiger nodig is in het kader van een civiele procedure, en daar waar het reële vergoeden van een medische fout bestaat. [moeder] heeft in dit kader aangevoerd dat zij diverse verwijten maakt op grond waarvan zij concludeert dat [instelling] tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst en de op haar rustende zorgplicht. Ter onderbouwing van haar vordering schetst [moeder] de achtergronden van [betrokkene] (haar medische geschiedenis). Zij wenst over de informatie te kunnen beschikken om - kort samengevat - te kunnen beoordelen of [instelling] aan bepaalde protocollen heeft voldaan (en daarmee aan de geneeskundige behandelovereenkomst). Daarnaast stelt [moeder] zich op het standpunt dat uit de omstandigheden waaronder [betrokkene] is komen te overlijden, blijkt dat [instelling] onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van [betrokkene] (en op grond daarvan haar zorgplicht heeft geschonden). [instelling] betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst, dan wel de zorgplicht heeft geschonden. [instelling] heeft als productie 1 bij de conclusie van antwoord in incident een brief van de IGJ overgelegd waarin het navolgende wordt geschreven: "Uit uw onderzoeksrapportage komt naar voren dat patiënte langdurige suïcidegedachten- en ideaties had. Zij heeft tijdens de opname, in ieder geval vanaf november 2017, veel tentamen suïcidii ondernomen. Dit maakt onderdeel uit van een complex aan aandoeningen bij patiënte. Uit de rapportage komt een duidelijk en betrokken behandelbeleid naar voren. De conclusie dat er geen tekortkoming in de zorg kan worden vastgesteld is voor de inspectie navolgbaar." De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze rapportage van de IGJ, [moeder] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zwaarwegend belang. De verwijten die [moeder] benoemt worden door haar niet nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Sterker nog, uit de brief van de IGJ blijkt juist dat er goed gehandeld is door [instelling]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat m onvoldoende heeft gesteld waarin haar zwaarwegend belang (zoals hiervoor geschetst vanuit de parlementaire geschiedenis) is gelegen. De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep op artikel 7:458a lid 1 sub c BW niet kan slagen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de stukken blijkt dat [instelling] heeft aangeboden om het (medisch) dossier aan een deskundige te overleggen. Indien en voor zover aan dit aanbod uitvoering wordt gegeven, en de betreffende deskundige zou oordelen dat sprake is van tekortschieten in de geneeskundige behandelovereenkomst, zal zij daarmee alsnog inzage c.q. afschrift krijgen (op grond van artikel 7:458b BW). 

3.10. De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat het door [instelling] gedane beroep op de geheimhoudingsplicht voor wat betreft het medisch dossier als bedoeld in rechtsoverweging 3.8 moet worden gehonoreerd. Dat betekent dat zich daarmee een van de uitzonderingen op het recht op inzage c.q. afschrift van gegevens als bedoeld in artikel 843a Rv voordoet. 

3.11. Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op het verstrekken van de binnen [instelling] geldende protocollen met betrekking tot suïcide en eventuele overige protocollen die op de behandeling van [betrokkene] betrekking hebben gehad, overweegt de rechtbank tot slot als volgt. 

3.11.1. Ten aanzien van het protocol met betrekking tot suïcide heef [instelling] aangegeven dat [moeder] inmiddels beschikt over een afschrift van dit protocol op grond waarvan [moeder] geen belang meer heeft bij dit gedeelte van haar vordering. Indien en voor zover zij niet beschikt over dit afschrift, dan geldt dat uit het standpunt van  [instelling] valt af te leiden dat zij bereid is hier een afschrift van te verstrekken. In dat geval gaat de rechtbank er ook vanuit dat [instelling] op een eventueel verzoek van [moeder] daar (nogmaals) toe overgaat. 

3.11.2. Voor wat betreft eventuele overige protocollen geldt dat onvoldoende vast is komen te staan dat er nog andere protocollen op de behandeling van [betrokkene] van toepassing zijn geweest. Ondanks dat van [moeder] niet verwacht kan worden dat zij alle eventuele protocollen bij naam kan noemen, kan - gelet op de betwisting van [instelling] een zodanig algemeen verzoek niet gehonoreerd worden, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat nog andere protocollen op de behandeling van [betrokkene] van toepassing zijn geweest. 

3.12. De vordering van [moeder] tot afschrift c.q. inzage in de binnen 1 geldende protocollen met betrekking tot suïcide en eventuele overige protocollen die op de behandeling van [betrokkene] betrekking hebben gehad, wordt gelet op het vorenstaande eveneens afgewezen. 

3.13. [moeder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2021/RBLIM-220921

Deze website maakt gebruik van cookies