Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNNE 140426 straf; meldkamer ambulance hoeft opnames niet vrij te geven voor moordonderzoek

RBNNE 140426 straf; meldkamer ambulance hoeft opnames niet vrij te geven voor moordonderzoek
 

 

Inleiding

In het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] (hierna: verdachte) met parketnummer 18-024181-25 heeft de officier van justitie van de klaagster gevorderd de bandopname te verstrekken van de hierna omschreven 112-melding. Verdachte wordt ervan verdacht dat zij opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van het leven heeft beroofd. Op 20 januari 2025 is door de moeder van verdachte, in het bijzijn van verdachte en haar vader, contact opgenomen met de meldkamer van 112 nadat het levenloze lichaam van het slachtoffer was aangetroffen.

(.... red. LSA LM)
 


 

Veronderstelde toestemming

De rechtbank stelt vast dat zowel de verdachte in de onderliggende strafzaak als de nabestaanden van het slachtoffer te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. De rechtbank is van oordeel dat toestemming van de direct betrokkenen niet vanzelf met zich meebrengt dat een verschoningsgerechtigde verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een vordering, omdat het recht om zich te verschonen bij de verschoningsgerechtigde ligt en niet bij een ander.


 

De klaagster heeft aangevoerd dat het slachtoffer is overleden en dat niet verondersteld kan worden dat het slachtoffer toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de gevorderde gegevens als hij nog in leven zou zijn. Wel is de omstandigheid dat direct betrokkenen toestemming hebben gegeven betrokken in de afweging om de gevorderde gegevens niet te verstrekken.


 

De rechtbank stelt voorop dat niet is voorzien in de mogelijkheid dat nabestaanden van het overleden slachtoffer, in plaats van het slachtoffer, toestemming geven voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim. De inschatting of sprake is van veronderstelde toestemming van het slachtoffer en of het verschoningsrecht moet worden gehandhaafd, is primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde(n) en kan slechts marginaal worden getoetst door de rechtbank. Het oordeel van de klaagster dat in deze situatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van het slachtoffer, komt de rechtbank niet kennelijk onredelijk voor.


 

Dat betekent dat het verschoningsrecht niet reeds kan worden doorbroken enkel vanwege het feit dat zowel verdachte als de nabestaanden van het slachtoffer toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van de inhoud van het 112-gesprek.

Beoordelingskader

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich, vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel te vatten. De Hoge Raad heeft wel enkele meer algemene factoren benoemd die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zoals de aard en zwaarte van het delict, de aard en de omvang van de gegevens, de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen en de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad, indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.

Omdat het een uitzondering op de hoofdregel betreft, wijst de Hoge Raad erop dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit en dat voor de uitzondering zware motiveringseisen gelden.

Beoordeling

De officier van justitie heeft betoogd dat in dit geval het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding in een zeer ernstige strafzaak, en dat daarom sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid als door de Hoge Raad bedoeld.

De rechtbank stelt voorop dat het in de onderliggende strafzaak ontegenzeggelijk gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk het opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] door verdachte [verdachte] . Daarover bestaat geen discussie.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de gevorderde gegevens naar hun aard en omvang bekeken strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid.

Daarbij is het volgende van belang.

De door de officier van justitie gevorderde gegevens hebben betrekking op het 112-gesprek dat is gevoerd door de moeder van verdachte op de dag (20 januari 2025) dat het levenloze lichaam van het slachtoffer door verdachte is aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte en de vader van verdachte bij dit 112-gesprek van de moeder aanwezig waren. De moeder en de vader hebben bij de politie verklaard over de inhoud van het gevorderde 112-gesprek, de omstandigheden waaronder dit gesprek heeft plaatsgevonden, de emoties van verdachte op dat moment en de plek waar de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht werd gevonden. Indien nodig kunnen deze personen over de betreffende punten nog nader worden ondervraagd.

De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de onderliggende strafzaak tegen verdachte een uitvoerig einddossier is opgesteld, waarin verschillende potentiële bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevorderde gegevens andere, nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zodanig cruciaal is dat gesproken kan worden van een zeer uitzonderlijke omstandigheid waarin de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht dat de klaagster toekomt. Dat de gevorderde bandopname van het 112-gesprek het wellicht mogelijk maakt om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd (nader) te toetsen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend.

Andere zeer uitzonderlijke, zwaarwegende omstandigheden die zouden nopen tot doorbreking van het verschoningsrecht zijn gesteld noch gebleken.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het beklag daarom gegrond.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beklag gegrond;

  • -

    bepaalt dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding.

Rechtbank Noord-Nederland 14 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1191