Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 100326 ook in HB: Hof gaat uit van conclusies deskundige m.b.t. t.t.v. ongeval 3-jarig kind; ass. heeft ook volgens het hof met betaalde € 18.500 aan verplichtingen voldaan;

GHARL 100326 ook in HB: Hof gaat uit van conclusies deskundige ((kinder)neuroloog én psychiater) m.b.t. t.t.v. ongeval 3-jarig kind;
- ass. heeft ook volgens het hof met betaalde € 18.500 aan verplichtingen voldaan;
- hof volgt, evenals rb deskundige; NPO niet zinvol nu geen sprake is van hersenbeschadiging;
- geen aan asr te verwijten oneerlijke gang van zaken t.a.v. (al dan niet aanwezige) financiële onmogelijkheid zélf medisch advies te vragen;
 

in vervolg op
RBGEL 221123 geen reden te twijfelen aan conclusies deskundige ((kinder)neuroloog én psychiater) m.b.t. ttv ongeval 3-jarig kind;
- ass. heeft met betaalde € 18.500 aan verplichtingen voldaan
- rb volgt deskundige; NPO niet zinvol nu geen sprake is van hersenbeschadiging
- beroep op fair trail equalitaty of arms vanwege financiële onmogelijkheid zélf medisch advies te vragen faalt

2De kern van de zaak en de beslissing van het hof

2.1.

[appellant] is [in] 2008, toen hij 3 jaar oud was, door een auto aangereden. De automobilist was ingevolge de WAM verzekerd bij ASR. ASR heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor de gevolgen van het ongeval erkend. ASR heeft € 18.500 (inclusief € 7.500 aan kosten) vergoed. In deze procedure gaat het om de vraag of [appellant] – bovenop hetgeen ASR aan schade heeft vergoed – schade heeft geleden als gevolg van het ongeval.

2.2.

ASR heeft bij de rechtbank (in conventie) gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij met betaling van € 18.500 volledig is gekweten en de schade van [appellant] vergoed moet worden geacht. [appellant] heeft (in reconventie) gevorderd dat wordt bepaald dat ASR meewerkt aan een deskundigenonderzoek en wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schade en buitengerechtelijke kosten.

2.3.

De rechtbank heeft - nadat eerst een deskundigenbericht is ingewonnen - de door ASR gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is, zo begrijpt het hof, dat de vorderingen van ASR, al dan niet na instructie, alsnog wordt afgewezen en de vordering van [appellant] wordt toegewezen.

2.4.

Het hof zal beslissen dat de bezwaren van [appellant] tegen de beslissing van de rechtbank niet opgaan en licht dat hierna toe. Het eindvonnis van de rechtbank blijft dus in stand.

3De toelichting op de beslissing van het hof

3.1

Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld in het tussenvonnis van 23 juni 2021 onder 2.1 – 2.15.

3.2

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] door de aanrijding in ieder geval hoofdletsel en een gescheurde tong heeft opgelopen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij als gevolg van het ongeval ook hersenletsel heeft opgelopen en dat hij heeft gekampt en nog steeds kampt met cognitieve klachten en gedragsproblemen bestaande uit concentratie-, autoriteits- en agressieproblemen. Hij heeft daardoor onder andere een opleiding op een lager niveau gevolgd dan zonder ongeval het geval zou zijn geweest en dat geldt ook voor zijn vervolgopleiding en toekomstperspectieven. ASR betwist dat [appellant] als gevolg van het ongeval blijvende (fysieke of mentale) schade lijdt en heeft geleden (dan de schade die al is vergoed).

3.3.

De rechtbank heeft voor de beantwoording van de vraag of sprake is van (blijvend) letsel door het ongeval met instemming van partijen neuroloog en psychiater
dr. [deskundige1] benoemd in het tussenvonnis van 15 december 2021. De rechtbank heeft het aan deze deskundige overgelaten om te bepalen of een neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd is. De deskundige heeft in zijn definitieve rapport kort gezegd geconcludeerd dat op neurologisch en psychiatrisch vakgebied geen sprake is van functieverlies. De deskundige zag geen aanleiding voor een neuropsychologisch onderzoek omdat niet is gebleken van hersenschade. De rechtbank heeft in het eindvonnis de bezwaren van [appellant] tegen het deskundigenbericht beoordeeld en geconcludeerd dat de bezwaren niet voldoende steekhoudend zijn. De rechtbank heeft de conclusies van de deskundige overgenomen en, zoals gezegd, de vordering van ASR toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.4.

Met die beoordeling is [appellant] het niet eens en het standpunt in hoger beroep komt er in de kern op neer dat het hof om diverse redenen niet (zonder meer) van de inhoud van het deskundigenbericht kan uitgaan. Het hof zal de bezwaren van [appellant] achtereenvolgens behandelen.

oneerlijke procedurele gang van zaken rondom het deskundigenbericht

3.5.

[appellant] heeft net als in de rechtbankprocedure ook in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is geweest om, net als ASR, een medisch adviseur in te schakelen om het (concept)rapport van de deskundige te laten beoordelen. ASR heeft namelijk geweigerd de kosten van de medisch adviseur voor deze beoordeling te betalen waardoor [appellant] niet in de gelegenheid was een medisch adviseur in te schakelen en hij niet in staat was om zijn standpunten op gelijke wijze te onderbouwen als ASR. Daardoor is geen sprake van een eerlijke procedure (equality of arms). In een andere zaak heeft ASR die kosten wel vergoed en daar volgt uit dat ASR verantwoordelijk is voor de kosten van een onafhankelijk medisch advies. [appellant] bepleit dat hij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om een medisch advies in te winnen voordat tot beoordeling van het deskundigenbericht wordt overgegaan.

3.6.

Het hof oordeelt als volgt. In de akte van 3 maart 2021 schrijft (de advocaat van) [appellant] dat hij de vragen die de rechtbank in het tussenvonnis van 4 november 2020 noemt als onderwerpen die tijdens de mondelinge behandeling besproken kunnen worden heeft voorgelegd aan zijn medisch adviseur mevr. dr. [naam1] , die daarop het nodige commentaar heeft geleverd.

[appellant] heeft op het conceptrapport van de deskundige van 9 september 2022 uitvoerig gereageerd. In die reactie staat onder punt 20 “volgens de medisch adviseur die ik heb gesproken” waarna op een heel aantal medisch inhoudelijke punten staat wat deze medisch adviseur van de bevindingen en conclusies van de deskundige vindt en waarom – vanuit medisch perspectief - bepaalde bevindingen en conclusies van de deskundige volgens de medisch adviseur niet kloppen. Het hof verwijst hiervoor naar de punten 20 tot en met 30 van de uitvoerige reactie waarin steeds wordt aangehaald welke vragen en opmerkingen er zijn “volgens de medisch adviseur”. De deskundige heeft vervolgens in zijn definitieve rapport van 4 december 2022 op deze punten gereageerd.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de reactie van [appellant] ten minste dat een medisch adviseur het conceptrapport heeft bestudeerd en een inhoudelijke reactie daarop kenbaar heeft gemaakt aan de advocaat van [appellant] . Deze reactie is door de deskundige in zijn definitieve rapport verwerkt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] verklaard dat hij het conceptdeskundigenbericht inderdaad door een medisch adviseur heeft laten lezen, dat de medisch adviseur mondeling zijn visie heeft teruggekoppeld en dat de advocaat dit toen heeft genoteerd. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de inhoud van de reactie dat de medisch adviseur een vrij grondige terugkoppeling heeft gegeven en valt uit de inhoud van de reactie af te leiden dat [appellant] hierdoor weldegelijk in staat was, zoals hij ook heeft gedaan, zijn standpunten ten aanzien van de inhoud van het deskundigenbericht (medisch) goed te verwoorden en te onderbouwen.

3.7.

Maar zelfs als moet worden aangenomen dat de terugkoppeling van de medisch adviseur niet als een volwaardig medisch advies kan worden gekwalificeerd, gaat het standpunt van [appellant] niet op. Daarvoor is het volgende van belang. De advocaat van [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling op vragen van het hof verklaard dat hij aan ASR heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van de medisch adviseur en daarbij zou hij aan ASR hebben gezegd dat zijn client dat advies zelf niet kon bekostigen. ASR heeft daarop verklaard dat de advocaat van [appellant] uitsluitend heeft gevraagd de kosten van een medisch advies te vergoeden. ASR heeft dat geweigerd omdat niet langer sprake was van een buitengerechtelijke fase, er voor haar daardoor geen verplichting bestond om de kosten van de medisch adviseur te vergoeden en [appellant] deze kosten uit het reeds betaalde voorschot op schade en buitengerechtelijke kosten diende te (kunnen) voldoen. De advocaat van [appellant] heeft niet onderbouwd dat hij zijn verzoek aan ASR om voldoening van de kosten van een medisch advies mede heeft onderbouwd met de uitleg dat de ouders van de toen nog minderjarige [appellant] niet in staat waren die kosten te voldoen, dat (en waarom) de kosten niet uit het voorschot op de schade en buitengerechtelijke kosten kon worden voldaan en dat hij, wanneer ASR zou weigeren deze kosten te voldoen, niet in staat was zich van medisch advies te voorzien. Ook is niet toegelicht wat de kosten zouden zijn van de eigen medisch adviseur. Er is ook geen correspondentie in het geding gebracht waaruit de inhoud van het verzoek van de advocaat van [appellant] blijkt. Om te kunnen spreken van een (aan ASR te verwijten) oneerlijke procedurele gang van zaken dient in een geval als dit, waarin de aansprakelijkheid vaststaat en in het kader van de bepaling van de ongevalsgerelateerde schade de inzet van een medisch adviseur aangewezen is, ten minste vast te staan dat ASR wist dat [appellant] niet in staat was een medisch adviseur te betalen. Dat van een dergelijke onmogelijkheid sprake was, is niet onderbouwd en dat die gestelde onmogelijkheid aan ASR duidelijk is gemaakt, is niet gebleken. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat sprake is van een aan ASR te verwijten oneerlijke procedurele gang van zaken. Het hof ziet daarom geen reden om [appellant] de gelegenheid te geven (nader) medisch advies in te winnen over het deskundigenbericht.

Bewustzijnsverlies, hersenletsel, neuropsychologisch onderzoek

3.8.

De deskundige heeft geoordeeld dat geen sprake is van licht traumatisch hersenletsel maar van hoofdletsel en ziet daarom geen aanleiding om een neuropsychologisch onderzoek te laten uitvoeren. De deskundige is er daarbij volgens [appellant] vanuit gegaan vanuit gegaan dat geen sprake is geweest van bewustzijnsverlies. [appellant] heeft in hoger beroep met zijn vierde grief aangevoerd dat wél sprake is geweest van bewustzijnsverlies en dat de deskundige dat in zijn beoordeling had moeten betrekken. [appellant] heeft gewezen op de verklaring van de vader van [appellant] en hij biedt (zo begrijpt het hof de vordering onder 3 en 4 van [appellant] ) aan zijn moeder en de getuige die direct na het ongeval ter plaatse was, als getuigen te horen over het bewustzijnsverlies. Het hof begrijpt de grief aldus dat de vraag of sprake is geweest van bewustzijnsverlies van belang is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van licht traumatisch hersenletsel (LTH). Het hof oordeelt als volgt.

3.9.

De deskundige schrijft in zijn rapport (p. 16 e.v.):
De volgende informatie is voor mijn neurologische expertise van belang. Uit het bij een ooggetuige opgetekende proces-verbaal (deze getuige was bij betrokkene tot een ambulancebroeder arriveerde) en uit de op 9-4-2018 door de kinderarts afgenomen anamnese blijkt dat betrokkene na het ongeval niet bewusteloos is geweest en dat hij met het ongeval schaafwonden boven het re oog en op de re wang opliep (…). Vader zegt mij, dat hij op 10 min. na het ongeval ter plaatse was, dat de getuige toen al weg was en zijn zoon toen bewusteloos was. Vervolgens zei vader mij dat hij van de politie zijn zoon wakker moest houden en dat dit lukte.
De CT cerebrum 7-4-2008 en MRI hersenen 29-08-2008 (…) hebben geen posttraumatische intracraniële afwijkingen aan het licht gebracht.
(…)
(p. 18 e.v.)
Beschouwing: Als deskundige ga ik op neurologisch vakgebied uit van de volgende feiten. (…)
Betrokkene was 3,8 jaar oud ten tijde van het ongeval d.d. 7-4-2008. Thans is hij 17 jaar oud. Vader vertelt mij tegenstrijdige dingen over het bewustzijn van betrokkene op de plaats van het ongeval (…) vader kwam 10 min. na het ongeval ter plaatse en trof zijn zoon bewusteloos aan; de politie vroeg hem om zijn zoon wakker te houden, wat lukte). In het proces-verbaal 7-4-2008 staat dat de getuige die het ongeval heeft zien gebeuren en daarna zorgde dat betrokkene stil bleef liggen en zijn hoofd vasthield, zei: ”Ik zag dat het kind bij kennis was en ik hoorde hem huilen”.
Uit een in het dossier aanwezige politieverklaring blijkt dat de aanrijding plaatsvond om 15.59 u. Uit de brief van 7-4-2008 van SEH Radboud blijkt dat betrokkene daar om 16.47 u arriveerde, volgens trauma-protocol is opgevangen en ABCDE stabiel bleek (dat betekent alert) met een EMV maximaal (dus 15). “De EMV-score wordt bij voorkeur bepaald na stabilisatie van vitale functies tijdens opvang op de SEH.” Uit het verpleegkundig dossier van de SEH blijkt dat om 17.06 er ABCD geen sprake was van afwijkingen (dus alert) en betrokkene zuurstof kreeg via non rebreathing mask, en dat hij om 17:16 u is geïntubeerd. Kinderarts [naam2] schrijft op 9-4-2008 als anamnestische informatie hoe betrokkene er aan toe was na het ongeval: ‘geen bewustzijnsverlies gehad”. In de aanvraag voor de om 17.40 u gemaakte CT cerebraal staat “LTSH categorie 3 i.v.m. hoofdwond en wisselende bewustzijn, contusioneel/somnolent”(naar mag worden aangenomen is deze CT onder verantwoordelijkheid van de SEH-arts aangevraagd, die zelf noteerde ABCD stabiel en EMV maximaal). Ook kan aan “Wisselend bewustzijn en contusioneel/somnolent” niet het gewicht worden toegekend van EMV-beoordelingen (“Bij het afnemen van de EMV is het wel belangrijk om dit gefaseerd en systematisch te doen”.) Tussen het ongeval om 15.59 u en de intubatie om 17:16 u zijn er aansluitend het PV van de getuige en de beoordelingen door professionals. (…)
De huidige richtlijn Licht traumatisch hoofd/hersenletsel (LTH) is uit 2010 en baseert zich op [naam3] . [naam4] doet dat ook en legt LTH als volgt uit: “In essentie is LTH geen diagnose, maar geeft het een aantal voorwaarden waaraan LTH moet voldoen. Patiënten met LTH kunnen een ernstige uitkomst hebben, zoals zorgafhankelijk zijn of overlijden. Dit komt gelukkig weinig voor, maar het is belangrijk te realiseren dat de term ‘licht” dus niet slaat op de uitkomst. Volgens de criteria van de WHO (…) mogen patiënten met LTH bij
de beoordeling een EMV van 13-15 hebben, met posttraumatisch bewustzijnsverlies van max 30 min. en een posttraumatische anterograde amnesie (PTA) van maximaal 24 u. Daarmee is mijn conclusie dat het ongeval van 7-4-2008 bij betrokkene hoofdtrauma veroorzaakte en niet licht traumatisch hersenletsel.(…)
Ik heb de direct na het ongeval na het ongeval gemaakte CT hersenen 7-4-2008 en de MRI hersenen 29-8-2008 samen met een mij bekende neuroradioloog beoordeeld: net als de radiologen die destijds beoordeelden zien wij [in] de beeldvorming geen aanwijzingen tonen voor posttraumatisch hersenletsel. Ook vinden wij dat (met de MRI) de juiste technieken zijn toegepast om mogelijke contusiehaarden of microbloedingen in beeld te krijgen.
Omdat er sprake is van hoofdtrauma en adequate beeldvorming geen posttraumatisch hersenletsel toont heeft het geen zin om mw [naam5] te vragen om (met de NVN-standaardvraagstelling) een NPO (neuropsychologisch onderzoek, toev. hof) te doen. Mocht zij immers cognitieve stoornissen vinden, dan zijn die niet terug te voeren op hersenbeschadiging, dus zal met de NVN-richtlijn Functieverlies 2020 geen functieverlies zijn toe te kennen.

3.10.

De deskundige is dus op basis van de toepasselijke LTH-richtlijn 2010 tot de conclusie gekomen dat, gelet op de voorwaarden die gelden voor de diagnose LTH, geen sprake is van LTH maar van hoofdtrauma. Die voorwaarden zijn een EMV van 13 tot 15, posttraumatisch bewustzijnsverlies van maximaal 30 minuten en een posttraumatische anterograde amnesie (PTA; dit is een vorm van geheugenverlies waarbij iemand na een hersenbeschadiging geen nieuwe herinneringen meer kan vormen) van maximaal 24 uur. Omdat niet aan al deze voorwaarden is voldaan – de deskundige doelt daarmee naar het hof aanneemt niet alleen op het posttraumatische bewustzijnsverlies, maar ook op een posttraumatische anterograde amnesie en een EMV van 13 tot 15, waar die van [appellant] 15 was – is van LTH geen sprake. De deskundige ziet dat bevestigd in de CT en de MRI die zijn gemaakt en waaruit geen posttraumatisch hersenletsel blijkt. Of sprake was van (wisselend) bewustzijnsverlies, zoals [appellant] stelt en aanbiedt te bewijzen door het horen als getuige van zijn moeder en een getuige die na het ongeval ter plaatse was, is voor de vraag of sprake is van licht traumatisch hersenletsel dus niet bepalend omdat de deskundige zijn conclusie dat geen sprake is van licht traumatisch hersenletsel niet uitsluitend baseert op het ontbreken van bewustzijnsverlies maar ook op het ontbreken van posttraumatische anterograde amnesie, de EMV en de beeldvorming die geen aanwijzing geeft voor posttraumatisch hersenletsel. Daarom is de beoordeling van de vraag of sprake is van bewustzijnsverlies en het aanbod om dat met getuigen te bewijzen, niet relevant en gaat het hof daaraan voorbij. Voor de getuige die na het ongeval ter plaatse was geldt daarnaast nog dat deze getuige direct na het ongeval al een verklaring heeft afgelegd tegenover de politie. [appellant] heeft niet aangegeven in hoeverre deze getuige, 18 jaar na het ongeval, nog meer of anders kan verklaren dan zij heeft gedaan. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod van [appellant] .

3.11.

Dat betekent dat het hof net als de rechtbank uitgaat van de conclusies van de deskundige en dat, nu geen sprake is van licht traumatisch hersenletsel er geen grond is om een neuropsychologisch onderzoek te laten doen naar de (neuropsychologische) gevolgen van het ongeval. Ook als er cognitieve stoornissen zouden zijn gevonden, zijn die immers niet zomaar terug te voeren op een hersenbeschadiging, zo heeft de deskundige geschreven. [appellant] heeft dat niet althans niet gemotiveerd bestreden. [appellant] heeft in zijn tweede grief nog weer herhaald waarom hij een neuropsychologisch onderzoek toch aangewezen vindt – de medische en psychologische aspecten moeten worden onderzocht en worden betrokken bij de beoordeling – maar dat laat onverlet dat eventuele stoornissen niet tot een door het ongeval veroorzaakte hersenbeschadiging kunnen worden herleid. Het hof verwijst verder naar hetgeen de rechtbank hierover onder 2.36 tot en met 2.38. heeft overwogen en neemt dit over.

overige bezwaren tegen het deskundigenbericht
3.12. [appellant] heeft in zijn eerste grief een aantal bezwaren tegen de (deskundigheid van de) deskundige en het deskundigenbericht aangevoerd die hij heeft gerubriceerd onder de kopjes 1) gebrek aan expertise, 2) twijfels over deskundigheid, 3) onzorgvuldigheid en vooringenomenheid van het onderzoek, 4) noodzaak van gespecialiseerde beoordeling, 5) instemming van de partijen met betrekking tot de benoeming of competentie deskundige, leidend tot de conclusie dat de deskundige een nieuw onderzoek moet uitvoeren dan wel een nieuwe deskundige met specifieke expertise in de kinderneurologie en psychiatrie moet worden benoemd.

3.13.

Deze bezwaren die in hoger beroep zijn aangevoerd stemmen overeen met de bezwaren die [appellant] in de conclusie na deskundigenbericht heeft aangevoerd en die de rechtbank in het eindvonnis onder 2.13. heeft opgesomd en heeft beoordeeld in rov. 2.14. tot en met 2.35. [appellant] heeft daaraan in hoger beroep niet of nauwelijks nieuwe argumenten toegevoegd. Het hof is het eens met de beoordeling door de rechtbank van die bezwaren, verwijst daarnaar en neemt die over. Voor zover [appellant] op een enkel punt een nieuw argument heeft toegevoegd heeft hij dit niet of nauwelijks onderbouwd en gaat het hof daaraan voorbij.

De conclusie

3.14.

Het hoger beroep slaagt niet. De vorderingen van [appellant] worden afgewezen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1466