RBOBR 080726 lelieteelt; rb gelast desk. bericht over relatie blootstelling en neurodegeneratieve aandoeningen en te nemen voorzorgsmaatregelen
RBOBR 080726 lelieteelt; bijzondere zorgplicht t.a.v. gebruik gewasbeschermingsmiddelen; plausibel vermoeden van neurotoxische gezondheidsrisico's
- rb gelast desk. bericht over relatie blootstelling en neurodegeneratieve aandoeningen en te nemen voorzorgsmaatregelen
2De feiten
2.1.
[eisers] wonen sinds 2004 met hun gezin aan de [adres] .
2.2.
Het perceel van [eisers] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] , is omgeven door percelen landbouwgrond. Het direct naast- en achtergelegen perceel, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] (hierna: [kadastrale aanduiding 2] ), is eigendom van [gedaagde] .
2.3.
De kadastrale kaart waarin voormelde percelen zichtbaar zijn, is onderstaand weergegeven:
2.4.
Op [kadastrale aanduiding 2] werd door/namens [gedaagde] vóór 2024 voornamelijk maїs verbouwd. In 2024 is voormeld perceel voor het eerst gebruikt voor de lelieteelt. [gedaagde] heeft [kadastrale aanduiding 2] daartoe aan [C] B.V. (hierna: [C] ) in gebruik gegeven.
2.5.
[A ] exploiteert onder meer een gewasbeschermingsbedrijf en heeft in opdracht van [C] in 2024 de gewassen verzorgd op [kadastrale aanduiding 2] , waartoe zij ten behoeve van de lelieteelt verschillende soorten gewasbeschermingsmiddelen heeft gebruikt.
2.6.
Een e-mail van 22 mei 2024 van [eisers] aan [gedaagde] luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
Willen graag weten welke gewasbeschermers en/of biocides er mogelijk gebruikt zouden kunnen worden aansluitend aan ons perceel tbv de lelieteelt. De reden is om uit te sluiten dat er bestrijdingsmiddelen worden gebruikt die kans op gezondheidsschade voor omwonende kan veroorzaken. Dit staat los of deze op de CTGB lijst staan.
(…)”
2.7.
Namens [gedaagde] heeft [A ] daar bij e-mail van 23 mei 2024 onder meer als volgt op gereageerd:
“(…)
De middelen welke mogelijk nodig kunnen zijn voor een noodzakelijke behandeling in deze teelt kunt u vinden op de CTGB site (Dhr [gedaagde] heeft deze website eerder aan u doorgegeven begrijp ik), waarbij u kunt selecteren op een betreffende teelt.
Deze middelen zijn officieel toegelaten eerst door de Europese- en daar opvolgende de Nederlandse overheid, om te mogen gebruiken in deze teelt. Alleen indien nodig zetten wij deze gepast in en enkel volgens de voorschriften als de toelating voorschrijft.
Deze teelt is een geïntegreerde teelt (pas na scouten /constateren indien nodig ingrijpen), waarbij we op voorhand niet kunnen aangeven welke behandelingen nodig zijn.
(…)
Als u twijfels heeft of het niet eens bent met één van de toegelaten middelen welke we tot onze beschikking hebben, wil ik u vragen zich te richten tot de overheid / toelatingshouder / vergunningsverlener.
(…)”
2.8.
Voormelde reactie van [A ] vormde voor [eisers] reden om zich te wenden tot hun advocaat. Bij brief van 24 mei 2024 heeft de advocaat van [eisers] [A ] onder meer als volgt bericht:
“(…)
Cliënt is met zijn gezin woonachtig op perceel [woonplaats] , sectie [kadastrale aanduiding 1] aan de [adres] . [B] is doende lelies te kweken op perceel [woonplaats] , sectie [kadastrale aanduiding 2] , eigendom van de heer [gedaagde] . Dat perceel omsluit het perceel van cliënt aan de gehele onderkant van dat perceel.
Onderdeel van de lelieteelt is dat lelies met een grote regelmaat en tot het einde van het teeltseizoen bespoten worden met gewasbeschermingsmiddelen. (…) Cliënt vreest voor de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van zichzelf en van zijn gezin als [B] de lelies blijft bewerken met gewasbeschermingsmiddelen.
Cliënt is ermee bekend geraakt dat [B] verantwoordelijk is voor de teelt van de lelies op voornoemd perceel en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. (…)
(…)
De vrees van cliënt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s is reëel. Gewasbeschermingsmiddelen worden in verband gebracht met ernstige neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson, Alzheimer en ALS en ontwikkelingsschade bij kinderen. Door het gebruik ontstaat het risico op ernstige gezondheidsschade op de langere termijn. Ik wijs erop dat autoriteiten zoals het Ctgb, de EFSA, het RIVM en de Gezondheidsraad hebben erkend dat de middelen niet voldoende worden getest op schadelijke neurodegeratieve effecten. Ook wordt er niet getest voor cocktails van gewasbeschermingsmiddelen.
Het voorgaande is reden dat cliënt [B] zal verzoeken om de teelt vanaf heden niet meer te bewerken met gewasbeschermingsmiddelen. Namens cliënt verzoek – en voor zover nodig sommeer – ik u vriendelijk om uiterlijk maandag voor 17:00 uur aan mij schriftelijk opgave te doen van de gewasbeschermingsmiddelen die reeds zijn gebruikt. Ik verzoek – en voor zover nodig sommeer ik u eveneens vriendelijk om uiterlijk maandag voor 17:00 uur mij schriftelijk te bevestigen dat [B] binnen 24 uur stopt met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt op het hiervoor genoemde perceel.
Voor zover [B] niet ingaat op de voornoemde verzoeken, wijs ik u erop dat cliënt zich het recht voorbehoudt om in kort geding een verbod te vorderen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt vermeerderd met een dwangsom. (…)
(…)”
2.9.
[A ] heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken/sommaties van [eisers]
2.10.
[eisers] hebben [A ] vervolgens op 18 juni 2024 in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Zij hebben gevorderd dat het [A ] zal worden verboden om op [kadastrale aanduiding 2] gewasbeschermingsmiddelen toe te passen ten behoeve van de lelieteelt, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eisers] op grond van een gemaakte belangenafweging afgewezen, waarbij onder meer het volgende is overwogen:
“(…)
4.20.
Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen de omstandigheid dat de gezondheidsrisico’s die [eisers] (op langere termijn) mogelijk loopt als gevolg van het voortgezet gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op het buurperceel van [eisers] , thans zelfs niet bij benadering kunnen worden ingeschat en [A ] voorts diverse – hiervoor besproken – maatregelen heeft getroffen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de mogelijk nadelige effecten op de directe leefomgeving zoveel als mogelijk te beperken weegt het belang van [A ] om nog de resterende weken van dit teeltseizoen de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen te kunnen blijven gebruiken (in de door hem aangegeven hoeveelheden) zwaarder dan het belang van [eisers] bij een (onmiddellijk) verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen teneinde verschoond te blijven van die vooralsnog in velerlei opzichten onzekere gezondheidsrisico’s, mede in aanmerking nemende dat het voorzorgsbeginsel niet er toe strekt ieder risico uit te sluiten.
4.21.
De omstandigheid dat [A ] onweersproken heeft gesteld dat er na de oogst in oktober 2024 de komende 8 á 10 jaar geen lelieteelt meer op het betreffende perceel zal plaatsvinden, geeft [eisers] bovendien de tijd om in een bodemprocedure – met alle daaraan verbonden mogelijkheden tot het vaststellen van feiten middels het horen van getuigen en het inwinnen van deskundigenberichten – duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of en in hoeverre de inzet van gewasbeschermingsmiddelen in zijn directe woonomgeving voor de teelt van landbouwgewassen toelaatbaar is te achten, gelet op de mogelijk daaraan verbonden risico’s voor de gezondheid op de korte, middel- en lange termijn. De kort gedingprocedure is daarvoor niet toegerust, gericht als zij is op het binnen een kort tijdbestek genereren van een ordemaatregel, uitgaande van veelal summiere en lang niet altijd vaststaande feiten.
(…)”
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade;
II. zal bepalen dat [gedaagde] - op zijn kosten - binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis medewerking verleent aan de vestiging van een erfdienstbaarheid op het Perceel (dienend erf) ten behoeve van perceel [kadastrale aanduiding 1] (heersend erf) om het dienend erf in de periode van twintig jaar na dit vonnis niet te bewerken of te laten bewerken in de ruimste zin van het woord met de middelen Fresco, Goltix, Split protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech, Delmametrin en Sivanto Prime dan wel met de werkzame stoffen daarin ten behoeve van de lelieteelt of ten behoeve van andere (sier)teelt, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van [gedaagde] zoals bedoeld in artikel 3:300 BW, in welk geval de notariële en kadastrale kosten voor rekening van [gedaagde] komen, althans zal bepalen dat het vonnis inschrijfbaar is in de openbare registers van het kadaster zoals bedoeld in artikel 3:17 lid 1 BW;
subsidiair
III. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade;
IV. [gedaagde] zal verbieden om het Perceel de komende twintig jaar na dit vonnis te bewerken of te laten bewerken in de ruimste zin van het woord met de middelen Fresco, Goltix, Split protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech, Delmametrin en Sivanto Prima dan wel met de werkzame stoffen daarin ten behoeve van de lelieteelt of ten behoeve van andere (sier)teelt;
V. zal bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per dag of dagdeel voor zover [gedaagde] in strijd handelt of laat handelen met het onder IV gevorderde, met een maximum van € 500.000,00;
primair en subsidiair
VI. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van hun vorderingen, althans - bij toewijzing van de vorderingen van [eisers] - het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De bevoegdheid van de rechtbank
4.1.
In deze zaak is Europese regelgeving van belang, waaronder de Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen (EG) 1107/2009 (hierna: Vo 1107/2009). Vo 1107/2009 heeft tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de communautaire landbouw te vrijwaren. Vo 1107/2009 schrijft daartoe procedures voor. Deze procedures houden in dat de EFSA (de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna: EFSA) een risicobeoordeling uitvoert van stoffen die een producent op de markt wil brengen, dat de Europese Commissie het risicobeheer uitvoert en de uiteindelijke beslissing over een werkzame stof neemt, en dat een door de lidstaten aan te wijzen nationale instantie beslist over de toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een aldus goedgekeurde werkzame stof bevat op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat. In Nederland is die instantie het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: het Ctgb).
4.2.
Een beslissing van het Ctgb over de toelating van een gewasbeschermingsmiddel in Nederland vindt plaats met een bestuursrechtelijk besluit (artikel 3 lid 10, Vo 1107/2009). Datzelfde geldt voor een beslissing tot intrekking of wijziging van een beslissing tot toelating. Een besluit over de toelating van een gewasbeschermingsmiddel op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Wgb) is geen beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar een besluit van algemene strekking. Een omwonende die wijziging van een toelatingsbesluit van het Ctgb wil, bijvoorbeeld aanpassing van de gebruiksvoorschriften, zodanig dat het middel niet binnen een bepaalde afstand van die omwonende mag worden gebruikt (artikel 44 lid 3 sub d, Vo 1107/2009) is geen belanghebbende in de zin van de Awb (CBB 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358). De bestuursrechter biedt aldus geen rechtsbescherming tegen besluiten van het Ctgb voor een omwonende die het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in zijn nabijheid wil laten verbieden, zoals in deze zaak het geval is.
4.3.
De artikelen 69, 70 en 71 Vo 1107/2009 regelen de wijze waarop noodmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer duidelijk is dat een goedgekeurde werkzame stof of een overeenkomstig deze verordening toegelaten gewasbeschermingsmiddel waarschijnlijk een ernstig risico inhoudt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Inwoners van een lidstaat komt geen beroep op deze bepalingen toe, omdat deze bepalingen niet tot hen zijn gericht en hen geen bevoegdheden toekennen. Artikel 39 Wgb biedt het Ctgb een gelijke bevoegdheid als die is opgenomen in artikel 71 Vo 1107/2009. Rechtsbescherming door de nationale rechter zal in al deze gevallen door de burgerlijke rechter moeten geschieden, omdat het al dan niet gebruik maken van bevoegdheden niet met een besluit in de zin van de Awb gepaard zal gaan, zoals hiervoor uiteen is gezet.
4.4.
De rechtbank memoreert verder dat artikel 73 Vo 1107/2009 bepaalt dat het verlenen van een toelating en alle andere maatregelen overeenkomstig deze verordening geen afbreuk doet aan de algemene burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid in de lidstaten van de producent en, indien van toepassing, van de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen of het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel.
4.5.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
4.6.
Bij gebreke van rechtsbescherming door een andere rechter dan de burgerlijke rechter in een geval als hier aan de orde, is de rechtbank als burgerlijke “restrechter” bevoegd de vordering van [eisers] te behandelen en zijn zij ontvankelijk. [eisers] kunnen zich weliswaar ook tot de wetgever richten, maar die biedt geen rechtsbescherming op korte termijn, waartoe de burgerlijke rechter wel bevoegd is in dit geval (zie gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043).
Ontvankelijkheid
4.7.
[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eisers] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen tegen [gedaagde] , omdat de vennootschap onder firma [handelsnaam gedaagde] V.O.F. (hierna: de VOF) aangesproken had moeten worden. De VOF exploiteert volgens [gedaagde] [kadastrale aanduiding 2] .
4.8.
[eisers] voeren daartegen aan dat zij op 25 maart 2025 aan de advocaat van [gedaagde] duidelijk hebben gevraagd om hen te informeren of [kadastrale aanduiding 2] aan een derde in gebruik is gegeven alsmede om de identiteit van deze derde kenbaar te maken en te vermelden wat de titel van het gebruik van [kadastrale aanduiding 2] is. [gedaagde] heeft vervolgens op 9 juli 2025 (via zijn advocaat) aangegeven dat hij eigenaar is van [kadastrale aanduiding 2] en dat het aan een derde in gebruik is gegeven voor landbouwactiviteiten, zonder kenbaar te maken wie dit is. [gedaagde] heeft daarbij ook gesteld dat hij geen bemoeienis heeft met deze activiteiten.
4.9.
De rechtbank gaat aan het ontvankelijkheidsverweer voorbij. [gedaagde] is eigenaar van [kadastrale aanduiding 2] en kan worden aangesproken op het gebruik daarvan. [gedaagde] heeft het in zijn macht om in te grijpen in de situatie en een mogelijk onrechtmatig handelen te stoppen. Dat volgt niet alleen uit zijn eigendomspositie, maar ook uit zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling. [gedaagde] heeft verklaard dat hij één van de twee vennoten is van de VOF. De andere vennoot is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D] - [gedaagde] B.V. (hierna: [D] BV). [gedaagde] is zelf de bestuurder van [D] BV. Daarnaast is hij ook één van de twee aandeelhouders van [D] BV. De andere aandeelhouder is zijn moeder, die een lijfrente geniet uit de vennootschap. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat hij de bespuiting en gewasbescherming betaalt en de lelies verkoopt. Dat [gedaagde] dit niet voorafgaand aan de procedure kenbaar heeft gemaakt aan [eisers] en hen zelfs onjuiste informatie hierover heeft verschaft, kan [eisers] niet worden tegengeworpen.
Het voorzorgsbeginsel
Het standpunt van [eisers]
4.10.
[eisers] voeren primair aan dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel. Zij lichten toe dat [C] [A ] begin 2024 opdracht heeft gegeven om [kadastrale aanduiding 2] te bewerken met een enorme hoeveelheid aan gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt. Minst genomen, is het aannemelijk dat er, wetenschappelijk gezien, onzekerheid bestaat over de risico’s voor de gezondheid van de mens bij het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen, zoals die door [A ] zijn gebruikt in het groeiseizoen 2024. Dat geldt in ieder geval voor de middelen Fresco, Goltix, Split protec, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis protech en Delmametrin. Van deze middelen staat vast dat de werkzame stoffen neurotoxisch dan wel mogelijk neurotoxisch zijn. Die residuen zijn wijdverbreid op en om de bewerkte akker en dringen ook door tot het huisstof en de luchtfilters in huizen.
4.11.
In aansluiting op het voorgaande voeren [eisers] aan dat de norm van het Europeesrechtelijke voorzorgsbeginsel ook is gericht tot nationale rechters als organen van de lidstaten en dat zij onder omstandigheden een verbod uit kunnen spreken ten aanzien van het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Volgens [eisers] kan niet van hen worden verwacht dat zij wachten totdat de schadelijke gevolgen daadwerkelijk intreden. Dit zou betekenen dat zij pas vorderingen in kunnen stellen indien bij hen daadwerkelijk een diagnose kan worden gesteld. In dit verband beoogt het voorzorgsbeginsel juist bescherming te bieden voor situaties waarin het gewenst is om in een zo vroeg mogelijk stadium preventief in te grijpen om onacceptabele gevolgen voor de menselijke gezondheid te voorkomen, aldus [eisers]
Het verweer van [gedaagde]
4.12.
[gedaagde] voert daartegen aan dat het voorzorgsbeginsel zich niet leent voor een directe werking in een privaatrechtelijke rechtsverhouding. [eisers] miskennen dat artikel 191 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat de Europese Unie bij het bepalen van haar beleid rekening dient te houden met:
-
de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;
-
de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio’s van de Unie;
-
de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;
-
de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio’s.
Naar het oordeel van [gedaagde] kunnen [eisers] alleen een beroep doen op de bedoelde normen in de relatie tussen hen en de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat), die beslist over de toelating van een bepaald gewasbeschermingsmiddel. [eisers] hadden zich in het voorkomende geval op basis van het voorzorgsbeginsel moeten wenden tot de Staat, althans zij hadden ten overstaan van de bevoegde rechter het debat moeten voeren over de vraag of een gewasbeschermingsmiddel al dan niet terecht is toegelaten. Indien de aanleiding voor deze procedure zou zijn een voortschrijdend inzicht van een burger op grond waarvan een gevaarzetting moet worden geconstateerd, anders dan op basis van de eerdere inzichten waarop het Ctgb tot toelating heeft geadviseerd, is dat de partij waarmee het debat moet worden gevoerd. Alleen in dat geval wordt er een inhoudelijk debat gevoerd met de juiste en kwalitatief goede argumenten. [gedaagde] kan namelijk niet beschikken over de kennis, kunde en kwaliteiten die de Staat middels het Ctgb tot haar beschikking heeft, aldus [gedaagde] .
Het oordeel van de rechtbank
4.13.
De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van de vordering van [eisers] noodzakelijk is dat sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] als bedoeld in artikel 6:162 BW. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat het voorzorgsbeginsel van artikel 1 lid 4 Vo 1107/2009 niet kan dienen als zelfstandige grondslag voor de vordering(en) van [eisers] tegen [gedaagde] . De rechtbank verwijst naar wat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch daarover al heeft overwogen in zijn arrest van 22 juli 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2043). De rechtbank volgt de overwegingen van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en maakt die tot de hare. De betreffende overwegingen worden hieronder volledigheidshalve weergegeven:
“(…)
3.14. (…)
Het voorzorgsbeginsel van artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009 kan niet als zelfstandige grondslag dienen voor de vordering van de omwonenden tegen [appellante]. De bepalingen van Vo 1107/2009 waarin het voorzorgsbeginsel voorkomt regelen de bevoegdheden en verplichtingen van de bij de beoordeling betrokken autoriteiten, zoals de EFSA, de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals het Ctgb. Zij dienen in hun wetenschappelijke beoordeling rekening te houden met het voorzorgsbeginsel (Gerecht van de EU, 17 maart 2021, T-719/17, FMC Corporation/Europese Commissie, ECLI:EU:T:2021:143, r.o. 62-64). Zowel de Unierechter als de nationale rechter heeft binnen de systematiek van Vo 1107/2009 niet een zelfstandige rol om het voorzorgsbeginsel toe te passen, maar heeft een toetsingsbevoegdheid die beperkt is tot de vraag of er procedurele fouten zijn of een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt (HvJEU, 1 oktober 2019, C-616/17, Mathieu Blaise, ECLI:EU:C:2019:800, r.o. 50; Gerecht, FMC Corporation, reeds aangehaald, r.o. 91-95). De bepalingen in Vo 1107/2009 waarin het voorzorgsbeginsel is uitgewerkt zijn gericht aan de betrokken autoriteiten en derhalve niet gericht tot particulieren zoals [appellante] en de omwonenden. Hoewel EU-verordeningen in hun algemeenheid als rechtsinstrument rechtstreeks toepasselijk zijn en geen omzetting behoeven in nationaal recht, hebben bepalingen van een verordening die uitvoeringsmaatregelen behoeven geen directe werking en daarom kunnen particulieren zich niet op die bepalingen beroepen in een geschil dat aanhangig is bij een nationale rechterlijke instantie (HvJEU 28 oktober 2010, C 367/09, SGS Belgium (ECLI:EU:C:2010:648), r.o. 32-33). Het voorzorgsbeginsel zoals dat in de Vo 1107/2009 is opgenomen is immers gericht aan de betrokken autoriteiten wanneer zij uitvoeringsmaatregelen nemen, te weten de Europese Commissie wanneer zij werkzame stoffen goedkeurt of (later toch) verbiedt, respectievelijk de nationale autoriteiten wanneer zij gewasbeschermingsmiddelen weigeren of toelaten, al dan niet met beperkende maatregelen, dan wel die toelaten op een later tijdstip wijzigen of zelfs intrekken. Dat zijn de uitvoeringsmaatregelen waarbij de betrokken autoriteiten zich dienen te houden aan het voorzorgsbeginsel. Gelet hierop heeft artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009 geen directe werking in de horizontale verhouding tussen de omwonenden en [appellante].
3.15.
Voorts is onder ‘de lidstaten’ in artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009 naar het oordeel van het hof niet mede te verstaan ‘nationale rechterlijke instanties’ van de lidstaten, maar slechts de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die over de toelating gaan. Waar nationale rechterlijke instanties onder het EU-recht in beginsel tot de lidstaat worden gerekend waar het bijvoorbeeld gaat om het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, EU-verdrag, interpreteert het hof de term ‘lidstaat’ onder de verordening nauwer. Die nauwe(re) definitie van de term ‘lidstaten’ wordt namelijk bevestigd door de systematiek van de verordening waarbij steeds naar ‘lidstaat’ wordt verwezen wanneer het gaat om de autoriteit die de wetenschappelijke beoordeling maakt. De verordening schrijft procedureregels voor aan lidstaten, meer specifiek aan de toelatende autoriteiten, zoals het Ctgb en Europese instellingen. Bovendien wordt deze nauwere interpretatie ook bevestigd door het oordeel van de Europese rechters dat aan rechterlijke instanties binnen de systematiek van de verordening slechts een beperkte rechterlijke toetsing toekomt, zoals gedefinieerd in de reeds genoemde arresten in de Blaise- en FMC Corporation zaken. Noch in de overwegingen van Vo 1107/2009, noch in genoemd artikel of enig ander artikel van de verordening is ‘de rechtspraak’ als adressant te verstaan van het voorzorgsbeginsel zoals genoemd in artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009.
3.16.
De voorzieningenrechter baseert haar oordeel op het voorzorgsbeginsel en verwijst daarbij niet alleen naar artikel 1, lid 4, Vo 1107/2009, maar ook naar de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. Die laatste verordening is volgens haar artikel 1 evenwel alleen van toepassing op levensmiddelen. Volgens artikel 2, onder c, van deze verordening vallen planten vóór de oogst niet onder de definitie levensmiddel, laat staan dat lelies daaronder vallen. Daarom valt de onderhavige zaak buiten reikwijdte van deze verordening en is het daarin opgenomen voorzorgsbeginsel niet van toepassing in deze zaak.
Het voorzorgsbeginsel dat is neergelegd in artikel 191, lid 2, VWEU, artikelen 9 en artikel 168, lid 1, VWEU en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is gericht tot de instellingen van de EU wanneer zij wetgeving aannemen en uitvoeren (HvJEU, 1 oktober 2019, C-616/17, Mathieu Blaise, ECLI:EU:C:2019:800, r.o. 41 en 42). Omdat die bepalingen wetgevings- of uitvoeringsmaatregelen behoeven, missen zij rechtstreekse toepasselijkheid in een geschil tussen particulieren als in de onderhavige zaak.
3.17.
De Nederlandse civiele regelgeving wijst evenmin het voorzorgsbeginsel als zelfstand dragende rechtsgrond voor een dergelijke vordering aan. Dit brengt mee dat de Nederlandse rechter de vordering van de omwonenden niet op grond van toepassing van het voorzorgsbeginsel kan toewijzen. Dat neemt niet weg dat aan het voorzorgsbeginsel betekenis kan toekomen. Op grond van hetgeen de omwonenden hebben aangevoerd ligt ter beoordeling voor of het voorgenomen handelen van [appellante] kan worden aangemerkt als een handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Een dergelijke beoordeling vergt een waardering van alle relevante omstandigheden van het geval. Het toelatingssysteem voor gewasbeschermingsmiddelen van Vo 1107/2009 met het daarbij toepasselijke voorzorgsbeginsel is één van die omstandigheden.”
Onrechtmatig handelen?
Het standpunt van [eisers]
4.15.
Ter onderbouwing van hun vorderingen voeren [eisers] - samengevat - aan dat het (voorgenomen) gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt onrechtmatig is jegens hen, omdat de (genoemde) gewasbeschermingsmiddelen een negatieve invloed hebben op de gezondheid van mensen. De middelen worden onder meer in verband gebracht met ernstige neurodegeneratieve ziekten, zoals Parkinson, Alzheimer en ALS, wat blijkt uit diverse wetenschappelijke onderzoeken. Het feit dat die middelen zijn toegelaten door de Commissie en het Ctgb maakt niet dat aangenomen kan worden dat die middelen niet schadelijk zijn, aangezien onder meer het RIVM heeft geconcludeerd dat de huidige toelatingsprocedures tekortschieten waar het gaat om de beoordeling van neurotoxische effecten van het gebruik van (cocktails van) gewasbeschermingsmiddelen. De middelen waarmee [gedaagde] heeft laten spuiten c.q. voornemens is te laten spuiten ten behoeve van de lelieteelt, brengen dan ook voor [eisers] het risico mee op ernstige gezondheidsschade op de langere termijn. [gedaagde] (en zijn eventuele rechtsopvolger(s)) dien(t)de/dienen zich uit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid ten opzichte van hen te onthouden van het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt op zijn perceel.
4.16.
[eisers] voeren verder aan dat zij in het groeiseizoen 2024 zijn blootgesteld aan een hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die vele malen hoger ligt dan de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen waaraan zij normaliter - bijvoorbeeld bij de teelt van mais - zouden zijn blootgesteld. Die veel hogere blootstelling in combinatie bezien met de aantoonbare schadelijkheid van de gebruikte middelen - nog afgezien van de schadelijkheid van de door [A ] gemengde cocktails aan gewasbeschermingsmiddelen - maakt dat [eisers] aan een reëel gevaar voor hun gezondheid zijn blootgesteld. Hoewel [eisers] op dit moment niet kunnen aantonen dat door de mate van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen een neurodegeneratieve ziekte zich in hen ontwikkelt, menen zij dat het meer dan aannemelijk is dat de kans daarop enorm is toegenomen door het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen door [A ] in 2024. Zelfs een kortdurende hogere blootstelling, zoals in dit geval aan de orde is, kan - afhankelijk van het neurotisch mechanisme - al zorgen voor de initiatie van een neurodegeneratieve ziekte. Het voorgaande maakt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door hen geleden schade, aldus [eisers]
Het verweer van [gedaagde]
4.17.
[gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om het door hen gevorderde verbod toe te wijzen dan wel om tot vestiging van de door hen omschreven erfdienstbaarheid over te gaan. [gedaagde] voert daartoe - samengevat - aan dat [eisers] geen begin van bewijs hebben geleverd voor hun standpunt dat zij in de toekomst mogelijk gezondheidsschade zouden kunnen leiden als gevolg van het gebruik van wettelijk toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door [gedaagde] respectievelijk de door hem ingeschakelde loonwerker. De enkele verwijzing door [eisers] naar algemene bronnen, die niet zien op hun concrete situatie is daarvoor naar zijn oordeel onvoldoende. Om het risico van een bepaalde stof in te kunnen schatten, moet eerst worden beoordeeld in welke mate men aan die stof wordt blootgesteld. [eisers] hebben geen blootstellingsonderzoek laten doen, waardoor zij niet kunnen inschatten of, en zo ja in welke mate, zij worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Eerst wanneer duidelijk is aan welke stoffen [eisers] daadwerkelijk zijn blootgesteld, kan worden beoordeeld of en in welke mate dit tot gezondheidsrisico’s kan leiden.
4.18.
In aansluiting op het voorgaande voert [gedaagde] aan dat [eisers] wijzen op verschillende publicaties, zoals krantenartikelen en rapporten, om de mogelijkheid van blootstelling aan te tonen. Het door [eisers] overgelegde rapport Meten = Weten is een verslag van onderzoeksproject Schone Sier, waarbij in 2022-2023 metingen zijn verricht in de lucht en eikenblad in Drenthe en op de Veluwe. Dit rapport zegt niets over de locatie waar [eisers] wonen. Voor de wel onderzochte locaties wordt nader onderzoek aanbevolen, maar er zijn onvoldoende resultaten verkregen om de daadwerkelijke (langetermijn)effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de menselijke gezondheid vast te stellen. Ook het door [eisers] overgelegde rapport van het RIVM (2019-0052) biedt geen houvast voor hun stellingen. Uit dit onderzoek kwamen geen gezondheidsproblemen naar voren, die samenhingen met de bollenteelt. Verder blijkt uit het door [eisers] genoemde artikel van Silva (et al) evenmin wat de concrete langetermijneffecten zijn van de middelen die door/namens [gedaagde] voor slechts de duur van één teeltseizoen werden gebruikt op het onderhavige landbouwperceel. Hoe gevaarlijk een actieve stof is, zegt niets over het gevaar bij de toepassing daarvan, aangezien een en ander afhankelijk is van de concentratie, de hulpstoffen, de momenten en de duur van de blootstelling. Al deze factoren zijn in het geval van [eisers] beperkt, zodat het risico op gezondheidsschade gering is.
4.19.
[gedaagde] merkt op dat de door/namens hem gebruikte middelen breed worden ingezet in de land- en tuinbouw. Veel van de middelen - mits deze toegelaten zijn - worden gebruikt bij de teelt van aardappelen, uien, wortelen en andere groenten. Het is de Nederlandse Staat - na advisering door het Ctgb - die beslist of een middel wordt toegelaten en op welke wijze het moet worden toegepast. [eisers] hebben niet gesteld, laat staan bewezen, dat [A ] zich niet zou hebben gehouden aan de wettelijke voorschriften. Het Ctgb heeft - voordat tot toelating is overgegaan - uitvoerig onderzoek gedaan naar deze middelen. Naast de strenge controle op middelen vooraf wordt de gewasbeschermingsmiddelensector ook streng gecontroleerd op het gebruik door de NVWA, de Regionale Uitvoeringsdienst en het Waterschap. Daar komt bij dat [gedaagde] ernaar streeft om bij toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen de dosering te minimaliseren. Hij schakelt daarvoor een gespecialiseerd en gecertificeerd bedrijf in dat werkt met behulp van de modernste technieken en op een zo duurzaam mogelijke wijze. [gedaagde] en [A ] hebben bovendien aanvullende maatregelen getroffen om het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen en de mogelijke schade gevolgen ervan voor omwonenden te voorkomen, onder meer door te kiezen voor specifieke leliesoorten, zorg te dragen voor driftreductie en door bij de keuze voor gewasbeschermingsmiddelen bij voorkeur in te zetten op biologische middelen en biostimulanten.
4.20.
Ten aanzien van het door [eisers] gevorderde verbod op toepassing van de genoemde gewasbeschermingsmiddelen - die ook in de reguliere landbouw worden gebruikt - en de gevorderde vestiging van een erfdienstbaarheid voert [gedaagde] nog aan dat deze vorderingen iedere nuance ontberen. Onder het verbod zouden namelijk niet alleen chemische, maar ook biologische gewasbeschermingsmiddelen vallen. Dit zou bovendien betekenen dat [gedaagde] bij de teelt van aardappelen, uien, suikerbieten, granen en maїs ook de daarvoor gangbare gewasbeschermingsmiddelen niet meer zou mogen gebruiken, waardoor al deze teelten niet meer succesvol kunnen worden voltooid op het betreffende perceel. Het is met de huidige stand van de techniek en wetenschap niet mogelijk om de hiervoor genoemde gewassen onder de huidige natuurlijke omstandigheden te telen zonder gewasbeschermingsmiddelen. Indien en voor zover het gevorderde verbod al zou worden toegewezen, dan zou het verbod slechts moeten zien op stoffen/middelen die niet zijn toegelaten door de bevoegde autoriteiten. Het door [eisers] gevorderde verbod staat bovendien - indien het verbod zal worden toegewezen - verduurzaming in de weg. Het verbod is immers voor onbepaalde tijd gevorderd, waardoor op het perceel in feite nooit meer lelies mogen worden geteeld. Dit staat op gespannen voet met de ambitie binnen de gewasbeschermingsmiddelenbranche en lelieteeltsector om de sector binnen vijf jaar dusdanig te verduurzamen dat voor de lelieteelt in de gehele sector evenveel gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn als voor de reguliere akkerbouw, aldus [gedaagde] .
Het oordeel van de rechtbank
4.21.
De vraag die ter beantwoording voorligt, is of [gedaagde] een onrechtmatige daad pleegt jegens [eisers] indien hij in hun nabijheid lelies gaat of laat telen en daarbij de voorgenomen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in de daarvoor benodigde omvang.
4.22.
De rechtbank begrijpt de vorderingen van [eisers] zo dat zij met een verwijzing naar het leerstuk gevaarzetting een beroep doen op een schadevoorkomingsplicht van [gedaagde] als gebruiker van gewasbestrijdingsmiddelen. De schadevoorkomingsplicht is een toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm in het leerstuk van gevaarzetting. De maatschappelijke zorgvuldigheid eist dat [eisers] niet blootgesteld worden aan een groter gevaar dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Dit betekent dat het gevaar, afhankelijk van de omstandigheden, moet worden weggenomen, althans tot maatschappelijk aanvaardbare proporties moet worden teruggebracht, door het treffen van adequate voorzorgsmaatregelen.
4.23.
Bij de schadevoorkomingsplicht gaat het niet om een absolute waarborg voor de bescherming van in dit geval [eisers] , maar gaat het om de verplichting van [gedaagde] om die maatregelen te treffen die, mede afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, redelijkerwijs nodig zijn om schade als gevolg van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen te voorkomen.
4.24.
De omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een schadevoorkomingsplicht zijn ontleend aan Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik). Deze Kelderluikfactoren zijn toegespitst op buitencontractuele gevaarzettingssituaties. De volgende omstandigheden zijn in deze zaak van belang:
de aard en omvang van de schade als gevolg van blootstelling aan gewasbestrijdingsmiddelen;
de bekendheid en voorzienbaarheid van deze schade;
de kans dat de schade zich daadwerkelijk verwezenlijkt;
de aard van de gedraging van [gedaagde] ;
de bezwaarlijkheid om (effectieve) voorzorgsmaatregelen te treffen;
de belangen die zijn gediend met de gedragingen van [gedaagde] .
4.25.
Het hiervoor al genoemde voorzorgsbeginsel komt er - kort gezegd - op neer dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken en/of de effectiviteit van de tegen dit risico te treffen voorzorgsmaatregelen, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van haar verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006).
4.26.
Het gaat bij onzekere risico’s dus veelal om gevaren waarvan wetenschappelijk onzeker is of ze bestaan en wanneer, waar en in welke exacte omvang dat gevaar zich zal verwezenlijken. De verplichting om zorg te dragen voor de belangen van een ander is niet gefundeerd op de aard en mate van (on)zekerheid over een risico, maar op de mogelijkheid van gevaar dat zich voordoet in een bepaald geval. Daarbij geldt op grond van vaste jurisprudentie dat bij een kleine kans op ernstige schade al een verplichting tot het treffen van voorzorgsmaatregelen kan bestaan (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290 en Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782). Het creëren of in stand laten van een onzeker risicovolle situatie kan op basis van het ongeschreven recht onrechtmatig zijn. Het feit dat er in de wetenschap onzekerheid bestaat over het bestaan, de aard of ernst van een risico, sluit dan ook niet uit dat men naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid dient te anticiperen op dat risico (een voorzorgverplichting). Over het bestaan van een risico is namelijk geen absolute of een verregaande mate van zekerheid noodzakelijk, voordat van een actor kan worden vereist dat hij voorzorgsmaatregelen neemt ter beheersing of ter afwending van een risico. Indien er op grond van de bestaande kennis en inzichten vermoedens zijn dat er een verband bestaat tussen een blootstelling en het mogelijke intreden van negatieve gezondheidseffecten, kan een verplichting tot handelen bestaan.
4.27.
De vraag is vervolgens welke mate van zekerheid over het bestaan van een risico vereist is, voordat een verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen kan ontstaan. De rechtbank hanteert hierbij de maatstaf van een (natuur)wetenschappelijk gefundeerd plausibel vermoeden over het bestaan van een gevaar, waarbij een plausibel vermoeden dient te worden begrepen als een (natuur)wetenschappelijk gefundeerde uitspraak over het bestaan van een risico die (natuur)wetenschappers dusdanig serieus nemen dat men het vermoeden rechtens niet mag negeren.
Plausibel vermoeden?
4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank kan vastgesteld worden dat er sprake is van een plausibel vermoeden van gezondheidsrisico’s door blootstelling aan (de actieve stoffen van) gewasbestrijdingsmiddelen in de voor de lelieteelt benodigde omvang. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
4.29.
Zoals hiervoor al is overwogen, stellen [eisers] zich op het standpunt dat de door hen genoemde gewasbeschermingsmiddelen, althans de daarin werkzame stoffen, een negatieve invloed hebben op de gezondheid van mensen en dat deze onder meer in verband worden gebracht met ernstige neurodegeneratieve ziekten, zoals Parkinson, Alzheimer en ALS. Zij verwijzen in dit verband naar diverse wetenschappelijke onderzoeken.
4.30.
Uit het door [eisers] overgelegde RIVM-rapport uit 2019 (getiteld “Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten” (productie 7 bij dagvaarding en productie 5 bij dagvaarding in kort geding)) volgt - kort gezegd - onder meer dat de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van bloembollenvelden aanzienlijk hoger is dan op een grotere afstand daarvan. De concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de buitenlucht zijn bij omwonenden gemiddeld hoger naarmate zij dichter bij een locatie wonen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten. De gewasbeschermingsmiddelen worden tot ver in de omgeving van bollenteelt aangetroffen. Zo werden er op 500 meter afstand van de bollenteelt nog gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in de urine van omwonenden, in de luiers van kinderen en in huisstof. Daarnaast bleek dat in woningen op 250 meter van de bollenvelden de lucht gemiddeld tien keer hogere concentraties gewasbeschermingsmiddelen bevat dan de lucht bij verder weg gelegen woningen. Huisstof bevatte in die woningen gemiddeld vijf keer hogere concentraties.
4.31.
In het door [eisers] overgelegde RIVM-briefrapport 2021 (getiteld “Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren” (productie 7 bij dagvaarding en productie 6 bij dagvaarding in kort geding)) is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
2 Ziektebeelden en milieublootstelling
(…)
2.4
Verband met milieufactoren
De oorzaak van de ontwikkeling van neurodegeneratieve ziekten in de meerderheid van de gevallen wordt beschreven als multifactorieel met een bijdrage van leefstijlfactoren, (niet oorzakelijke) genetische variaties, en milieufactoren.
Een groeiende hoeveelheid epidemiologische data wijst blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, al dan niet in combinatie met blootstelling aan andere chemische stoffen, aan als risicofactor voor het ontwikkelen van parkinson (Allen and Levy 2013, Ascherio et al. 2006; Kamel et al. 2007; Kenborg et al. 2012; Moisan and Elbaz 2011; Moisan et al. 2015; Narayan et al. 2017; Narayan et al. 2013; Shrestla et al. 2020; Singh, Ahmad and Kumar 2007; Van Der Mark et al. 2014; Van Maele-Fabry et al. 2012; Wang et al. 2011), alzheimer (Aloizou et al.2020; Baldi et al. 2003; Baltazar et al. 2014; Hayden et al. 2010; Jones 2010; Richardson et al. 2014; Yan et al. 2016) en ALS (Bonvicini et al. 2010; Kamel et al. 2012; Malek et al. 2012; McGuire et al. 1997).
(…)
2.5
Gemene delers in neurodegeneratieve ziekten
(…)
Het ontwikkelen van een neurodegeneratieve aandoening kost tijd. De blootstelling aan werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen of andere chemische stoffen kan, afhankelijk van het neurotoxisch mechanisme, zorgen voor de initiatie van een neurodegeneratieve ziekte of versnelde ontwikkeling van een bestaand proces (Doi et al. 2006; Ratner et al. 2014). Het effect kan optreden door een langdurige blootstelling, maar ook een kortdurende hogere blootstelling. Het lange proces voordat mogelijke effecten op neurodegeneratieve ziekten waargenomen kunnen worden in de epidemiologische studies illustreert de noodzaak om al tijdens de goedkeuring van stoffen informatie te (kunnen) verzamelen over de mogelijke effecten van stoffen op processen die bijdragen aan de ontwikkeling van neurodegeneratieve ziekten. Daarom is het relevant om te verkennen in welke mate de huidige datavereisten in staat zijn om neurodegeneratieve effecten van werkzame stoffen te detecteren.
(…)
5. Conclusies en aanbevelingen
Conclusies:
1. De relatie tussen blootstelling aan chemische stoffen, inclusief gewasbeschermingsmiddelen, en neurodegeneratieve aandoeningen is plausibel. Het aantonen van een causaal verband voor specifieke werkzame stoffen in epidemiologische studies is echter lastig vanwege de kleine onderzoeksgroepen en de blootstelling aan meerdere werkzame stoffen, vaak gedurende langere tijd.
2. Ontbrekende gegevens over de neurotoxische potentie van (nieuwe) werkzame stoffen leidt ertoe dat aanvullende studies zelden gevraagd worden.
3. In de huidige vereisten in de OECD-testrichtlijnen zijn de neurodegeneratieve parameters niet expliciet benoemd. Hoewel onderzoek naar deze aanvullende parameters niet uitgesloten is in de testrichtlijn komt het in de praktijk niet voor dat dit ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
4. (…)
(…)”
4.32.
[eisers] hebben verder de/het (uitkomsten van het) onderzoek(srapport) van Silva et al in het geding gebracht (productie 8 bij dagvaarding en productie 12 bij dagvaarding in kort geding). Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
5. Conclusions
In the present study, we showed that mixtures of pesticide residues are omnipresent in European agricultural environments, and in farmers’ households. The chemical dataset, unique in terms of spatial, matrix, and compound coverage, highlights the need for post-approval monitoring programs, and of the definition of benchmarks or quality values for mixtures (across matrices, and ideally farming system-specific). Most of the pesticide residues detected in soil, water, sediment, crops, outdoor air, and indoor dust samples are hazardous for non-target organisms including humans, yet little is known about health risks posed by environmentally relevant mixtures. Pre-market entry risk assessment strategies should be re-evaluated to ensure that they consider all relevant exposure pathways and background contamination, making adequate allowance for uncertainties (in line with the precautionary principle). Pesticide use and risk reduction strategies should take the current situation and pesticides distribution data and hazard as baseline. Together, including the insights from pesticide prioritization curves, these could facilitate: i) better decision-making concerning pesticides approved in the European market, 2) the development of tailored transition plans, and 3) to the establishment of higher levels of protection for humans and the environment.
(…)”
4.33.
Onder verwijzing naar de inhoud van voormeld rapport hebben [eisers] toegelicht dat zij van alle door/namens [gedaagde] gebruikte gewasbeschermingsmiddelen hebben onderzocht wat daarvan de werkzame stof is, om deze werkzame stoffen vervolgens te vergelijken met het in het rapport van Silva opgenomen overzicht waar de schadelijkheid van 209 soorten gewasbeschermingsmiddelen in is opgenomen. Zij hebben daarvan een overzicht gemaakt en deze als productie 14 in het geding gebracht. In aansluiting op het voorgaande voeren zij aan dat tot en met 22 juli 2024 door/namens [gedaagde] vooral gebruik is gemaakt dat de middelen Fresco, Stomp en Goltix. Volgens hen staat van de werkzame stof in Fresco vast dat die kankerverwekkend en neurotoxisch is. Van de werkzame stof in Stomp staat vast dat die mogelijk kankerverwekkend en schadelijk voor de vruchtbaarheid is. Ten aanzien van de werkzame stof in Goltix voeren [eisers] aan dat deze mogelijk kankerverwekkend, schadelijk voor de vruchtbaarheid en neurotoxisch is, terwijl vaststaat dat deze hormoon verstorend is. Wat betreft de werkzame stoffen in Fresco, Goltix, Split Protech, Sumicidin Super, Luna Sensation, Rudis, Decis Protech, Delmametrin en Sivanto Prime voeren [eisers] aan dat in ieder geval vast staat dat die werkzame stoffen neurotoxisch dan wel mogelijk neurotoxisch zijn. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] het door [eisers] als productie 14 in het geding gebrachte overzicht niet, althans onvoldoende, hebben weersproken.
4.34.
Tot slot hebben [eisers] gewezen op de inhoud van een rapport van Meten = Weten (getiteld “Een nevel van bestrijdingsmiddelen”) van 10 juni 2024, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“(…)
Humane toxiciteit
Dit onderzoek was er vooral op gericht een beeld te krijgen van de belasting van mens en milieu met bestrijdingsmiddelen en niet op de eerste plaats over de effecten daarvan. Op basis van de informatie uit de PPDB database is vastgesteld dat alle aangetroffen bestrijdingsmiddelen reële dan wel mogelijke, toxische eigenschappen hebben voor mensen . Ook kunnen we vaststellen dat van vele aangetroffen stoffen informatie over bepaalde toxische effecten op de mens ontbreekt en er desalniettemin een toelating als gewasbeschermingsmiddel is verleend. De beschikbare informatie over humane gezondheidsaspecten is gebaseerd op individuele stoffen. De daarvoor vereiste toxiciteitstesten worden door de producent van een stof uitgevoerd. Hierbij wordt alleen naar de acute toxiciteit gekeken. De chronische effecten van cocktails van bestrijdingsmiddelen die dag en nacht worden ingeademd, met alle formuleringshulpstoffen, beschermstoffen en synergisten worden niet onderzocht en zijn dus onbekend. (…) Steeds meer onderzoek laat zien dat er verbanden zijn tussen bestrijdingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten. De ziekte van Parkinson is in Frankrijk, Italië en sinds kort ook Duitsland al erkend als beroepsziekte. Ook kinderen lijken hersenschade op te kunnen lopen door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. (Liu & Schelar, 2012; Louati et al., 2023). Toch worden neurotoxische effecten tot op de dag van vandaag niet meegenomen in onderzoek voor de toelating van bestrijdingsmiddelen.
(…)
CONCLUSIES
(…)
Alle gevonden middelen zijn toxisch
Voor zover de in PUF filters en eikenblad gevonden bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen in de PPDB database, hebben ze voor mensen allemaal (100%) toxische eigenschappen. Die betreffen het zenuwstelsel, de ontwikkeling/reproductie, het hormoonsysteem, kankerverwekkende of toxische eigenschappen voor de lever.
(…)”
4.35.
Verder is van belang dat - hoewel [gedaagde] en omwonenden in beginsel mogen vertrouwen op de uitkomsten van de toelatingsbeoordeling door EFSA, de Commissie en uiteindelijk het Ctgb - sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze in dit geval aanwezig, waartoe als volgt wordt overwogen.
4.36.
Door [gedaagde] is niet weersproken dat het toelatingssysteem onder meer niet voorziet in een toetsing van de gewasbeschermingsmiddelen die [gedaagde] wil gebruiken op risico’s op neurodegeneratieve ziektes die op latere leeftijd optreden, zoals de ziekte van Parkinson. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het RIVM in haar briefrapport van 2021 heeft geconcludeerd dat de relatie tussen blootstelling aan chemische stoffen (inclusief gewasbeschermingsmiddelen) en neurodegeneratieve ziektes plausibel is en dat de huidige toelatingsprocedure tekortschiet waar het gaat om de beoordeling van neurotoxische effecten. Dit terwijl sprake is van een situatie waarin gewasbeschermingsmiddelen in een straal van 250 meter van de teeltlocatie in veel hogere concentraties aanwezig zijn dan in andere gebieden, zo volgt uit het hiervoor genoemde RIVM-rapport uit 2019. Door [gedaagde] is evenmin weersproken dat (nog) geen onderzoek is gedaan naar de vraag of de blootstelling aan combinaties/cocktails van meerdere gewasbeschermingsmiddelen leidt tot grotere neurotoxiciteit en een verder verhoogd risico op het ontwikkelen van neurodegeneratieve ziektes.
4.37.
Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgegaan van de premisse dat de toegelaten middelen voldoen aan het vereiste van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens. Meer concreet mag [gedaagde] er niet zonder meer op vertrouwen dat er met de door/namens hem te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen geen reëel gevaar voor gezondheidsschade bestaat. In dit verband is van belang dat in het domein van toelatingen voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen het voorzorgsbeginsel ervoor kan zorgen dat al toegestane gewasbeschermingsmiddelen niet (meer) kunnen worden gebruikt (zie Hof van Justitie EU 25 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356, r.o. 97-99). Nu er geen, althans onvoldoende, onderzoek is gedaan naar de hiervoor genoemde neurotoxische effecten/ziekten, waarbij ook de mate van blootstelling moet worden betrokken, doet aan voormeld oordeel niet af dat [gedaagde] - zoals hij aanvoert - verschillende voorzorgsmaatregelen laat nemen c.q. zal laten nemen. Uit het RIVM-rapport uit 2019 volgt dat omwonenden ook in dat geval worden blootgesteld aan middelen.
4.38.
De rechtbank stelt - samengevat en gelet op wat hiervoor is overwogen - vast dat i) sprake is van verhoogde concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van sierteeltvelden, ii) sprake is van hiaten in de risicobeoordeling voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen, iii) meerdere experts zorgen uiten over de met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gemoeide gezondheidsrisico’s, iv) het RIVM deze zorgen onderschrijft, v) het RIVM de relatie tussen blootstelling aan chemische stoffen (inclusief gewasbeschermingsmiddelen) en neurodegeneratieve aandoeningen plausibel acht en v) sprake is van bovengemiddeld intensief gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt, waaronder lelieteelt. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vermoedens over het bestaan van gezondheidsrisico’s voldoende plausibel zijn.
4.39.
Ter zitting heeft [gedaagde] nog opgemerkt dat recent door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vragen zijn gesteld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2025/26, 27 858, nr. 735). Uit deze brief volgt dat Wageningen University & Research (WUR) en het RIVM is gevraagd om een verkennende studie uit te voeren naar spuitzonering vanuit een wetenschappelijk perspectief, waarin de haalbaarheid van nieuwe of bestaande modellen voor het onderbouwen van het blootstellingsrisico in relatie tot spuitzonering wordt onderzocht. Uit deze brief blijkt volgens [gedaagde] dat op dit moment nog onduidelijk is óf en in hoeverre er gezondheidsrisico’s zijn verbonden aan blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, waarbij wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen. Vastgesteld is dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vermoedens over het bestaan van gezondheidsrisico’s voldoende plausibel zijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief nu juist dat de Nederlandse overheid - gezien het feit dat de omgang met onzekere risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de beleidsagenda staat - eveneens de mogelijke (milieu- en) gezondheidsrisico’s én de noodzaak tot handelen onderkent. [gedaagde] gaat er met zijn enkele stelling bovendien aan voorbij dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van zijn verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen.
4.40.
Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een bijzondere zorgplicht heeft jegens de in de directe nabijheid van zijn teeltlocatie wonende omwonenden (in dit geval [eisers] die op het aangrenzende perceel woont op minder dan 100 meter) en dat hij die schendt en voorshands een onrechtmatige daad pleegt indien hij toch lelies gaat (laten) kweken met gebruikmaking van de in deze zaak genoemde gewasbeschermingsmiddelen in de omvang die noodzakelijk is voor lelieteelt. Het mag zo zijn dat telers (in dit geval [gedaagde] ) een commercieel belang hebben bij de lelieteelt, maar het belang van omwonenden (in dit geval [eisers] ) om gevrijwaard te blijven van potentiële (ernstige) schade aan de gezondheid weegt zwaarder dan het economische belang van [gedaagde] .
4.41.
Die bijzondere zorgplicht c.q. verhoogde zorgvuldigheidsnorm brengt voor van [gedaagde] in de omstandigheden van het geval mee dat hij voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen treft ter voorkoming van gezondheidsschade bij [eisers] Om vast te kunnen stellen wat in dit geval de geëigende door [gedaagde] te nemen voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen concreet zijn, althans dienen te zijn, is van belang dat de rechtbank wordt geïnformeerd over de huidige beschikbare wetenschappelijke kennis over de relatie tussen blootstelling aan - de in deze zaak aan de orde zijnde - gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve aandoeningen en/of overige aandoeningen. De door [eisers] in het geding gebrachte rapporten zijn al enkele jaren oud, zijn slechts een selectie uit de beschikbare wetenschappelijke informatie en er is - in de wetenschap, maar ook van overheidswege - in toenemende mate aandacht voor en onderzoek gedaan naar voormeld verband. Gelet op het voorgaande en voor de verdere beoordeling acht de rechtbank het dan ook aangewezen om op dit punt een deskundigenbericht in te winnen.
4.42.
Voordat wordt overgegaan tot het inwinnen van een deskundigenbericht over genoemd onderwerp, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging, na overleg over een en ander, tot een gezamenlijk voorstel te komen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.
4.43.
De rechtbank is voornemens in ieder geval de volgende vragen aan de deskundige(n) voor te leggen:
Is er ter zake van de in deze zaak aan de orde zijnde gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen blootstelling aan deze gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) en neurodegeneratieve aandoeningen en/of overige aandoeningen en zo ja, welke onderzoeken zijn dat? Kunt u daarbij ingaan op 1) de methodologische validiteit van de betreffende onderzoeken, ii) de transparantie en controleerbaarheid van de onderzoeken en iii) of en in hoeverre de onderzoeksresultaten van de verschillende onderzoeken, in onderling verband bezien, wijzen op een verband tussen blootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) en gezondheidsklachten?;
Welke voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen dienen - rekening houdend met het antwoord op vraag 1 - naar uw vaktechnische oordeel genomen te worden door telers (bij lelieteelt/sierteelt) ter voorkoming van gezondheidsschade bij in de directe nabijheid van de teeltlocatie wonende omwonenden en waarom?
Zijn er in uw ogen andere opmerkingen of bijzonderheden ten aanzien van de onderzoeken en/of rapportages die relevant zijn voor de vraag of en, zo ja, in welke mate de in deze zaak aan de orde zijnde gewasbeschermingsmiddelen (althans de werkzame stoffen) gezondheidsklachten veroorzaken?
4.44.
De rechtbank merkt nog op dat denkbaar is dat zij de door partijen - al dan niet gezamenlijk - voorgelegde vraagstelling nog zal aanpassen of aanvullen indien zij dat wenselijk acht met het oog op de verder in deze zaak nog te nemen beslissingen.
Vervolg procedure
4.45.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen op de wijze als in het dictum vermeld. Partijen wordt verzocht de inhoud van hun akte aangaande de te benoemen deskundige(n) en de te stellen vragen zoveel mogelijk met elkaar af te stemmen.
4.46.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot zal daarom door [eisers] moeten worden betaald. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
4.47.
In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5283
