Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 210726 gezag van gewijsde eerder vonnis staat in de weg aan claim t.z.v. achterblijven WAO-uitkering bij loonontwikkeling;

RBLIM 210726 gezag van gewijsde eerder vonnis staat in de weg aan claim t.z.v. achterblijven WAO-uitkering bij loonontwikkeling; 
- verzocht 19,06 uur x € 275 +21%; toegewezen 19,1 uur x € 275 + 21% = € 6.355,53; geen korting vanwege 30% ES

2De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 16 mei 1997 ten val gekomen met zijn racefiets in de gemeente Venray als gevolg van een oneffenheid in het wegdek. [verzoeker] heeft bij de val hersenschade opgelopen, als gevolg waarvan hij niet langer in staat is zijn werk te verrichten op hetzelfde niveau als voor het ongeval.

2.2.

In 2002 heeft [verzoeker] gemeente Venray gedagvaard voor de rechtbank Roermond. Bij vonnis van 11 januari 20061  (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat gemeente Venray gehouden is om aan [verzoeker] te vergoeden 70% van de schade die het gevolg is geweest van het ongeval. Bij datzelfde vonnis is gemeente Venray veroordeeld om diverse bedragen aan [verzoeker] te voldoen. Gemeente Venray heeft aan de veroordelingen tot betaling voldaan.

2.3.

Bij brief van 16 april 2019 heeft [verzoeker] gemeente Venray gewezen op de aanvullende schade die hij lijdt doordat zijn WAO-uitkering achterblijft bij de loonontwikkeling in Nederland.

2.4.

Bij brief van 19 april 2024 heeft de verzekeraar van gemeente Venray de aanvullende claim afgewezen.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat gemeente Venray op grond van het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 gehouden is 70% van de aanvullende inkomensschade van [verzoeker] , ontstaan doordat de uitkeringen achterblijven bij de loonontwikkeling, aan [verzoeker] te vergoeden;

  2. gemeente Venray te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil, conform artikel 1019aa Rv, te begroten op € 6.355,53 inclusief het salaris van de advocaat;

  3. gemeente Venray te veroordelen tot vergoeding van het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,-.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. De (indexering van de) WAO-uitkering die [verzoeker] ontvangt (waaronder tevens begrepen Invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelage), blijft achter bij de loonontwikkeling in Nederland, waardoor [verzoeker] geleidelijk achteruit is gegaan in inkomen. Hierdoor lijdt hij aanvullende schade, die niet wordt gedekt door de vergoeding die door de verzekeraar van gemeente Venray in 2006 aan hem werd uitgekeerd. Gemeente Venray is op grond van het eindvonnis van 11 januari 2006 gehouden om die aanvullende schade aan hem te vergoeden. De rechtbank heeft bij dat vonnis geoordeeld dat gemeente Venray gehouden is om 70% van de schade die het gevolg is van het ongeval te vergoeden. Door het verschil in het inkomen van [verzoeker] dat is ontstaan door het achterblijven van (indexering van) de uitkering, voldoet gemeente Venray niet aan die plicht. Gemeente Venray weigert ten onrechte om deze aanvullende schade te vergoeden en beroept zich op een onjuiste interpretatie van het vonnis van 11 januari 2006.

3.3.

Gemeente Venray verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Volgens gemeente Venray is geen sprake van een deelgeschil in de zin van artikel 1019w e.v. Rv. Bovendien komt aan het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 gezag van gewijsde toe en stuiten de vorderingen van [verzoeker] daar reeds op af. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat de vordering van [verzoeker] is verjaard en dat de verklaring voor recht zoals opgenomen in eerder genoemd vonnis geen aanspraak geeft op de in 2019 door [verzoeker] geclaimde schadevergoeding.

4De beoordeling

Deelgeschilprocedure

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoekschrift tot beslechting van een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. De rechtbank oordeelt dat daarvan sprake is. De zaak betreft een letselschadezaak. De deelgeschilprocedure is ook van toepassing op ongevallen die voor de inwerkingtreding van de Wet deelgeschilprocedure hebben plaatsgevonden. Bovendien is genoegzaam komen vast te staan dat er onderhandelingen tussen partijen zijn gevoerd zoals bedoeld in artikel 1019w Rv.

Het verzoek onder 1

4.2.

De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek onder 1 en oordeelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.

4.3.

[verzoeker] stelt in de eerste plaats dat sprake is van aanvullende inkomensschade (die nog niet is meegenomen in het vonnis van 11 januari 2006). Dat sprake is van aanvullende inkomensschade wordt door gemeente Venray evenwel gemotiveerd betwist, met verwijzing naar de brief van 3 november 2021 van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL). Daarin is onder meer opgenomen dat wanneer de rekenkundige de uitkering WAO van € 10.720,- indexeert volgens het minimumloon, hij uitkomt op het bedrag dat de jaaropgaaf opgeeft. Dit betekent volgens de rekenkundige dat met betrekking tot de WAO op basis van de in het NRL-rapport verstrekte gegevens niets is veranderd. Het enige dat volgens de rekenkundige ‘anders’ is, is dat nu bekend is welke indexeringen er vanaf 2004 zijn geweest.

4.4.

Daarbij komt dat tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank in het eindvonnis van 11 januari 2006 de geleden en toekomstige schade van [verzoeker] heeft begroot, waarbij een concreet bedrag is toegewezen dat als verlies van verdienvermogen aan [verzoeker] diende te worden vergoed. Daarbij is sprake van een veroordeling tot betaling van een bedrag ineens (als bedoeld in artikel 6:105 BW). De begroting van dat bedrag is door de rechtbank gebaseerd op een berekening gemaakt door het NRL. Tussen partijen is niet in geschil dat in de berekening van het NRL, op basis waarvan de rechtbank tot de schadevaststelling is gekomen, inflatie en indexering zijn meegenomen. Het verzoek zoals dat door [verzoeker] is voorgelegd ziet daarmee naar het oordeel van de rechtbank op een schadecomponent (toekomstige schade als gevolg van verlies van verdienvermogen) die al in het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 is verdisconteerd. Daarom staat het gezag van gewijsde eraan in de weg dat [verzoeker] het in 2006 voor de toekomst vastgestelde verlies van verdienvermogen opnieuw ter beoordeling voorlegt. De beslissingen die de rechtsbetrekking tussen partijen betreffen en in kracht van gewijsde zijn gegaan hebben tussen partijen immers bindende kracht als bedoeld in art. 236 Rv. De latere gebeurtenissen die de omvang van de schade hebben beïnvloed kunnen niet meer tot wijziging van de rechten en verplichtingen van partijen leiden.

Het verzoek wordt om die reden afgewezen. Anders dan [verzoeker] heeft gesteld behelst de verklaring voor recht in het vonnis bovendien ook geen voorbehoud of voorziening voor het geval de indexering van de uitkering (achteraf) anders uitpakt dan in het vonnis begroot. Gelet op voorgaande conclusie komt de rechtbank ook niet meer toe aan een beroep op verjaring.

Verzoek onder 2 (kosten deelgeschil)

4.5.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.6.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.7. (

De advocaat van) [verzoeker] maakt aanspraak op € 5.252,50 exclusief btw, € 6.355,53 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Daarbij is uitgegaan van 19,06 uur tegen € 275,- exclusief btw aan uurtarief. Gemeente Venray stelt dat de kosten moeten worden gematigd en voert aan dat het aantal bestede uren aan intake, correspondentie, bespreking, telefoon, samenstellen dossier en aanbrengen verzoekschrift niet redelijk is. Voor wat betreft het uurtarief refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat het gehanteerde uurtarief van € 275,- exclusief btw een aanvaardbaar en gebruikelijk uurtarief is. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de gestelde uren besteed aan het opstellen van het verzoekschrift, besprekingen, correspondentie en dergelijke (19,1 uur) te matigen tot 12 uur. Indien deze uren echter worden vermeerderd met het urenaantal in verband met de mondelinge behandeling van de zaak, acht de rechtbank het redelijk om het totaal aantal uren dat voor begroting in aanmerking komt, alsnog vast te stellen op 19,1 uur. Met inachtneming hiervan worden de kosten begroot op 19,1 uren x € 275,- exclusief btw, zijnde € 5.252,50 exclusief btw, zijnde € 6.355,53 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,-. Gemeente Venray zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om daarin het door de rechtbank Roermond vastgestelde percentage eigen schuld in de kosten van het deelgeschil te laten doorwerken. Rechtbank Limburg 21 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:7107