Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 020926 straf; schade advocaat na onrechtmatige vervolging; oordeel over smartengeld, advocaatkosten, tijdsbesteding en divers

RBDHA 020926 straf; schade advocaat na onrechtmatige vervolging; oordeel over smartengeld, advocaatkosten, tijdsbesteding en divers 
 

1Waar gaat deze zaak over?

[eiseres 1] is werkzaam als advocaat en is strafrechtelijk vervolgd. Zij werd er onder meer van verdacht dat zij cliënten hielp die illegaal online kansspelen aanboden in Nederland. Ook werd haar verweten dat zij deze cliënten zou hebben geholpen met het opzetten van een ondernemingsstructuur die werd gebruikt om haar cliënten buiten beeld te houden. Na haar aanhouding op 10 april 2014 heeft [eiseres 1] veertien dagen in voorarrest gezeten. [eiseres 1] is eerst door de rechtbank Oost-Brabant vrijgesproken en vervolgens ook door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Die vrijspraak is inmiddels onherroepelijk.

[eiseressen] vorderen in deze procedure schadevergoeding van de Staat, vanwege een onrechtmatige strafrechtelijke vervolging van [eiseres 1] . Omdat de strafzaak meer dan tien jaar heeft geduurd, wordt ook een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. Tot slot vorderen [eiseressen] schadevergoeding omdat het OM de verdenking tegen [eiseres 1] heeft genoemd in een aantal publicaties, waardoor ze immateriële schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch volgt dat sprake is van gebleken onschuld, zodat het strafvorderlijk optreden jegens [eiseres 1] onrechtmatig is. De Staat dient onder andere de kosten die [eiseres 1] voor rechtsbijstand in de strafzaak gemaakt heeft en de door haar geleden immateriële schade te vergoeden. Voor de inkomensschade wordt de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen. Er is sprake van een schending van de redelijke termijn, maar daarvoor wordt een standaardvergoeding toegekend. Omdat het strafvorderlijk optreden onrechtmatig is, zijn de publicaties van het OM over [eiseres 1] ook onrechtmatig. Vanwege de tendentieuze toon van een tweetal berichten heeft de rechtbank een hogere schadevergoeding toegekend voor de onrechtmatige publicaties. De vorderingen van [eiseres 2] en [eiseres 3] worden afgewezen.


 

(.... red. LSA LM)
 

Tussenconclusie

5.30.

Het beroep van [eiseres 1] op de b-grond slaagt: uit het arrest is gebleken dat ze onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten. Dat betekent dat de Staat aansprakelijk is jegens [eiseres 1] en de schade moet vergoeden zij als gevolg van het strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden.

Eigen schuld?

5.31.

De Staat heeft betoogd dat de eventuele aansprakelijkheid de Staat moet worden verminderd met 100% omdat sprake is van eigen schuld van [eiseres 1] (artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW)). Door het opstellen van vals gebleken contracten, het doorgeven van de naam van een stroman/katvanger aan de Ksa, het factureren aan een niet-cliënt en het

laten gebruiken van haar geheimhoudertelefoon heeft [eiseres 1] volgens de Staat bijgedragen aan het verhullen van de illegale praktijken en strafbare feiten van haar cliënten.

5.32.

Het beroep op eigen schuld slaagt niet. De strafrechtelijke verwijten (het opstellen van contracten en het doorgeven van een naam aan de Ksa) zijn door het hof beoordeeld en niet strafbaar geacht. De gedragsrechtelijke verwijten (het factureren aan een niet-cliënt en het laten gebruiken van een geheimhoudertelefoon) hebben geleid tot een tuchtrechtelijke maatregel van (deels voorwaardelijke) schorsing in de uitoefening van de praktijk. Het betoog van de Staat komt er feitelijk op neer dat de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vervolging (het redelijk vermoeden van schuld) ertoe moeten leiden dat [eiseres 1] een deel van de schade zelf dient te dragen. Die conclusie verdraagt zich niet met het hiervoor gegeven oordeel dat de onschuld van [eiseres 1] is gebleken. Dat oordeel houdt namelijk in dat het redelijk vermoeden van schuld destijds gerechtvaardigd was (zie de beslissingen van de rechter-commissaris) maar achteraf ongefundeerd is gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vergoedingsplicht van de Staat te verminderen.

Wat betekent dit voor de vorderingen van [eiseressen] ?

5.33.

De gevorderde verklaringen voor recht dat de vervolging van [eiseres 1] onrechtmatig was (vordering I) en dat de Staat aansprakelijk is voor de inkomensschade die [eiseres 1] daardoor heeft geleden (vordering II), zullen worden toegewezen in de bewoordingen die zijn vermeld in het dictum. Voor de inkomensschade zal de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen.

5.34.

Voor zover de tweede verklaring voor recht ziet op [eiseres 2] zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vervolging onrechtmatig was jegens [eiseres 1] . [eiseres 2] is niet vervolgd als verdachte en jegens [eiseres 2] zijn ook geen andere strafvorderlijke dwangmiddelen ingezet. Dit betekent dat de Staat dus ook niet onrechtmatig strafvorderlijk gehandeld heeft jegens [eiseres 2] . [eiseressen] hebben aangevoerd dat [eiseres 2] de rekeningen betaalde voor de advocaatkosten die [eiseres 1] maakte. Dat leidt er echter niet toe dat de Staat voor die kosten aansprakelijk kan worden gehouden jegens [eiseres 2] . Als deze vennootschap schade heeft geleden als gevolg van de vervolging van [eiseres 1] , zal dit in hun onderlinge verhouding moeten worden afgewikkeld. Er is ook geen andere grondslag gesteld of gebleken op grond waarvan de Staat aansprakelijk kan worden gehouden jegens [eiseres 2] Daarom zullen ook de andere vorderingen worden afgewezen voor zover die zien op [eiseres 2]

5.35.

[eiseressen] hebben daarnaast vergoeding gevorderd van immateriële schade die [eiseres 1] heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige vervolging (vordering III). Zij hebben aangevoerd dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW, waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor [eiseres 1] zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De Staat heeft dit laatste niet betwist. De rechtbank neemt – met [eiseressen] – aan dat de nadelige gevolgen bij onrechtmatige strafrechtelijke vervolging gedurende ruim tien jaren evident zijn. [eiseres 1] heeft een uitvoerige toelichting gegeven op de gevolgen die de vervolging voor haar heeft gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vervolging heeft geleid tot een aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.

5.36.

[eiseressen] hebben de gevorderde vergoeding voor immateriële schade (€ 195.116) berekend naar analogie van de vergoeding voor onterechte vrijheidsbeneming op grond van de LOVS-afspraken.10 De rechtbank ziet echter, evenals de Staat, geen reden om die berekening te volgen. De vergoeding die op grond van artikel 533 Sv aan een verdachte kan worden toegekend ziet expliciet op vrijheidsbeneming. Die regeling kan niet dienen als uitgangspunt bij vergoeding van immateriële schade na onrechtmatige vervolging. Uit de jurisprudentie blijkt dat in min of meer vergelijkbare gevallen doorgaans een veel lagere vergoeding wordt toegekend (variërend tussen € 7.000 en € 20.000). De rechtbank stelt de schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 15.000, waarbij vooral de lange duur van de strafvervolging gewicht in de schaal legt. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2014 (de dag waarop [eiseres 1] werd aangehouden), omdat op die dag de aantasting in de persoon op ander wijze is begonnen en de aanwezigheid van – enige – immateriële schade kan worden verondersteld.

5.37.

Met vordering IV hebben [eiseressen] vergoeding gevorderd van de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt als gevolg van de strafrechtelijke vervolging.11 De vordering van € 701.126,88 bestaat uit € 450.195,74 voor kosten rechtsbijstand, € 27.758 als inflatiecorrectie voor de kosten rechtsbijstand, € 40.253,17 voor de rentekosten voor de lening rechtsbijstand, € 140.666,79 voor vergoeding van het tijdverzuim van [eiseres 1] , € 7.531 als inflatiecorrectie voor het tijdverzuim, € 2.836,96 aan reiskosten, € 9.100 voor schade door het voorarrest en € 22.965,22 voor advocaatkosten die [eiseres 1] heeft gemaakt in de artikel 530/533 Sv-procedures. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] toegelicht dat deze vergoedingen worden gevorderd op grond van artikel 6:162 BW.

5.38.

[eiseressen] hebben vergoeding van deze kosten ook gevorderd in de 530/533 Sv-procedures, maar ten aanzien van deze kosten is het verzoek afgewezen. De gevraagde vergoeding voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht is wel toegewezen, namelijk tot een forfaitair berekend bedrag van € 1.820.

5.39.

Over de verhouding tussen artikel 533 Sv en de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW heeft de Hoge Raad recent een arrest gewezen.12 Daarin overweegt de Hoge Raad dat (de voorganger van) artikel 533 Sv niet eraan in de weg dat de gewezen verdachte (alsnog) een vordering instelt bij de burgerlijke rechter op de voet van artikel 6:162 BW. Daarbij kan de gewezen verdachte, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5 lid 5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover hij ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming schade heeft geleden, aanspraak maken op volledige vergoeding daarvan. Een op de voet van artikel 533 Sv toegekende tegemoetkoming strekt in mindering op het bedrag van de door de burgerlijke rechter toe te wijzen schadevergoeding. De burgerlijke rechter kan, indien daarvoor grond is, uit hoofde van onrechtmatige daad een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijzen dan de strafrechter in de artikel 533 Sv-procedure heeft gedaan. De burgerlijke rechter is daarbij niet gebonden aan de op de billijkheid gebaseerde overwegingen van de strafrechter.

5.40.

Hoewel artikel 530 Sv, dat ziet op een vergoeding voor gemaakte kosten, in het genoemde arrest niet aan de orde was, acht de rechtbank de overwegingen van de Hoge Raad daarop van overeenkomstige toepassing. Dat artikel is immers onderdeel van dezelfde wettelijke regeling en is gebaseerd op dezelfde maatstaf, namelijk of gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de gevraagde vergoeding.

5.41.

De rechtbank is dus bevoegd om inhoudelijk op vordering IV van [eiseressen] te beslissen en zij is daarbij niet gebonden aan de overwegingen van het hof in zijn beschikking van 9 april 2026 .

5.42.

De Staat heeft verschillende onderdelen van de vordering gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de onderdelen hierna beoordelen en daarbij nader ingaan op de stellingen van partijen.

Kosten rechtsbijstand (€ 450.195,74)

5.43.

[eiseressen] hebben de vordering onderbouwd met de facturen van advocaten die werkzaamheden hebben verricht in het kader van de strafvervolging. De Staat heeft de omvang van deze facturen niet betwist. Hij heeft slechts aangevoerd dat de kosten van rechtsbijstand bij het voorlopig getuigenverhoor (€ 6.700) niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat die procedure voorziet in een kostenvergoeding en de rechtbank in de beschikking geen reden zag om een kostenveroordeling op te nemen.

5.44.

Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen door de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 25 november 2021. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden zag om een van de partijen in de proceskosten te veroordelen. De kosten die verbonden waren aan het indienen en behandelen van het verzoekschrift komen daarmee – gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – dus niet voor vergoeding in aanmerking. Maar ook de kosten die verbonden zijn aan de verhoren van de getuigen komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Dergelijke kosten kunnen weliswaar bij wijze van kostenveroordeling worden gevorderd in de hoofdzaak,13 maar dan moet het voorlopig getuigenverhoor wel hebben bijgedragen aan de beslissing in de hoofdzaak.14 Daarvan is in dit geval geen sprake: het voorlopig getuigenverhoor heeft geen bijdrage geleverd aan het hiervoor gegeven oordeel over het onrechtmatig handelen van de Staat en evenmin aan het hierna te geven oordeel over de onrechtmatige publicaties. Dit onderdeel van de vergoeding zal dus worden afgewezen.

5.45.

Nu de vordering voor het overige niet is betwist, zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van (€ 450.195,74 - € 6.700 =) € 443.495,74.

Inflatiecorrecties (€ 27.758 en € 7.531)

5.46.

[eiseressen] hebben bedragen gevorderd als inflatiecorrectie op de gemaakte kosten van rechtsbijstand en kosten van tijdverzuim. De Staat heeft er echter terecht op gewezen dat de gevorderde wettelijke rente daar al een vergoeding voor biedt, zodat dit dubbelop is. [eiseressen] hebben dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering om die reden afwijzen.

Rentekosten lening rechtsbijstand (€ 40.253,17)

5.47.

[eiseressen] hebben gesteld dat [eiseres 1] kosten heeft moeten maken voor de geldlening die ze heeft afgesloten om de kosten voor rechtsbijstand te kunnen betalen. De Staat heeft deze schadepost niet betwist, zodat de rechtbank de gevraagde vergoeding zal toewijzen.

Schade door tijdverzuim [eiseres 1] (€ 140.666,79)

5.48.

[eiseressen] hebben vergoeding verzocht van de kosten voor tijdverzuim van [eiseres 1] . Het gaat om de uren die zij aan de strafvervolging heeft moeten besteden en ze dus niet aan haar werk kon besteden. De Staat heeft de hoogte van het gehanteerde uurtarief (€ 154,50) niet betwist, maar heeft alleen gewezen op een verschil in het aantal uren dat in de stukken is genoemd. [eiseressen] hebben ter zitting erkend dat sprake is van een schrijffout en dat niet moet worden uitgegaan van 752,43 uren, maar van 556,25 uren. Omdat de gevorderde vergoeding voor het overige niet is betwist, zal de rechtbank dit onderdeel van de vordering toewijzen tot een bedrag van (556,25 uren x € 154,50 =) € 85.940,65. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt en [eiseressen] hebben erkend, zal de eventuele inkomensschade die in de schadestaatprocedure wordt vastgesteld met dit bedrag moeten worden verminderd.

Reiskosten (€ 2.836,96)

5.49.

[eiseressen] hebben gesteld dat [eiseres 1] reiskosten heeft moeten maken in verband met de strafzaak. De Staat heeft deze schadepost niet betwist, zodat de rechtbank die zal toewijzen.

Schade voorarrest (€ 9.100)

5.50.

De vergoeding van (immateriële) schade als gevolg van het voorarrest is door de raadkamer van het hof 's-Hertogenbosch beoordeeld en deels toegewezen (€ 1.820). [eiseressen] hebben erkend dat met die vergoeding kan worden volstaan. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Advocaatkosten 530/533 Sv-procedures (€ 22.965,22)

5.51.

Dit onderdeel van de vordering is door de Staat betwist. [eiseressen] hebben ter zitting meegedeeld dat op deze kosten geen aanspraak meer wordt gemaakt in deze procedure. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen.

Conclusie vordering IV

5.52.

De rechtbank wijst een bedrag van (€ 443.495,74 + € 40.253,17 + € 85.940,65 + € 2.836,96 =) € 572.526,52 toe en zal de vordering voor het overige afwijzen.

5.53.

[eiseres 1] heeft wettelijke rente gevorderd over de door haar gemaakte kosten, vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van het onrechtmatige handelen van de Staat, is ingetreden. In deze zaak gaat het om kosten van verschillende aard, waaraan een zeer groot aantal facturen ten grondslag ligt. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd vanaf welke data wettelijke rente verschuldigd is. Het gaat de taak van de rechtbank te buiten om aan de hand van deze facturen de ingangsdatum van de wettelijke rente voor elke schadepost vast te stellen. Nu de kosten waarvoor de rechtbank een vergoeding toewijst telkens gedurende een langere tijd zijn gemaakt – grofweg tussen de datum van aanhouding van [eiseres 1] (10 april 2014) en de datum waarop het cassatieberoep werd ingetrokken en de vrijspraak onherroepelijk werd (13 december 2024) – zal de rechtbank met gebruikmaking van zijn bevoegdheid om de schade te schatten de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van de periode waarin de kosten zijn gemaakt, te weten 12 augustus 2019.

5.54.

Met vordering V hebben [eiseressen] verzocht om vergoeding van de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt voor het stellen van een bankgarantie. Na haar aanhouding heeft het OM conservatoir beslag ten laste van haar gelegd onder [eiseres 3] . Voor opheffing van dit beslag moest [eiseres 1] een bankgarantie stellen. Dit heeft zij gedaan op 26 januari 2015. Zij heeft onweersproken gesteld dat de initiële kosten van de bankgarantie € 1.200 bedroegen en dat zij vervolgens een provisie heeft betaald van € 2.400 per jaar, tot juni 2023 toen de Staat afstand gedaan heeft van de bankgarantie. Nu de Staat deze vordering niet heeft betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 21.486,67 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2023.

5.55.

Vordering VI ziet op de wettelijke rente over de contragarantie van € 150.000 die [eiseres 1] moest verstrekken aan de bank. Als de bank zou worden aangesproken op grond van de bankgarantie, dan kon zij zich verhalen op de door [eiseres 1] gestelde contragarantie. Daartoe heeft [eiseres 1] een bedrag van € 50.000 gestort en de zus en zwager van [eiseres 1] hebben € 100.000 gestort. [eiseres 1] zegt geen rente ontvangen te hebben ontvangen over dit bedrag, haar zus en zwager hebben slechts € 1.300 ontvangen. [eiseressen] vorderen die rente alsnog, berekend vanaf de datum van storting totdat de contragarantie werd vrijgegeven, wat neer zou komen op een bedrag van (€ 16.954,36 + € 34.493,61 =) € 51.447,97.

5.56.

[eiseressen] baseren hun vordering op de regeling die gebruikelijk is bij in beslag genomen geldbedragen. Zij hebben verwezen naar onder meer artikel 11 lid 6 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en de ‘Instructie Afpakken’ van het OM. De Staat heeft echter terecht opgemerkt dat de gestelde contragarantie niet gelijk kan worden gesteld met in beslag genomen gelden. De regeling over rentevergoeding ziet uitdrukkelijk op gelden die worden bewaard door het OM, omdat dergelijke gelden rente ‘kweken’. Die rente moet door het OM aan de beslagene worden vergoed als de gelden worden teruggegeven. Een contragarantie jegens de bank is anders: het geld van [eiseres 1] en haar familieleden is gedeponeerd bij de bank, die daarop een pandrecht heeft gevestigd. Als dergelijke gelden rente opbrengen dan moet die rente door de bank aan [eiseres 1] worden vergoed indien zij daarover met de bank afspraken heeft gemaakt. De rechtbank volgt [eiseres 1] dan ook niet in haar stelling dat een bankgarantie gelijkgesteld kan worden met een depotstorting bij het OM.

5.57.

In het geval de bij de bank gedeponeerde gelden al die jaren geen rente hebben opgebracht en [eiseres 1] op die manier schade heeft geleden, dan zou dat wellicht ten laste kunnen komen van de Staat. [eiseressen] hebben echter onvoldoende onderbouwd dat die situatie zich voordeed. De stelling dat de zus en zwager € 1.300 aan rente hebben ontvangen, wijst erop dat de bank kennelijk wel rente heeft vergoed. Tegen de achtergrond van deze stelling hebben [eiseressen] onvoldoende gesteld dat aan [eiseres 1] zelf in het geheel geen rente-uitkering gedaan is. Verder ziet de rechtbank niet in hoe [eiseressen] schade kunnen vorderen die door de zus en zwager van [eiseres 1] is geleden. Gelet op dit alles zal de rechtbank vordering VI afwijzen.

(2) Overschrijding van de redelijke termijn

5.58.

[eiseressen] vorderen een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak van € 115.733 (vordering VII). Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] de berekening van de overschrijding aangepast en de vordering verminderd tot € 103.680,80, te verminderen met het bedrag dat de Staat al heeft betaald. Zij hebben de vergoeding berekend op grond van 10% van de strafeis die gedurende de strafzaak boven haar hoofd hing.

5.59.

De Staat heeft erkend dat de redelijke termijn is overschreden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om af te wijken van de standaardvergoeding, die inmiddels aan [eiseres 1] is betaald.

5.60.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. Met de Staat gaat de rechtbank uit van een overschrijding in eerste aanleg met twee jaar en 2,5 maanden en een overschrijding in hoger beroep met nog eens twee jaar. Voor overschrijding van de redelijke termijn wordt door de Hoge Raad een vaste vergoeding toegekend: € 500 per halfjaar overschrijding, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat geldt voor strafzaken waarin een overschrijding niet kan worden gecompenseerd in de strafmaat (zoals na een vrijspraak) en deze vergoeding wordt ook toegepast in civiele zaken.15 De rechtbank is met de Staat van oordeel dat er in dit geval geen reden is om af te wijken van de standaardvergoeding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres 1] al een vergoeding heeft gekregen voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht en dat de rechtbank in deze zaak een vergoeding toekent voor immateriële schade als gevolg van de onrechtmatige vervolging. De standaardvergoeding kan worden vastgesteld op (9 x € 500 =) € 4.500. Omdat de Staat dit bedrag al aan [eiseres 1] heeft betaald, zal de vordering van [eiseressen] worden afgewezen.

Thans het ministerie van Justitie en Veiligheid.

2Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:814.

3Hof van Discipline 30 augustus 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:125.

4HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat)

5Zie onder meer gerechtshof Den Haag 21 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:796, r.o. 5.9, en gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1918, r.o. 6.2.

6Zie onder meer HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532.

7HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367 (Het Financieel Dagblad), r.o. 4.4.

8HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526, r.o. 2.13.

9HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat), r.o. 3.6.3.

10LOVS = Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

11Hoewel deze vordering in het petitum van de akte eisvermeerdering is geformuleerd als een verklaring voor recht, hebben [eiseressen] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat wel degelijk een veroordeling tot betaling is beoogd. De Staat had de vordering ook op opgevat en daartegen verweer gevoerd. De rechtbank zal de vordering daarom uitleggen als een vordering tot betaling.

12Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679, r.o. 4.2.1 - 4.3. Hoewel in het arrest wordt verwezen naar de artikelen 89 en 90 (oud) Sv, past de rechtbank deze overwegingen toe op de gelijkluidende artikelen 533 en 534 Sv die per 1 januari 2020 daarvoor in de plaats zijn gekomen.

13E.F. de Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/222.

14Gerechtshof Leeuwarden 7 maart 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0468.

15Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, r.o. 3.16.3.

16Zie HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat), r.o. 3.4 en 6.1.3.

17De Staat heeft verwezen naar: Rb. Amsterdam 24 januari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ7825; Rb. Midden-Nederland 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNL:2015:2329; Rb. Noord-Nederland 22 februari 2017, RBNNE:2017:542; Rb. Gelderland 27 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6890; Gerechtshof Den Haag 16 juli 2019, ECLI:NL:2019:1807; Rb. Amsterdam 2 september 2020, ECLI:NL:2020: 4247; en Rb. Rotterdam 18 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9597.

Rechtbank Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25027