RBGEL 080726 bgk na cessie aan advocaat; afgewezen; te veel uren en hoog specialistentarief voor eenvoudige zaak
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 080726 bgk na cessie aan advocaat; afgewezen; te veel uren en hoog specialistentarief voor eenvoudige zaak
2De feiten
2.1.
Op 2 februari 2024 is mevrouw [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) als bestuurder betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Het ongeval is veroorzaakt door een bestuurder van een voertuig, welk voertuig verzekerd was bij Achmea Schadeverzekeringen. [bestuurder] heeft bij het ongeval letsel opgelopen.
2.2.
Voor het verhaal en de afwikkeling van de door [bestuurder] als gevolg van het ongeval geleden schade op (de verzekeraar van) de wederpartij bij dat ongeval heeft [bestuurder] zich tot Hardt Advocaten gewend.
2.3.
Achmea Schadeverzekeringen heeft de aansprakelijkheid voor de door [bestuurder] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade erkend.
2.4.
Op 3 april 2024 heeft Hardt Advocaten voor de door haar voor [bestuurder] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden een bedrag van € 1.363,67 inclusief btw gefactureerd.
2.5.
Op 4 april 2024 heeft Achmea Schadeverzekeringen een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 750,00 aan Hardt Advocaten betaald.
2.6.
Op 2 mei 2024 heeft Hardt Advocaten voor de door haar voor [bestuurder] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden een bedrag van € 139,15 inclusief btw gefactureerd.
2.7.
Op 10 februari 2025 heeft Hardt Advocaten voor de door haar voor [bestuurder] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden een bedrag van € 2.827,17 inclusief btw gefactureerd.
2.8.
Op 28 februari 2025 heeft Achmea Schadeverzekeringen een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 1.000,00 aan Hardt Advocaten betaald.
2.9.
Op 25 maart 2025 heeft Hardt Advocaten voor de door haar voor [bestuurder] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden een bedrag van € 766,54 inclusief btw gefactureerd.
2.10.
Op 9 juli 2025 is tussen [bestuurder] en Achmea Schadeverzekeringen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
2.11.
Op 2 december 2025 heeft Achmea Schadeverzekeringen een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 3.000,00 aan Hardt Advocaten betaald.
3Het geschil
3.1.
Hardt Advocaten vordert na vermindering van eis - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Achmea Schadeverzekeringen zal veroordelen om aan Hardt Advocaten te betalen een bedrag van € 587,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
II. Achmea Schadeverzekeringen zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Hardt Advocaten legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.
Achmea Schadeverzekeringen is op grond van 6:96 lid 2 BW gehouden tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan [bestuurder] . [bestuurder] heeft haar vordering tot vergoeding van schade voor zover het de door Hardt Advocaten gefactureerde buitengerechtelijke kosten betreft, aan Hardt Advocaten gecedeerd. Hardt Advocaten heeft in totaal een bedrag van € 5.337,92 aan buitengerechtelijke kosten gefactureerd. Daarvan heeft Achmea Schadeverzekeringen een bedrag van in totaal € 4.750,00 voldaan, zodat een openstaande hoofdsom van € 587,93 resteert. Die kosten moet Achmea Schadeverzekeringen alsnog vergoeden, omdat de kosten aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW voldoen, in die zin dat het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt, alsmede dat de hoogte van de gemaakte kosten redelijk is. Verder maakt Hardt Advocaten op grond van artikel 6:119 BW aanspraak op de wettelijke rente.
3.3.
Achmea Schadeverzekeringen voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Hardt Advocaten, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hardt Advocaten in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Pas bij akte vermindering van eis van 10 juni 2026 heeft Hardt Advocaten haar vordering nader gespecificeerd. Uit die akte begrijpt de kantonrechter dat Hardt Advocaten stelt dat zij negen facturen aan Achmea Schadeverzekeringen heeft gestuurd, waarvan er vijf betrekking hebben op de buitengerechtelijke kosten waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De andere vier facturen hebben betrekking op verschotten en daarvan vordert Hardt Advocaten geen betaling.
4.2.
Van de vijf facturen waarvan Hardt Advocaten betaling vordert, zijn er vier bij dagvaarding door Hardt Advocaten overgelegd. Achmea Schadeverzekeringen heeft erkend dat zij die facturen heeft ontvangen. Bij dupliek heeft Achmea Schadeverzekeringen betwist dat aan haar nog andere facturen voor buitengerechtelijke kosten zijn gestuurd. Pas in de akte van 10 juni 2026 rept Hardt Advocaten over een vijfde factuur, te weten een factuur van 14 juli 2025 ter hoogte van € 241,40. Vanwege de stand van de procedure heeft Achmea Schadeverzekeringen daarop niet meer kunnen reageren. Zij zal daartoe niet alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Hardt Advocaten heeft de betreffende factuur niet overgelegd, zodat onduidelijk is waar het beweerdelijke gefactureerde bedrag van € 241,40 betrekking op heeft. Ook als juist is dat dat bedrag ziet op buitengerechtelijke werkzaamheden die Hardt Advocaten voor [bestuurder] heeft verricht, kan dit niet tot toewijzing van dat bedrag leiden. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.3.
Achmea Schadeverzekeringen is aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van het verkeersongeval en moet daarom op grond van artikel 6:98 BW de schade vergoeden die [bestuurder] als gevolg van dat ongeval heeft geleden. Tot die schade behoren op grond van artikel 6:96 BW ook de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, maar alleen als het redelijk is geweest om die kosten te maken en de hoogte van de gemaakte kosten eveneens redelijk is.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Maar Achmea Schadeverzekeringen meent dat de door Hardt Advocaten gemaakte kosten, voor zover die het door Achmea Schadeverzekeringen al betaalde bedrag van € 4.750,00 te boven gaan, niet redelijk zijn. De kantonrechter geeft Achmea Schadeverzekeringen daarin gelijk. Dat betekent dat de kantonrechter het na vermindering van eis gevorderde bedrag van € 587,93 zal afwijzen. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
4.4.1.
Uit de vier facturen die in de procedure zijn gebracht, blijkt dat die betrekking hebben op:
- 2 uur aan administratieve werkzaamheden tegen een tarief van € 105,00 exclusief btw;
- 7 uur en 36 minuten aan werkzaamheden tegen een specialistentarief van € 230,00 exclusief btw;
- 9 uur en 12 minuten aan werkzaamheden tegen een specialistentarief van € 245,00 exclusief btw.
4.4.2.
Als door Achmea Schadeverzekeringen gesteld en door Hardt Advocaten niet weersproken staat vast dat sprake was van een in juridisch opzicht relatief eenvoudig af te wikkelen letselschadezaak. De aansprakelijkheid is direct erkend, er heeft geen toedrachtonderzoek plaatsgevonden en er zijn geen getuigen gehoord. Ook over de omvang van de materiële schade hebben partijen niet met elkaar gedebatteerd. Ten slotte wijzen ook de omvang van het overeengekomen schadebedrag en de korte tijdspanne tussen aansprakelijkstelling en de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst op een betrekkelijk eenvoudige zaak. Daarvoor zijn door Hardt Advocaten relatief veel uren in rekening gebracht tegen een hoog specialistentarief, waarbij (bijna) geen onderscheid is gemaakt tussen juridisch werk en administratieve werkzaamheden. Van een belangenbehartiger die een specialistentarief in rekening brengt, mag verwacht worden dat hij de tijd die hij, als specialist, aan een zaak besteedt tot een adequaat minimum beperkt. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Achmea Schadeverzekeringen is door Hardt Advocaten onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij dat heeft gedaan, terwijl het als eisende partij wel op haar weg lag om dat onderbouwd te stellen. Nu zij dat heeft nagelaten, is onvoldoende vast komen te staan dat het nog openstaande bedrag van € 587,93 voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets, zeker nu de vijfde factuur in het geheel niet in de procedure is gebracht. De conclusie is dat de vordering van Hardt Advocaten als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen. De uitgevoerde buitengerechtelijke werkzaamheden zijn dus voldoende beloond met de reeds betaalde voorschotten.
4.5. Hardt Advocaten is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij zal worden uitgegaan van de geldende liquidatietarieven. Van een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan volgens vaste rechtspraak slechts bij hoge uitzondering sprake zijn, namelijk bij misbruik van procesrecht en/of onrechtmatig procederen door de wederpartij. Daarvan is hier geen sprake. Rechtbank Gelderland 8 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6377
