RBOBR 140426 uurtarief voor niet advocaat zonder afgeronde specialisatieopleiding; € 150 meer dan passend; ook tijdsbesteding te hoog
- Meer over dit onderwerp:
RBOBR 140426 Nederlands schaderegelaar namens buitenlands verzekeraar start na overeenstemming over slotbetaling deelgeschil over bgk; ontvankelijk
uurtarief voor niet advocaat zonder afgeronde specialisatieopleiding; € 150 meer dan passensd; ook tijdsbesteding te hoog
2Het verzoek en het verweer
2.1.
Dekra verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) om het aan [verweerder] verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te matigen tot een bedrag van € 13.175,31.
2.2.
Aan het verzoek legt Dekra ten grondslag dat met de belangenbehartiger van [verweerder] is onderhandeld over een aan [verweerder] toekomende schadevergoeding als gevolg van een verkeersongeval op 28 juni 2018 en dat in november 2023 overeenstemming is bereikt over een slotbetaling van € 32.500,00. Over een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is geen overeenstemming bereikt omdat de belangenbehartiger een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten verlangt van € 17.844,53. Dit bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW volgens Dekra niet doorstaan. Een factor die daarbij relevant is, is de Regeling Buitengerechtelijke kosten Belangenbehartigers 2021 (BKB). Op grond van de BKB-staffel 2024 zou een bedrag van € 8.227,00 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten in dit geval redelijk zijn. Dekra stelt daar bovenuit te willen gaan maar zij acht maximaal een bedrag van € 13.175,31 in deze zaak redelijk. Daarbij gaat Dekra uit van een redelijke tijdsbesteding voor de periode van 29 juni 2022 tot 6 juni 2023 van 10 uur, en voor de periode van 6 juni 2023 tot 4 januari 2024 van 13 uur. Daarnaast beschouwt zij een uurtarief van € 150,00 als redelijk en vindt zij het apart declareren van kantoorkosten niet redelijk.
2.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe in de eerste plaats aan dat Dekra niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij niet bevoegd zou zijn namens Ethias op te treden en omdat het geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Met betrekking tot de inhoud van het verzoek voert [verweerder] aan dat de gevraagde vergoeding aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 in dit geval redelijk is. Hij wijst erop dat zijn belangenbehartiger sinds 2019 ervaring heeft met de behandeling van letselschadezaken en de Grotius-opleiding en NIVRE basisopleiding bijna heeft afgerond. Verder wijst [verweerder] er onder meer op dat van de zijde van Dekra meerdere keren is gewisseld van schadebehandelaar wat tot extra kosten heeft geleid.
3De beoordeling
3.1.
Dekra heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
3.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
3.3.
In dit geval verschillen partijen alleen nog van mening over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten. Over de aansprakelijkheid en de hoogte van de aan [verweerder] toekomende schade-uitkering hebben partijen overeenstemming bereikt. Met een oordeel over de buitengerechtelijke incassokosten kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen worden afgerond om vervolgens tot een alles omvattende vaststellingsovereenkomst te komen. Dit betekent dat Dekra in haar verzoek kan worden ontvangen en de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
3.4.
Op 28 juni 2018 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij [verweerder] en een motorvoertuig met het kenteken [kenteken] betrokken waren. De eigenaar van dit voertuigwas [A] B.V. en het motorvoertuig was verzekerd bij Ethias die aansprakelijkheid voor de geleden en de nog te lijden schade van [verweerder] als gevolg
van het ongeval heeft erkend. Dekra heeft als Nederlandse vertegenwoordiger van Ethias de schadeafhandeling ter hand genomen. [verweerder] beroept zich op de niet-ontvankelijkheid van Dekra omdat Dekra de schaderegelaar is en in het verzoekschrift ten onrechte wordt aangemerkt als ‘verzoekster’. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid wijst de kantonrechter bij gebreke van een deugdelijke motivering af. Uit de kop van het verzoekschrift blijkt voldoende dat Ethias als Belgische verzekeraar in deze zaak vertegenwoordigd wordt door haar Nederlandse vertegenwoordiger Dekra en dat zij verder in het verzoekschrift wordt aangeduid met ‘verzoekster’. [verweerder] heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer, noch het belang daarbij in deze afrondende fase van het schadetraject, adequaat toegelicht.
3.5.
Buitengerechtelijke kosten komen op grond van art. 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn. De redelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de zogenaamde 'dubbele redelijkheidstoets'. De toets houdt in (i) dat het in de gegeven omstandigheden redelijk moet zijn geweest kosten te maken en (ii) dat de kosten naar hun omvang redelijk zijn. Bij de beoordeling van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten dient niet alleen te worden gekeken naar de verhouding tussen die kosten en de omvang van de schade, maar dient ook rekening te worden gehouden met onder meer de aard van de door het slachtoffer geleden schade, de aard van de door de
rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden en de complexiteit van de zaak.
3.6.
De kantonrechter volgt Dekra erin dat een bedrag van € 13.175,31 aan buitengerechtelijke kosten in deze zaak als (meer dan) redelijk kan worden bestempeld. Dat wordt als volgt toegelicht. De zaak is niet omvangrijk en ook niet complex: het is een beperkt en overzichtelijk geschil. Dat dit anders is, is door [verweerder] niet aannemelijk gemaakt.
In zaken die niet complex zijn, dient de verhouding tussen de schade-uitkering en het bedrag aan buitengerechtelijke kosten redelijk te zijn. Dat is bij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 zoals verzocht door de belangenbehartiger van [verweerder] bij een schade-uitkering € 32.500,-- (55 %) niet het geval.
Ook het gehanteerde uurtarief dat varieert tussen de € 235,-- en € 255,-- exclusief btw per uur oordeelt de kantonrechter in dit geval te hoog en daarom niet redelijk. Dergelijke tarieven worden doorgaans toelaatbaar geacht bij in letselschadezaken gespecialiseerde advocaten met ruime ervaring. Mevrouw El Irari is geen advocaat, heeft geen (afgeronde) specialisatieopleiding en slechts een aantal jaar ervaring bij de behandeling van letselschadezaken. Met Dekra is de kantonrechter van oordeel dat een uurtarief van € 150,-- in dat geval meer dan passend is.
Ook de omvang van het door de belangenbehartiger van [verweerder] in rekening gebrachte aantal uren van 45,6 oordeelt de kantonrechter te hoog. De noodzaak voor het maken van dit grote aantal uren is onvoldoende toegelicht. De belangenbehartiger van [verweerder] heeft onvoldoende onderbouwd dat wisselingen van schadebehandelaar aan de kant van Dekra hebben geleid tot extra werkzaamheden aan haar kant. Daarnaast ziet een deel van de door de belangenbehartiger van [verweerder] in rekening gebrachte uren op de discussie over de buitengerechtelijke kosten zelf.
Tenslotte valt op dat een deel van de in rekening gebrachte uren betrekking heeft op administratieve handelingen waarvoor het volle uurtarief is gerekend, terwijl er bovendien een opslag voor kantoorkosten in rekening is gebracht. Ook dat kan de redelijkheidstoets niet doorstaan.
De kantonrechter zal het bedrag aan buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW daarom matigen tot € 13.175,31. Het verzoek van Dekra wordt dus toegewezen. Rechtbank Oost-Brabant 14 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2330
