Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNNE 050821 KG: rechtsbijstandverzekeraar gehouden andere extern deskundige aan te wijzen, nadat eerdere deskundige opdracht voor second opinion heeft beëindigd

RBNNE 050821 KG: rechtsbijstandverzekeraar gehouden andere extern deskundige aan te wijzen, nadat eerdere deskundige opdracht voor second opinion heeft beëindigd

De feiten

2.1.
Eisende partij heeft op 6 februari 2016 bij de holding van een rechtsbijstandsverzekering afgesloten onder polisnummer 71629270.

2.2.
Op de verzekering zijn de Algemene Voorwaarden Univé Verzekeringen versie 1 en de Voorwaarden Rechtsbijstandsverzekering versie 1 van toepassing. In de voorwaarden is voor zover van belang onder meer het navolgende vermeld:

5.2
Het behandelen, regelen en betalen van verzekerde rechtshulp

Heeft u juridische hulp nodig bij een conflict? Wij kijken eerst of deze hulp verzekerd is. Zo ja, dan stellen wij samen u vast wat u wilt bereiken.

Op basis daarvan beoordelen wij steeds:

of er een redelijke kans van slagen is van wat u wilt bereiken. Daarvan is in ieder geval sprake als er meer dan 50% bestaat dat u bereikt wat u wilt;

wat het best haalbare resultaat is;

of en zo ja, wanneer er een procedure gevoerd moet worden. ( ... )

8.
Geschillenregeling

Bent u het niet eens met onze voorgestelde juridische aanpak in onze rechtsbijstand? Dan proberen we dit eerst zelf met u op te lossen.

Lukt dit niet? Dan is er een wettelijke regeling om u te beschermen. Dit is de geschillenregeling. Deze regeling geldt als u het niet eens bent met de beoordeling van de haalbaarheid of de juridisch aanpak (de inhoudelijke behandeling) van uw conflict. De kosten van deze regeling tellen niet mee voor de maximaal te betalen verzekerde kosten. In andere gevallen dan geldt de regeling niet.

2.3.
Eisende partij heeft op 29 april 2016 bij een geschil met de naam vereniging aangemeld. SUR heeft de dekking van het geschil onder de rechtsbijstandsverzekering erkend. Ten aanzien van de inhoudelijk behandeling van de zaak heeft SUR zich in onder meer de brieven van 4 juli 2018 en 6 december 2018 op het standpunt gesteld dat er naar haar mening onvoldoende kans is om het door eisende partij beoogde resultaat te behalen. Eisende partij heeft gemotiveerd te kennen gegeven dat hij het niet eens is met dit standpunt.

2.4.
Eisende partij heeft op 26 juli 2016 de toenmalige bestuurders van naam vereniging aansprakelijk gesteld.

2.5.
In maart 2018 is de geschillenregeling gestart en is het dossier voor een second opinion aan een extern advocaat, naam1, voorgelegd. Partijen hebben voorafgaand aan de beoordeling van de zaak door naam1 gecorrespondeerd over de aan te leveren (bewijs)stukken. Tot een inhoudelijke beoordeling is het niet gekomen. In oktober 2018 heeft SUR de eindafrekening van naam1 voldaan, waarna het dossier heeft gesloten.

2.6.
Vervolgens heeft eisende partij meerdere klachten bij SUR ingediend.

2.7.
Op 17 februari 2020 heeft eisende partij bij Kifid een klacht jegens ingediend. Nadat uitgebreid verweer heeft gevoerd, heeft op 21 oktober 2020 een hoorzitting plaatsgevonden. Partijen zijn hierbij tot een minnelijke regeling gekomen. De minnelijke regeling is vastgelegd door naam2, verbonden aan Kifid, door middel van een e-mailbericht van 21 oktober 2020. In het bericht staat voor zover van belang genoemd:

Via deze weg bevestig ik u allen dat in bovengenoemd dossier op de hoorzitting van 21 oktober 2020 tussen partijen een schikking tot stand is gekomen.

Partijen zijn overeengekomen als volgt: dat er in het kader van de geschillenregeling ex artikel 8 van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden een extern deskundige zal worden aangewezen voor een second opinion. Deze extern deskundige zal worden aangewezen door de Deken Noord-Holland. De extern deskundige bepaalt op basis van de opdracht en het toegezonden dossier of de door Univé Rechtshulp voorgestelde juridische aanpak of beoordeling van de redelijke kans van slagen goed is.

De stukken die aan de extern deskundige worden toegestuurd zijn de volgende: de aansprakelijkstelling d.d. 26 juli 2016, de brief van Univé Rechtshulp van 31 mei 2017, de brief van Univé Rechtshulp van 22 juni 2017, de brief van Univé Rechtshulp van 28 juni 2017, de brief van Univé Rechtshulp van 4 juli 2018, de aansprakelijkstelling van 4 dec 2018, de brief van Univé Rechtshulp van 6 december 2018, de brief van consument aan het ex-bestuur van 11 januari 2019 en het aangeleverde We-transfer bestand met de daarbij behorende index. Het gaat om de stukken die ook naar mr. Van Ewijk zijn gestuurd

Consument trekt zijn klacht in.”

2.8.
Aan de Deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland is ten behoeve van het uitvoeren van de geschillenregeling verzocht om een bindend adviseur te benoemen. De Deken heeft naam3 te Haarlem bereid gevonden om als bindend adviseur te fungeren.

2.9.
Op 18 december 2020 heeft naam3 de ontvangst van de door eisende partij toegezonden stukken bevestigd. Nadat SUR op of omstreeks 15 februari 2021 de opdracht voor een second opinion aan naam3 heeft gegeven en deze ook door naam3 is aanvaard, heeft naam3 op 16 februari 2021 aan eisende partij om toezending van nadere stukken verzocht. Eisende partij heeft daarop gereageerd met een e-mailbericht van 16 februari 2021. Een uur na ontvangst van dit bericht heeft naam3 te kennen gegeven dat de inhoud van het bericht van eisende partij aanleiding geeft te stoppen met het traject van de second opinion. Eisende partij heeft op 17 februari 2021 aan naam3 bericht dat hij zijn onttrekking niet begrijpt. Hierop is geen reactie gekomen.

2.10.
Op 23 februari 2021 heeft SUR aan eisende partij medegedeeld dat haar niets anders rest dan zich bij het besluit van naam4 neer te leggen en het dossier definitief te sluiten.

Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Univé te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening te wijzen vonnis de door eisende partij afgesloten rechtsbijstandsverzekering uit te voeren met betrekking tot de geschillenregeling, overeenkomstig de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst zoals is vastgelegd in het e-mailbericht van mevrouw naam2 d.d. 21 oktober 2020 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- voor elke dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft, een dagdeel daaronder begrepen met een maximum van € 50.000,-, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2.
SUR voert gemotiveerd verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1.
Eisende partij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat hij recht en spoedeisend belang heeft om nakoming te verkrijgen van de in artikel 4:68 Wft wettelijk vastgelegde regeling en om de bij het Kifid tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst alsnog uit te laten voeren door gedaagde partij.

4.2.
Het meest verstrekkende verweer van SUR bestaat eruit dat eisende partij geen spoedeisend belang heeft bij de vordering. In confesso tussen partijen is dat de (inhoudelijke) behandeling van de rechtsbijstand heeft gestaakt. Volgens eisende partij dreigen bepaalde gebeurtenissen te verjaren en is het noodzakelijk dat op korte termijn rechtsmaatregelen worden getroffen tegen het bestuur van de naam vereniging. Nu er geruime tijd is verstreken tussen het moment van aansprakelijk stellen van de bestuurders van de naam vereniging op 26 juli 2016 (r.o. 2.4.) en de onderhavige procedure en naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende vast is komen te staan of en wanneer die rechtsvordering is gestuit, is het denkbaar dat de vordering is verjaard. Eisende partij heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat van hem redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht, zodat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

4.3.
SUR heeft voorts aangevoerd dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een kort geding, omdat de zaak daarvoor te omvangrijk is en gecompliceerd zou zijn. Ook dit verweer treft geen doel. Anders dan stelt, gaat het hier slechts om de vraag of (alsnog) uitvoering dient te worden gegeven aan de tussen partijen bij Kifid overeengekomen regeling, hetgeen zich voor een behandeling in kort geding leent.

4.4.
Vervolgens is tussen partijen in geschil of en in hoeverre SUR de verplichtingen uit de verzekerings- en vaststellingsovereenkomst is nagekomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen bij Kifid zijn overeengekomen om in het kader van de geschillenregeling een extern deskundige aan te wijzen voor een second opinion. Getuige de regeling houdt dit in dat een extern deskundige op basis van de opdracht en het toegezonden dossier beoordeelt of de door voorgestelde juridische aanpak of beoordeling van de redelijke kans van slagen goed is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van de huidige stand van zaken niet worden vastgesteld dat SUR (volledig) aan haar verplichtingen uit hoofde van de voornoemde regeling heeft voldaan. Gebleken is dat SUR ter uitvoering van de regeling opdracht heeft gegeven om de second opinion uit voeren en dat zij ook bereid is geweest om de hieruit voortvloeiende kosten te voldoen. Vervolgens is SUR evenwel geconfronteerd met het feit dat naam3 te kennen heeft gegeven dat hij de opdracht wenst te beëindigen. Vorenstaande brengt, ongeacht de daaraan ten grondslag liggende reden, mee dat het hiervoor beoogde resultaat van de regeling niet is bereikt. Immers, nog altijd is er geen oordeel van een extern deskundige over de haalbaarheid van de door eisende partij aangemelde zaak. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan SUR er dan ook niet mee volstaan te stellen dat de omstandigheid dat naam3 de opdracht heeft beëindigd meebrengt dat de regeling is uitgevoerd. SUR kan de second opinion na (laten) komen door een andere deskundige aan te (laten) wijzen voor de uitvoering van de opdracht.

4.5.
Dat de beëindiging van de opdracht is te wijten aan het handelen van eisende partij omdat hij, zoals SUR heeft aangevoerd, in strijd met de gemaakte afspraken meer en/of andere dan de in de regeling gespecificeerde stukken aan naam3 heeft toegestuurd, is van de zijde van eisende partij uitdrukkelijk betwist en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet, althans onvoldoende, gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat naam3 na ontvangst van een e-mailbericht van de zijde van eisende partij de opdracht terug heeft gegeven maar over de daadwerkelijke reden voor de beëindiging van de opdracht tast de voorzieningenrechter nog altijd in het duister.

4.6.
In het verlengde hiervan faalt tevens de stelling van SUR dat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van eisende partij omdat nakoming uitsluitend wordt verhinderd door zijn handelen. De schuldeiser komt ex artikel 6:58 BW in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Dat eisende partij nakoming van de verbintenis heeft verhinderd, is zoals hiervoor is overwogen niet, althans onvoldoende, gebleken. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat geen sprake is van schuldeisersverzuim.

4.7.
De voorzieningenrechter is samenvattend voorshands van oordeel dat niets eraan in de weg dat de overeengekomen regeling alsnog wordt nagekomen. In dit kader kan een nieuwe externe deskundige worden aangewezen om de opdracht uit te voeren. De vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed. Ook de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om de dwangsom te matigen en daar een maximum aan te verbinden.

4.8.
De voorzieningenrechter overweegt nog dat het eisende partij niet is toegestaan om (buiten de in regeling van 21 oktober 2020 opgenomen stukken) stukken of toelichtingen aan de nieuw aan te stellen deskundige toe te zenden. Dit om eventuele toekomstige problemen, als in deze procedure, te voorkomen.

4.9.
SUR zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 119,21
- griffierecht € 85,00
- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.220,21

De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.
veroordeelt SUR om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de door eisende partij afgesloten rechtsbijstandsverzekering uit te voeren met betrekking tot de geschillenregeling, overeenkomstig de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst zoals is vastgelegd in het e-mailbericht van mevrouw naam2 d.d. 21 oktober 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat SUR daarmee in gebreke blijft, een dagdeel daaronder begrepen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, ECLI:NL:RBNNE:2021:3612