RBNHO 160126 fietsongeval met tegemoetkomende groep fietsers; vorderingsrecht verjaard; mogelijkheid om een beroep te doen op verjaring is niet door rechtsverwerking verloren gegaan
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 160126 fietsongeval met tegemoetkomende groep fietsers; vorderingsrecht verjaard; geen sprake van onderhandelingen; geen duurstuiting ex 7:942 BW;
- mogelijkheid om een beroep te doen op verjaring is niet door rechtsverwerking verloren gegaan
- overigens is uit het procesdossier een (verkeers)fout of onzorgvuldig rijgedrag onvoldoende af te leiden
- verzocht 26 uur x € 255 + 21%; begroot, niet toegewezen, 20 uur x € 255 + 21% = € 6171
De zaak in het kort
Op 20 mei 2015 heeft een fietsongeval plaatsgevonden op een fietspad in Santpoort-Noord. [verzoekster] fietste een groep van vijf meisjes tegemoet die naar school reden. Op een gegeven moment was er bij het passeren contact tussen [verzoekster] en één van de meisjes, de destijds dertienjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ). [verzoekster] , [minderjarige] en een ander meisje dat naast [minderjarige] reed, zijn toen gevallen. [verzoekster] heeft als gevolg van deze val (letsel)schade opgelopen. [verzoekster] verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat [verweerders sub 1] (de ouders van [minderjarige] ) en/of Achmea (de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerders sub 1] ) aansprakelijk is voor deze schade. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het vorderingsrecht van [verzoekster] op [verweerders sub 1] én Achmea is verjaard. Bovendien is niet komen vast te staan dat [minderjarige] een (verkeers)fout heeft gemaakt die maakt dat haar ouders risicoaansprakelijk zijn voor de schade van [verzoekster] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1-9;
- het verweerschrift met producties 1-7;
- een e-mail van 15 december 2025 van mr. Van de Velde met twee pagina’s uit het medisch dossier van [verzoekster] .
1.2.
Op 17 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van het deelgeschil plaatsgevonden. Op de zitting is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door mr. M. van de Velde en mr. M.S. Brun. Daarnaast zijn [verweerders sub 1] verschenen, bijgestaan door mr. J.L.S.M. van Esser, die ook Achmea op de zitting vertegenwoordigde.
1.3.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Van der Velde heeft daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.
1.4.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat op 28 januari 2026 of zoveel eerder als mogelijk een beschikking zal volgen.
2De feiten
2.1.
[verzoekster] was op 20 mei 2015 rond 07.45 uur betrokken bij een fietsongeval op [adres 1] in Santpoort-Noord (in de gemeente Velsen). [adres 1] is een fietspad voor tweerichtingsverkeer en had in die tijd geen asmarkeringen.
2.2.
[verzoekster] fietste in de richting van Spaarndam , zij was op weg naar het ziekenhuis voor haar werk. Zij reed een groep van vijf meisjes tegemoet die in de richting van het [adres 2] fietsten, op weg naar school. [naam 1] en [naam 2] reden voorop. Daarachter reden [minderjarige] (links), [naam 3] (midden) en [naam 4] (rechts) met zijn drieën naast elkaar. Toen deze drie meisjes [verzoekster] zagen aankomen, schoof [naam 4] naar voren. [minderjarige] en [naam 3] gingen naast elkaar rijden: [naam 3] aan de bermzijde en [minderjarige] links van haar. De kratjes van de fietsen van [minderjarige] en [naam 3] raakten elkaar.
2.3.
Op enig moment zijn [verzoekster] en [minderjarige] bij het passeren met elkaar in aanraking gekomen. [verzoekster] , [minderjarige] en [naam 3] zijn daarna ten val gekomen (hierna: het fietsongeval).
2.4.
Bij brief van 30 juli 2015 heeft mr. M.C.J. Peters, de toenmalige advocaat van [verzoekster] , [verweerders sub 1] als ouders van de destijds dertienjarige [minderjarige] aansprakelijk gesteld voor alle (letsel)schade die [verzoekster] heeft geleden en nog te lijdt als gevolg van het fietsongeval.
2.5.
[verweerders sub 1] heeft de aansprakelijkstelling doorgezonden aan verzekeraar Achmea.
Bij e-mail van 11 augustus 2015 heeft Achmea aan mr. M.C.J. Peters bericht dat geen aansprakelijkheid van [verweerders sub 1] wordt erkend.
2.6.
Bij verzoekschrift van 24 september 2016 heeft mr. M.C.J. Peters namens [verzoekster] bij deze rechtbank een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en een verzoek tot een gerechtelijke plaatsopneming ingediend. De rechtbank heeft het eerste verzoek toegewezen en het tweede verzoek aangehouden.
2.7.
Op 2 maart 2017 is in de rechtbank in Alkmaar een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Er zijn verklaringen afgelegd door [verzoekster] , [minderjarige] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 1] en [getuige] Laatstgenoemde fietste langs toen het fietsongeval had plaatsgevonden. Van de verklaringen is een proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor opgemaakt.
2.8.
Bij brief van 21 maart 2017 heeft mr. M.C.J. Peters namens [verzoekster] aan de rechtbank laten weten dat wordt afgezien van het horen van verdere getuigen in enquête en dat ook wordt afgezien van een gerechtelijke plaatsopneming. Een kopie van deze brief is verzonden aan de advocaat van [verweerders sub 1] en Achmea.
2.9.
Op 30 oktober 2017 heeft [verzoekster] aan [naam 5] , die namens Achmea bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig was, het volgende gemaild:
“Geachte heer [naam 5] ,
Graag zou ik naar aanleiding van onze ontmoeting samen met [naam 6] , in de rechtbank te Alkmaar een gesprek met U willen hebben. Kunnen wij daarvoor een afspraak inplannen?
Met vriendelijke groet,
[verzoekster] ”
2.10.
[naam 5] heeft bij e-mail van 6 november 2017 als volgt gereageerd, voor zover van belang:
“Geachte mevrouw [verzoekster] ,
Ik ontving uw onderstaand emailbericht. Nadat wij in maart 2017 het voorlopig getuigenverhoor in deze zaak hebben afgesloten, hebben zich - voor zover ik kan zien - geen inhoudelijke processuele ontwikkelingen voorgedaan. Van uw belangenbehartiger mw. mr Peters is nadien niet meer vernomen. Op basis van de resultaten van het voorlopig getuigenverhoor zal Interpolis namens [verweerders sub 1] geen aansprakelijkheid erkennen.
Ik kan op dit moment niet (goed) inschatten wat uw verwacht van een bespreking met mij. Normaal gesproken zou de kwestie in rechte worden voortgezet. Zoudt u mij uw verzoek nader willen toelichten, opdat we over en weer duidelijk hebben waar we staan en dat er (van de zijde van Interpolis) geen valse verwachtingen worden gewekt. Bovendien wil ik opmerken dat het mij in beginsel niet is toegestaan met u te communiceren zonder dat uw belangenbehartiger daar weet van heeft. Ik hoor graag van u.
met vriendelijke groet,”
2.11.
Een verdere reactie van (de zijde van) [verzoekster] bleef uit.
2.12.
Op 18 oktober 2024 heeft mr. M. van de Velde, de huidige advocaat van [verzoekster] , een stuitingsbrief met toelichting aan Achmea toegestuurd.
2.13.
Naar aanleiding van dit bericht hebben Achmea en mr. M. van de Velde telefonisch contact gehad op 11 december 2024.
2.14.
Vervolgens heeft mr. M. van de Velde aan Achmea bij brief van 18 maart 2025 namens [verzoekster] een aanvullende aansprakelijkstelling toegestuurd.
2.15.
Achmea heeft mr. M. van de Velde bij brief van 16 april 2025 laten weten dat zij haar standpunt met betrekking tot afwijzing van aansprakelijkheid niet wijzigt en dat verdere onderhandelingen met [verzoekster] worden afgebroken met het oog op de verjaringstermijn.
3. Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
primair
I. voor recht te verklaren dat [verweerders sub 1] en/of Achmea aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en te lijden schade als gevolg van het fietsongeval;
subsidiair
II. te bepalen dat [verweerders sub 1] en/of Achmea aansprakelijk is voor een deel van de schade, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
III. de kosten van het deelgeschil te begroten en Achmea te veroordelen tot betaling daarvan.
3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat voldoende aannemelijk is dat het gevaarlijke rijgedrag van [minderjarige] het fietsongeval heeft veroorzaakt, zodat haar ouders op grond van artikel 6:169 jo. artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) risicoaansprakelijk zijn voor de schade die uit deze onrechtmatige daad voortvloeit. Daartoe stelt [verzoekster] , samengevat, het volgende.
3.2.1.
Hoewel [minderjarige] en [naam 3] hebben verklaard op hun eigen weghelft te hebben gereden, zijn deze verklaringen niet betrouwbaar. Op het fietspad ontbraken asmarkeringen, zodat de verklaringen van de meisjes uitsluitend berusten op subjectieve inschattingen. De meisjes hebben een verkeerde inschatting gemaakt van de breedte van hun eigen weghelft. Bovendien zijn hun verklaringen partijdig, omdat zij die vooraf met elkaar hebben doorgenomen. Daarnaast staat vast dat de fietsen van [minderjarige] en [naam 3] elkaar met de kratjes hebben geraakt. Het is zeer aannemelijk – aangezien het fietspad smal was – dat [minderjarige] door het aantikken van de kratjes buiten haar weghelft is beland. [minderjarige] heeft na het ongeval ook ‘sorry, sorry, ik kreeg een zet’ gezegd tegen [verzoekster] . Ten slotte staat vast dat de meisjes aan het praten waren en dus mogelijk onoplettend zijn geweest.
3.2.2.
Het is dan ook voldoende aannemelijk, aldus nog steeds [verzoekster] , dat [minderjarige] niet op haar eigen weghelft is gebleven. Dat kan zich op twee manieren hebben voorgedaan: of [minderjarige] reed al voor de ontmoeting met [verzoekster] (gedeeltelijk) buiten haar weghelft of zij is, nadat de kratjes van [minderjarige] en [naam 3] elkaar aantikten, uit haar lijn geraakt en (gedeeltelijk) op de weghelft van [verzoekster] terecht gekomen. [minderjarige] heeft daarmee in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 onvoldoende rechts gehouden en onvoldoende passeerruimte aan [verzoekster] gegeven. Verder heeft [minderjarige] een verkeersfout gemaakt door onvoldoende afstand tot [naam 3] te bewaren en vlak voor het ongeval nog met z’n drieën naast elkaar te fietsen.
3.2.3.
[verzoekster] heeft door het fietsongeval een teen- en elleboogfractuur opgelopen. Zij heeft nog steeds zenuwletsel waardoor zij haar hobby’s en haar beroep als oogarts niet meer zoals vroeger kan uitoefenen. [verzoekster] houdt (de ouders van) [minderjarige] voor deze schade aansprakelijk. Zij beschikken ook over een verzekering bij Achmea die de schade kan dekken.
3.2.4.
Hoewel de zaak een tijd heeft stilgelegen is er geen sprake van verjaring van de vordering. Na het voorlopig getuigenverhoor, dat de verjaring actief stuitte, heeft Achmea geen aangetekende brief gestuurd waarin de onderhandelingen ondubbelzinnig werden afgebroken. Dat betekent dat de duurstuiting conform artikel 7:942 lid 3 BW voortduurde. Met de brief van 18 oktober 2024 is de verjaringstermijn gestuit. Daarna heeft Achmea pas formeel de onderhandelingen afgebroken.
3.3.
[verweerders sub 1] en Achmea verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij voeren, samengevat, het volgende aan.
3.3.1.
Primair geldt dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op basis van de nu voorliggende informatie is de toedracht (althans de oorzaak) van het fietsongeval niet vast te stellen. Nadere bewijslevering is nodig over zowel de plaats van het ongeval als de daadwerkelijke veroorzaker van het ongeval. De zaak is daarom niet geschikt voor behandeling in deelgeschil. Verder is een deelgeschil slechts bedoeld voor letselschadeprocedures. [verzoekster] heeft niet aangetoond dat zij als gevolg van het fietsongeval letsel heeft opgelopen.
3.3.2.
Subsidiair geldt dat het vorderingsrecht van [verzoekster] op [verweerders sub 1] en Achmea is verjaard.
3.3.3.
Meer subsidiair geldt dat [verweerders sub 1] niet aansprakelijk is voor het fietsongeval. Van een verkeersovertreding van [minderjarige] die heeft geleid tot het ongeval is namelijk geen sprake. Uit de getuigenverklaringen van [minderjarige] en [naam 3] blijkt dat [minderjarige] op haar eigen weghelft is gebleven. [verzoekster] heeft zelf ook niet verklaard dat [minderjarige] op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer reed. Ondersteunend aan de verklaringen van [minderjarige] en [naam 3] zijn de bevindingen van de toedrachtsonderzoeker die Achmea heeft ingeschakeld. Daaruit blijkt dat het mogelijk was om met (meerdere) brede voertuigen, zoals een fiets met een krat, op [adres 1] naast elkaar te fietsen en tegelijkertijd op de eigen weghelft te blijven. [verzoekster] had dus voldoende ruimte, ook uitgaande van haar eigen berekeningen, om [minderjarige] (en haar vriendinnen) te passeren. In dat licht bezien is het irrelevant of [minderjarige] onvoldoende afstand tot [naam 3] heeft bewaard (waardoor de kratjes tegen elkaar kwamen) of dat zij kort voor het ongeval met zijn drieën naast elkaar reed. Dat gestelde handelen heeft overigens ook geen invloed gehad op het plaatsvinden van het fietsongeval.
3.3.4.
Als de rechtbank oordeelt dat [verweerders sub 1] toch aansprakelijk is, dan geldt meest subsidiair dat sprake is van tenminste 60% eigen schuld van [verzoekster] . Zij kwam immers met een hoge snelheid (23 km/u), wijd gespreide armen en onvoldoende aandacht voor haar omgeving over [adres 1] aangereden. Blijkens de voorlopig getuigenverhoren had zij in haar rijgedrag volledig de focus op haar eigen route naar haar werk, welke route anders was dan op andere dagen. Zij heeft op geen enkele wijze haar eigen rijgedrag aangepast aan de naderende situatie. [verzoekster] had het ongeval op eenvoudige wijze kunnen voorkomen door, indien zij het gevoel had dat zij [minderjarige] (en de meisjes) niet kon passeren, uit te wijken naar het gelijkvloerse pad naast het fietspad. Dat heeft zij nagelaten.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Behandeling in deelgeschil
4.1.
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Een deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. [verzoekster] heeft naar het oordeel van de rechtbank met de nader overgelegde medische informatie aangetoond dat zij door het fietsongeval letsel heeft opgelopen, zodat het niet-ontvankelijkheidsverweer van [verweerders sub 1] en Achmea op die grond niet slaagt.
4.2.
Het deelgeschil ziet op de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. Uit vaste rechtspraak volgt dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Een vaststelling van aansprakelijkheid zou de impasse tussen partijen namelijk kunnen doorbreken. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier voldoende materiaal, waaronder een proces-verbaal van voorlopige getuigenverhoor, om over de aansprakelijkheid te beslissen. Anders dan [verweerders sub 1] en Achmea menen leent de zaak zich daarom voor behandeling in deelgeschil, zodat de rechtbank ook aan dit
niet-ontvankelijkheidsverweer voorbij gaat.
Beroep op verjaring
4.3.
[verweerders sub 1] en Achmea beroepen zich op verjaring van de vordering van [verzoekster] . Zij voeren aan dat [verzoekster] de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 BW ruimschoots heeft laten verstrijken. Na de directe afwijzing van de aansprakelijkheid door Achmea is het stil gebleven van de zijde van [verzoekster] . Er is geen sprake geweest van een (tijdige) stuitingshandeling. Enige onderhandeling met Achmea is ook niet gestart. Het verjaringsregime van artikel 7:942 BW waarop (de advocaat van) [verzoekster] zich in de brief van 18 oktober 2024 beroept, komt alleen om die reden al niet in beeld. Overigens mist de (duur)stuitingsregeling van artikel 7:942 lid 3 BW ook toepassing wegens het ontbreken van onderhandelingen, aldus [verweerders sub 1] en Achmea.
4.4.
[verzoekster] betwist dat haar vordering is verjaard. Volgens [verzoekster] kan zij met succes een beroep doen op artikel 7:954 BW (de directe actie): haar toenmalige advocaat heeft [verweerders sub 1] aansprakelijk gesteld, [verweerders sub 1] heeft de schade bij Achmea gemeld en de correspondentie verliep vervolgens via de directe actie. [verzoekster] wijst erop dat bij toepassing van artikel 7:954 BW de dwingendrechtelijke verjaringsregeling van artikel 7:942 lid 1 jo. artikel 7:943 lid 2 BW doorwerkt. De daarin vermelde verjaringstermijn van drie jaren is in deze zaak gestuit. De eerste stuitingshandeling was de aansprakelijkstelling van 30 juli 2015. Vervolgens begon een (nieuwe) verjaringstermijn van drie jaren te lopen nadat Achmea de aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 had afgewezen. In de periode daarna is er nog onderhandeld over de vordering van [verzoekster] . Achmea heeft echter tot 16 april 2025 geen ondubbelzinnige mededeling gedaan dat zij de onderhandelingen afbrak. Dit betekent dat de duurstuiting conform artikel 7:942 lid 3 BW tot 16 april 2025 voortduurde. Zodoende is de vordering van [verzoekster] op Achmea niet verjaard. Voor een eventuele restvordering op [verweerders sub 1] geldt het algemene verjaringsregime van artikel 3:310 lid 1 BW. Ook die vordering is niet verjaard, aldus [verzoekster] .
Verschillende verjaringsregelingen
4.5.
De rechtbank overweegt dat op de (schade)vordering van [verzoekster] als benadeelde verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn, nu [verzoekster] [verweerders sub 1] aansprakelijk houdt voor haar schade en zij daarnaast een rechtsvordering instelt tegen Achmea als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerders sub 1] . De relatie tussen [verzoekster] en [verweerders sub 1] wordt beheerst door artikel 3:310 BW. Dat artikel bevat een algemene verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen tot schadevergoeding. De relatie tussen [verzoekster] en Achmea in het kader van de directe actie wordt beheerst door artikel 7:942 BW. Dat artikel kent een eigen, afwijkende verjaringstermijn van drie jaar.
Het (beweerdelijke) vorderingsrecht van [verzoekster] op Achmea
4.6. De rechtbank zal eerst bespreken of het (beweerdelijke) vorderingsrecht van [verzoekster] op Achmea is verjaard.
4.7.
Artikel 7:942 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering door verloop van drie jaren verjaart na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Artikel 7:942 lid 3 BW bepaalt dat bij verzekering tegen aansprakelijkheid, zoals hier aan de orde, de verjaring wordt gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. In dat geval begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de onderhandelingen afbreekt.
4.8.
Als op enig moment tussen benadeelde en verzekeraar ‘onderhandelingen’ zijn geopend, geldt op grond van deze bepalingen dus geen verjaringstermijn meer (dit wordt ook wel ‘duurstuiting’ van de verjaring genoemd). Die situatie komt echter tot een einde als door de verzekeraar ondubbelzinnig te kennen wordt gegeven dat de onderhandelingen zijn afgebroken. Vanaf dat moment gaat er weer (zoals daarvoor, vóórdat de onderhandelingen waren afgebroken) een verjaringstermijn van drie jaren lopen.
4.9.
[verzoekster] heeft [verweerders sub 1] op 30 juli 2015 aansprakelijk gesteld, waarna Achmea de aansprakelijkheid van [verweerders sub 1] op 11 augustus 2015 heeft afgewezen. De driejarige verjaringstermijn is toen gaan lopen. De vraag is of op enig moment tussen [verzoekster] en Achmea is onderhandeld waardoor deze verjaringstermijn is gestuit, wat [verzoekster] stelt maar Achmea betwist.
4.10.
Het begrip ‘onderhandeling’ in artikel 7:942 lid 3 BW moet in ruime zin worden opgevat, zodat daaronder elke briefwisseling en elke mondelinge bespreking over de mogelijke uitkering moet worden begrepen. Volgens de wetgever kan voor verdere uitleg van het begrip ‘onderhandeling’ aansluiting worden gezocht bij de interpretatie in de rechtspraak van dit begrip in artikel 10 lid 5 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), in het bijzonder bij de rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof. 1
4.11.
Op basis van arresten van het Benelux-Gerechtshof is, om van onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 5 WAM te kunnen spreken, vereist een over en weer bespreken, een uitwisseling van berichten tussen de benadeelde en de verzekeraar, van dien aard dat zij aan de benadeelde de indruk geeft dat de verzekeraar een regeling van het ongeval overweegt. Bij een ondubbelzinnige en volstrekt afwijzende reactie van de verzekeraar, waaruit de benadeelde moest afleiden dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsloot, is geen sprake is van ‘onderhandeling’ in de zin van artikel 10 lid 5 WAM (en dus ook niet van ‘onderhandeling’ in de zin van artikel 7:942 lid 3 BW). 2
4.12.
Anders dan [verzoekster] meent, kan het houden van een voorlopig getuigenverhoor op 2 maart 2017 waarbij [verzoekster] en Achmea beide aanwezig waren, niet onder ‘onderhandeling’ (als stuitingshandeling) worden begrepen.3 Nergens blijkt uit de houding of het gedrag van Achmea in de periode tussen de afwijzing van aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 en het najaar van 2017 dat Achmea aan [verzoekster] de indruk heeft gegeven dat zij een regeling van het fietsongeval overwoog. Sterker nog, uit de wijze waarop Achmea bij e-mail van 6 november 2017 reageerde op het verzoek van [verzoekster] om een gesprek kon en moest [verzoekster] afleiden dat Achmea een regeling zonder meer uitsloot. Achmea heeft daarin ondubbelzinnig en in volstrekt afwijzende zin te kennen gegeven dat erkenning van aansprakelijkheid van [verweerders sub 1] op basis van de resultaten van het voorlopig getuigenverhoor niet aan de orde is. Een nadere reactie van (de zijde van) [verzoekster] bleef vervolgens uit. Ook verder is vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van drie jaar niet gebleken van omstandigheden die op een onderhandelingssituatie in de zin van artikel 7:942 lid 3 BW wijzen.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat van duurstuiting van de verjaring dan ook geen sprake is, zodat de regeling van artikel 7:942 lid 3 BW toepassing mist. Er is ook niet gebleken van enige, andere stuitingshandeling (“onderhandeling”) waardoor de verjaringstermijn van drie jaar is gestuit en een situatie van duurstuiting zou moeten worden aangenomen. Dit betekent dat op grond van artikel 7:942 lid 1 BW het (beweerdelijke) vorderingsrecht van [verzoekster] op Achmea in het kader van de directe actie al was verjaard in 2024.
Het (beweerdelijke) vorderingsrecht van [verzoekster] op [verweerders sub 1]
4.14.
Dan ligt de vraag voor of [verzoekster] zich nog rechtstreeks kan verhalen op [verweerders sub 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De verjaringstermijn van artikel 3:310 BW bedraagt vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De rechtbank laat in het midden op welk moment deze termijn in dit geval precies is aangevangen - daarover verschillen partijen van mening - maar zelfs indien wordt uitgegaan van het laatste bericht van [verzoekster] van 30 oktober 2017 moet worden geconcludeerd dat op het moment dat haar huidige advocaat zich op 18 oktober 2024 met haar stuitingsbrief bij Achmea meldde het vorderingsrecht van [verzoekster] op [verweerders sub 1] al ruimschoots was verjaard. [verzoekster] heeft niet concreet en onderbouwd aangevoerd dat zij in de tussenliggende periode enige stuitingshandeling heeft verricht die tot een ander oordeel noopt.
Beroep op rechtsverwerking
4.15.
[verzoekster] voert subsidiair aan dat het beroep op verjaring moet worden afgewezen, omdat sprake is van rechtsverwerking (artikel 6:2 lid 2 BW). Volgens [verzoekster] heeft Achmea het recht om een beroep op verjaring te doen verloren door niet tegen de stuitingsbrief van 18 oktober 2024 in te gaan en het dossier vervolgens weer inhoudelijk te behandelen. Door deze gedragingen van Achmea is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat Achmea geen beroep zou doen op verjaring. Dit wordt bevestigd doordat Achmea in haar brief van 16 april 2025 de onderhandelingen met [verzoekster] alsnog ondubbelzinnig afwees met het oog op de verjaringstermijn waarbij werd verwezen naar het verjaringsregime van artikel 7:942 BW, aldus [verzoekster] .
4.16.
Rechtsverwerking is een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid waarvoor nodig is dat degene die bevoegd is een recht uit te oefenen zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dat recht.4 Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [verzoekster] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea/ [verweerders sub 1] geen beroep (meer) zou doen op verjaring, hetzij de positie van [verzoekster] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval Achmea/ [verweerders sub 1] dit beroep alsnog zou doen.5
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden het beroep op rechtsverwerking niet dragen. [verzoekster] heeft het door haar gestelde vertrouwen niet aan de (telefonische) reactie van Achmea op haar stuitingsbrief van 18 oktober 2024 kunnen ontlenen. Die is opgevolgd door een aanvullende aansprakelijkstelling waarop Achmea opnieuw afwijzend heeft gereageerd. Van een inhoudelijke behandeling van het dossier is geen sprake geweest. [verzoekster] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd als gevolg waarvan bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea/ [verweerders sub 1] zich niet op verjaring zou beroepen. Uit de brief van 16 april 2025 van Achmea waarbij naar het verjaringsregime van artikel 7:942 BW wordt verwezen, kan dit niet worden afgeleid. De vordering uit de directe actie was op dat moment al jaren verjaard. Het stond Achmea/ [verweerders sub 1] dan ook vrij om in het kader van deze procedure een beroep te doen op verjaring.
Conclusie
4.18.
Gevolg van de verjaring is dat de rechtsvordering van [verzoekster] op [verweerders sub 1] en Achmea is tenietgegaan. Het verzoek van [verzoekster] is om die reden dus niet toewijsbaar.
4.19.
Vanwege het geslaagde verjaringsverweer komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige stellingen van partijen. Echter, op uitdrukkelijk verzoek van [verzoekster] ter zitting zal de rechtbank hierna ook een oordeel geven over de aansprakelijkheid.
Oordeel aansprakelijkheid (ten overvloede)
4.20.
[verzoekster] acht [verweerders sub 1] aansprakelijk voor haar schade, omdat [minderjarige] volgens haar een gevaarzettende situatie in het verkeer heeft gecreëerd en daarmee in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid, ofwel onrechtmatig, jegens haar heeft gehandeld.
4.21.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [verzoekster] de stelplicht en zo nodig de bewijslast van haar stellingen.
4.22.
[verzoekster] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [minderjarige] daadwerkelijk een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd die maakt dat [verweerders sub 1] risicoaansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] . Dit licht de rechtbank hierna toe.
4.22.1.
Dat [minderjarige] een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt of anderszins onzorgvuldig rijgedrag moet worden verweten valt uit het procesdossier onvoldoende duidelijk af te leiden. De getuigenverklaringen hierover lopen uiteen. Van belang daarbij is dat er, gelet op de overgelegde foto van de ongevalslocatie destijds, geen asmarkering op [adres 1] aanwezig was. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat [minderjarige] op een verkeerde weghelft reed. Overigens heeft [verzoekster] zelf ook niet verklaard dat [minderjarige] bij het passeren niet op haar eigen weghelft fietste. Dat door een andere, gestelde (verkeers)fout van [minderjarige] als bedoeld in artikel 6:162 BW het fietsongeval is veroorzaakt, is bovendien niet komen vast te staan. Veeleer lijkt sprake te zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Dit betekent dat [verweerders sub 1] niet (risico)aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [verzoekster] gestelde schade.
Kosten deelgeschil
4.23.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.24.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.25.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 8.022,30 inclusief 21% btw en griffierecht. Bij de begroting is uitgegaan van 26 uur aan werkzaamheden van haar belangenbehartiger voor het indienen en het behandelen van het verzoek6, tegen een uurtarief van € 255,00 exclusief 21% btw.
4.26.
[verweerders sub 1] en Achmea hebben tegen het uurtarief van € 255,00 geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. Dat hebben zij wel gedaan tegen de omvang van de begrote kosten. Zij vinden het aantal opgevoerde uren te veel. Zij wijzen erop dat het verzoekschrift voornamelijk is gebaseerd op brieven die in het buitengerechtelijk traject al waren verzonden. De begrote tijdsbesteding van twaalf uur voor het verzoekschrift is dan relatief fors. Deze moet met twee uur te worden verminderd. Verder moet het bestuderen van het verweerschrift onder de begroting van de zitting vallen en kan van de reistijd, waarvoor nu € 765,00 wordt gerekend, een uur worden afgetrokken vanwege het uurtarief dat daartegenover staat. [verweerders sub 1] en Achmea vinden het passend om de uren daarom te begroten op totaal twintig uur.
4.27.
De rechtbank volgt [verweerders sub 1] en Achmea in hun standpunt dat de zaak niet de door de advocaat van [verzoekster] opgevoerde tijdsbesteding rechtvaardigt die zij begroot wil zien. De zaak is immers niet omvangrijk en ook niet complex: het is een beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het verzoekschrift is bovendien voor een groot deel gelijkluidend aan de aanvullende aansprakelijkstelling van 18 maart 2025. De rechtbank vindt het redelijk om de tijd voor de voorbereiding en behandeling van dit deelgeschil te begroten op twintig uur in totaal. De rechtbank gaat verder uit van het onbetwiste uurtarief van € 255,00. De rechtbank zal de redelijke kosten voor dit deelgeschil dan ook begroten op een totaalbedrag van € 6.171,00 (= 20 uur x € 255,00 x 21% btw). Dit bedrag moet worden vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 331,00.
4.28.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Achmea niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Achmea te worden betaald, als de aansprakelijkheid van [verweerders sub 1] alsnog komt vast te staan.
1Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 518, nr. 3, pagina 25.
2BenGH 9 juli 1981, ECLI:NL:XX:1981AD6458, BenGH 5 juli 1985, ECLI:NL:XX:1985:AB9132, BenGH 20 oktober 1989, NJ 1990/660, Hoge Raad 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0988.
3Zie ECLI:NL:RBAMS:2010:BN6404 en ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1057
4Hoge Raad 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1195:ZC0271.
5Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1195:ZC1827.
612 uur opstellen verzoekschrift, 3 uur bestuderen verweerschrift, 4 uur voorbereiden zitting, 2 uur bijwonen zitting, 3 uur reistijd, 1 uur correspondentie etc, 1 uur overleg met [verzoekster] .
Rechtbank Noord-Holland 16 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:299