Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 250826 geen letsel; ook in HB: ass. kan schade verhalen; 630 µg/l; 3 x toegestane concentratie; alcoholuitsluiting en verhaalsbeding niet oneerlijk


 

GHARL 250826 geen letsel; ook in HB: ass. kan schade verhalen; 630 µg/l; 3 x toegestane concentratie; alcoholuitsluiting en verhaalsbeding niet oneerlijk

2De kern van de zaak

2.1.

Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of Klaverblad op [appellant] een verhaalsrecht heeft voor schade die zij als WAM-verzekeraar van de auto van [appellant] aan derden heeft vergoed. De kantonrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft de vordering van Klaverblad toegewezen. (geen publicatie bekend, red. LSA LM) [appellant] wil in hoger beroep dat de vordering van Klaverblad alsnog wordt afgewezen. Het hof komt echter tot het zelfde oordeel als de kantonrechter en zal dat hieronder uitleggen.

3De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten

3.1.

Op 6 september 2023 is schade ontstaan toen [appellant] met zijn auto in botsing kwam met een tegenligger en die tegenligger daardoor tegen een geparkeerd staande auto reed. Bij een voorlopig ademonderzoek (blaastest) bleek de hoeveelheid alcohol in de adem van [appellant] meer dan de toegestane hoeveelheid van 220 microgram per liter. Bij de ademanalyse op het politiebureau was het resultaat 630 microgram per liter uitgeademde lucht. Dat is bijna driemaal de toegestane hoeveelheid van 220 microgram als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a Wegenverkeerswet Bij onherroepelijk vonnis is [appellant] door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed. Klaverblad heeft de door beide derden geleden schade vergoed.

3.2.

In de toepasselijke polisvoorwaarden van Klaverblad (artikelen 2 lid 2 en 19 lid 2) is bepaald, samengevat1, dat geen dekking bestaat als de bestuurder onder invloed is van alcohol of drugs waarbij de wettelijk toegestane hoeveelheid is overschreden. En verder (artikel 21) dat, samengevat, Klaverblad een verhaalsrecht heeft als een niet gedekte schade op grond van de wet is vergoed, tenzij (onder meer) de verzekeringnemer bewijst dat hij niets kon doen aan het ontstaan van de schade.

De beoordeling

3.3.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij “telkens [heeft] gesteld dat mogelijk een onjuist resultaat uit de ademalcoholanalyse zou volgen, omdat hij voor het reinigen van zijn kunstgebit gebruik maakt van ontsmettingsalcohol en mondwater. [appellant] stelt dat de verbalisanten die uiteindelijk de ademalcoholanalyse hebben afgenomen hier geen aandacht aan hebben besteed, zoals zij ook geen aandacht hebben besteed aan het feit dat [appellant] in verband met gezondheidsklachten niet goed in staat is de ademalcoholanalyse af te leggen.” De kantonrechter heeft hem in dat standpunt niet gevolgd. In hoger beroep heeft [appellant] dit standpunt herhaald (zonder echter het beroep op de, verder niet onderbouwde, gezondheidsklachten), met dien verstande dat hij nu spreekt over “alcohol bevattend mondwater” (en ontsmettingsalcohol). [appellant] heeft verder verwezen naar een (deel van een) door hem overgelegd rapport uit 2014 over de invloed van bepaalde producten op de werking van het destijds nog gebruikte alcoholslot.

3.4.

Welk ontsmettingsmiddel en wat voor mondwater [appellant] precies heeft gebruikt en hoeveel tijd voorafgaand aan de aanrijding die middelen zijn gebruikt, heeft hij niet gesteld. Ook over de vraag of hij nu wel of niet daarnaast alcohol had genuttigd heeft hij zich niet uitgelaten. Het hof heeft een en ander niet aan [appellant] kunnen vragen, omdat hij zonder (goede reden) niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Dat daarmee onduidelijkheid bestaat komt voor rekening van [appellant] . Uit de uitslag van de ademanalyse blijkt verder dat deze heeft plaatsgevonden van 21.28 tot 21.35 uur. Dit is ruim drie kwartier na het door de politie vastgestelde tijdstip van de aanrijding, te weten omstreeks 20.42 uur. [appellant] heeft gezien alleen al dit tijdsverloop tussen de aanrijding en de ademanalyse niet voldoende onderbouwd dat ten tijde van de ademanalyse als gevolg van het gebruik van alcohol houdend mondwater of reinigingsmiddel (al dan niet in combinatie met het nuttigen van de wettelijk toegestane hoeveelheid of minder alcohol) zijn adem een hoeveelheid alcohol van 630 microgram per liter kon bevatten, terwijl hij in werkelijkheid niet onder invloed van alcohol was. Het als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde (deel van een) rapport biedt daar onvoldoende steun voor.

3.5.

Bovendien staat vast dat [appellant] geen tegenonderzoek in de vorm van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 11 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer heeft laten plaatsvinden. De (kennelijk ter zitting in eerste aanleg door [appellant] geuite) stelling dat de opsporingsambtenaar hem dat zou hebben geweigerd en hem “erin heeft geluisd” is door de kantonrechter niet gevolgd en een grief daartegen ontbreekt. Aangenomen moet dus worden dat als gevolg van de eigen keuze van [appellant] het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden.

3.6.

Op grond van het voorgaande moet wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting door [appellant] als vaststaand worden aangenomen dat hij tijdens de aanrijding onder invloed was van alcohol waarbij bijna driemaal de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol in de adem is gemeten.

3.7.

Dit betekent dat op grond van de artikelen 2 lid 2 onder a en 19 lid 2 van de toepasselijke polisvoorwaarden de verzekering geen dekking biedt voor de schade als gevolg van de aanrijding en dat op grond van artikel 21 van de polisvoorwaarden Klaverblad de schade die zij op grond van (artikel 6 van) de WAM2 heeft uitgekeerd op [appellant] kan verhalen, tenzij (artikel 21 lid 2 van de polisvoorwaarden) [appellant] bewijst dat hij niets kon doen aan het ontstaan van de schade. Met dit laatste is bedoeld dat er geen causaal verband bestaat tussen het rijden onder invloed en de aanrijding, zo hebben beide partijen bij monde van hun advocaat bevestigd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.

3.8.

Omdat [appellant] de verzekeringsovereenkomst is aangegaan als consument in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten3 (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen) heeft het hof ambtshalve onderzocht of genoemde polisbepalingen de toets aan deze richtlijn kunnen doorstaan. Het hof heeft partijen ter zitting gelegenheid geboden zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van deze bedingen en zij hebben daarvan gebruik gemaakt.

3.9.

De genoemde bepalingen (waarover niet afzonderlijk is onderhandeld) zijn naar het oordeel van het hof, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang bezien, duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. Een “normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde” consument kan de economische gevolgen van deze bedingen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst inschatten. Voor zover deze bepalingen niet (ten dele) kernbedingen zijn (dat wil zeggen bedingen als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen), valt verder ook niet in te zien dat deze bepalingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen.

3.10.

Het hof ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze bepalingen, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk zou verstoren, zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Uit de bepalingen blijkt duidelijk en begrijpelijk dat Klaverblad geen dekking wil verlenen als de bestuurder onder invloed van alcohol of drugs is waarbij de wettelijk toegestane hoeveelheid is overschreden en dat zij de uitgekeerde schade op de verzekeringnemer verhaalt, tenzij die aantoont dat hij er niets aan kon doen, waarmee volgens beide partijen wordt bedoeld dat causaal verband met de schade ontbreekt. Dat Klaverblad in de verhouding tot de verzekeringnemer dat risico niet wil dragen is ook voor iedere consument begrijpelijk omdat het een feit van algemene bekendheid is dat rijden onder invloed van alcohol de kans op het veroorzaken van ongelukken aanzienlijk verhoogt en strafbaar is. Het meeverzekeren daarvan zou bovendien de schadelast en dus de premie verhogen. Dat Klaverblad de schade op de verzekeringnemer wil verhalen, als zij op grond van de WAM gehouden is derden schadeloos te stellen terwijl de schade niet onder de verzekering is gedekt, is eveneens begrijpelijk en ook uitdrukkelijk door de wetgever mogelijk gemaakt in artikel 15 lid 2 WAM. Klaverblad mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat na afzonderlijke eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument, de consument de alcohol/drugs-uitsluiting en het verhaalsbeding zou aanvaarden. Desgevraagd heeft de advocaat van [appellant] ter zitting van het hof ook geen dragende argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

3.11.

[appellant] beroept zich op de uitzondering van het tweede lid van artikel 21 van de polivoorwaarden. Er ontbreekt volgens hem causaal verband tussen het rijden onder invloed en de aanrijding. De aanrijding is volgens [appellant] veroorzaakt doordat de tegemoet komende auto op zijn weghelft kwam en te hard reed. Klaverblad heeft dat gemotiveerd betwist, mede aan de hand van een verklaring van de bewuste bestuurder, die verklaart dat juist [appellant] op zijn weghelft kwam. Daarbij heeft Klaverblad ook gewezen op het proces-verbaal van de politie, waarin over de toedracht staat dat het vermoeden is dat de auto van [appellant] niet genoeg rechts hield. Ter zitting van het hof is door de advocaat van [appellant] verklaard dat er niets is dat de verklaring van [appellant] ondersteunt. Nu verder vaststaat dat bij [appellant] bijna driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol is gemeten en algemeen bekend is dat het gebruik van alcohol de kans op het toebrengen van schade aan andere weggebruikers aanmerkelijk verhoogt4 en het waarnemingsvermogen sterk negatief beïnvloedt, is het hof van oordeel dat [appellant] met alleen zijn verklaring onvoldoende heeft onderbouwd dat het rijden onder invloed in geen causaal verband staat met de aanrijding. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe. [appellant] heeft in hoger beroep bovendien geen hierop gericht bewijsaanbod gedaan.

De conclusie

3.12.

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.5

3.13.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad)

1Voor de integrale tekst verwijst het hof naar rechtsoverweging 2.2 van het tussenvonnis van 16 april 2025.

2Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen

3Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95

4Vergl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8876

5HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5497