GHDHA 091225 Dodge RAM rijdt met 120 km/u in bebouwde kom op voorligger; 25% ES voorligger vanwege niet voeren verlichting; regres WAM-ass op Dodge bestuurder slaagt; roekeloosheid
- Meer over dit onderwerp:
GHDHA 091225 Dodge RAM rijdt met 120 km/u in bebouwde kom op voorligger; 25% ES voorligger vanwege niet voeren verlichting; regres WAM-ass op Dodge bestuurder slaagt; roekeloosheid
3De feiten
3.1.
De door de rechtbank in het vonnis van 5 april 2023 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Deze feiten komen op het volgende neer:
3.2.
Het gaat in deze zaak (samengevat) om het volgende:
3.2.1.
[appellanten] legt zich toe op vervoer van goederen over de weg en beschikt over
een bedrijfsauto van het merk Dodge Ram met kenteken [kenteken 1] (verder: de Dodge).
3.2.2.
[appellanten] heeft per 12 november 2020 de Dodge door tussenkomst van
[verzekeringsadviseur] onder meer voor wettelijke aansprakelijkheid
verzekerd bij Allianz. De verzekering is aangegaan tot 1 januari 2021 met automatische
verlenging voor telkens 12 maanden. Op de polis zijn o.a. de zogenoemde
verzekeringsvoorwaarden BST16 van toepassing.
3.2.3.
De verzekeringsvoorwaarden BST16 bevatten onder meer Algemene voorwaarden
en Bijzondere voorwaarden voor aansprakelijkheidsverzekering.
3.2.4.
De relevante artikelen van de Algemene voorwaarden luiden:
"Artikel 2 Gemeenschappelijke uitsluitingen
De volgende uitsluitingen zijn op alle Bijzondere voorwaarden van toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
De verzekering geeft geen dekking indien:
(...)
2.2
Opzet of roekeloosheid
een verzekerde of iemand die bij de uitkering belang heeft de schade met opzet of door
roekeloosheid veroorzaakt;
(...)
Artikel 3 Verplichtingen in geval van schade en verval van rechten
Zodra de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde op de hoogte is of behoort te zijn van een gebeurtenis die voor de verzekeraar tot een uitkeringsplicht kan leiden, is hij verplicht:
(…)
Artikel 3. 2 Schade-informatieplicht
3.2.1
binnen redelijke termijn aan de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen-
(...)
3. 3 Medewerkingsplicht
3. 3. 1 zijn volle medewerking te verlenen en alles na te laten wat de belangen van de verzekeraar zou kunnen benadelen.
3.4
Verval van rechten
3. 4. 1 Aan deze verzekering kunnen geen rechten worden ontleend indien één of meer van
genoemde verplichtingen ingeval van schade niet is nagekomen en daardoor de belangen
van de verzekeraar zijn geschaad.
3.4.2
In ieder geval vervalt elk recht uit hoofde van deze verzekering indien één of meer van genoemde verplichtingen in geval van schade niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, tenzij deze misleiding het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt.
(...)
Artikel 7 Begin en einde van de verzekering
(...)
7.4
Opzegging door de verzekeraar aan de verzekeringnemer.
De verzekeraar kan de verzekering schriftelijk opzeggen:
7.4.1
met ingang van de op het polisblad vermelde einddatum, met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twee maanden:
7. 4. 2 indien de verzekeringnemer naar aanleiding van een gebeurtenis met opzet een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 14 dagen. (...)''
3.2.5.
Artikel 5 van de Bijzondere voorwaarden voor aansprakelijkheidsverzekering
(verder: het verhaalsbeding) luidt - voor zover hier van belang - :
Verhaalsrecht van de verzekeraar
Voor zover een verzekerde krachtens deze verzekering of een wettelijke bepaling geen recht heeft op dekking, doch de maatschappij desondanks krachtens de WAM of een daarmede overeenkomende buitenlandse wet schadevergoeding verschuldigd is, heeft de maatschappij het recht het door haar verschuldigde, met inbegrip van de kosten, te verhalen op:
de verzekerde, die jegens de benadeelde aansprakelijk is, of op de verzekeringnemer, (...)"
3.2.6.
Op [datum] omstreeks [tijdstip] uur was de Dodge betrokken bij een verkeersongeval op de [locatie] te [stad] (verder: het ongeval). Dit is een voorrangsweg binnen de bebouwde kom, waarop een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt.
3.2.7.
De Dodge werd op dat moment bestuurd door [appellant 2] . Hij reed tegen de achterzijde van een Hyundai Matrix, kenteken [kenteken 2] (verder: de Hyundai). De Hyundai werd bestuurd door [betrokkene] (verder: [betrokkene] ) en was zonder verlichting vanaf het aan de [locatie] gelegen tankstation de rijbaan opgereden.
3.2.8.
De politie is na het ongeval ter plaatse gekomen en heeft een proces-verbaal opgemaakt met registratienummer [registratienummer] . Daarin is - voor zover hier van belang - opgenomen dat [betrokkene] zonder verlichting te voeren vanaf een tankstation de weg is opgereden en dat [appellant 2] achterop de auto van [betrokkene] is gereden. [appellant 2] heeft daarbij verklaard dat hij circa 60 km per uur reed na te zijn opgetrokken bij de kruising.
3.2.9.
Het ongeval is namens [appellanten] aan Allianz gemeld. Daarbij zond [appellanten] een door [appellant 2] ingevuld aanrijdingsformulier aan Allianz toe. Hierin is vermeld dat [appellant 2] ten tijde van liet ongeval 55 km per uur reed.
3.2.10.
In opdracht van Allianz heeft Ongevallen Analyse Nederland (verder: OAN) de Dodge geïnspecteerd. Daarbij heeft OAN de Event Data Recorder van de Dodge (verder: de EDR) uitgelezen.
3.2.11.
In het rapport van OAN van 29 januari 2021 staat - voor zover hier van belang- en samengevat dat uit het bewegingsverloop van de RAM voorafgaand aan de botsing blijkt:
- dat de bestuurder tot ongeveer 2,7 seconde voor de botsing 'vol gas' heeft geaccelereerd;
- dat daarbij een snelheid van ongeveer 120 km/uur (74,6 MPH) is bereikt;
- dat er vanuit die snelheid vervolgens een noodremming is ingezet, waarbij ook het ABS in werking is getreden;
- dat de snelheid op het moment van de botsing nog ongeveer 76 km/uur (47.2 MPH) bedroeg.
Met als conclusie:
Uit het vorenstaande blijkt dat uw verzekerde de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/ uur met zo’n 70 km/uur heeft overschreden en dat het ongeval daardoor niet meer te vermijden was. Uw verzekerde is ondanks een ingezette noodremming met een snelheid van ongeveer 76 km/uur achterop de voor hem rijdende/invoegende Hyundai gebotst.
De snelheid van de Hyundai op het moment van de botsing zal maximaal ongeveer 22 km/uur hebben bedragen. (...)"
3.2.12.
[betrokkene] heeft Allianz aangesproken tot vergoeding van de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade. Hierop heeft Allianz een minnelijke regeling met [betrokkene] getroffen. In het kader daarvan heeft zij in totaal een bedrag van € 11.500,00 aan [betrokkene] uitgekeerd en ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.409,80 voldaan aan zijn belangenbehartiger.
3.2.13.
Bij mail van 5 februari 2021 heeft Allianz [appellanten] , althans [appellant 2] , laten weten dat om twee redenen de dekking onder de verzekering is uitgesloten. Ten eerste omdat de aanrijding volgens Allianz is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag, ten tweede omdat [appellant 2] onjuiste informatie had verschaft. Allianz heeft de verzekeringsovereenkomst met [appellanten] per 1 januari 2022 opgezegd.
4De procedure bij de rechtbank
4.1.
In eerste aanleg vorderde Allianz in conventie betaling van een bedrag van € 34.205,34 te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. In reconventie vorderde [appellanten] een verklaring voor recht dat de verzekeringsovereenkomst ten onrechte is opgezegd door Allianz en dat de opgezegde overeenkomst herleeft, verder dat Allianz onder dekking van de (herleefde) polis wordt veroordeeld tot betaling van de schade van zowel [betrokkene] als [appellanten] en de kosten van de procedure.
4.2.
Bij eindvonnis van 6 december 2025 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank de vorderingen van Allianz deels toegewezen en de vorderingen van [appellanten] geheel afgewezen. In het tussenvonnis van 5 april 2023 had de rechtbank reeds geoordeeld dat het rijden met een snelheid van 120 km/uur op een weg waar een maximum snelheid gold van 50 km/uur als roekeloos is aan te merken en dat Allianz terecht de dekking voor de daardoor veroorzaakte schade mocht uitsluiten (tussenvonnis rov 4.12-4.18). Bij eindvonnis heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat rekening houdend met goede en kwade kansen Allianz de schade met [betrokkene] in redelijkheid mocht afdoen in de verhouding 75%-25% (eigen schuld [betrokkene] ) (eindvonnis, rov. 2.9 - 2.30). In conventie zijn de proceskosten gecompenseerd. In reconventie is [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.
5De vordering en het verweer in hoger beroep
5.1.
[appellanten] vordert dat de bestreden vonnissen van de rechtbank worden vernietigd, dat de vorderingen van Allianz integraal worden afgewezen en dat haar (reconventionele) vorderingen alsnog worden toegewezen met veroordeling van Allianz in de kosten van de procedures.
5.2.
Allianz heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van die vonnissen, al dan niet onder verbetering van gronden, en veroordeling in de kosten van de procedure.
6De beoordeling in hoger beroep
6.1
Door [appellanten] zijn drie grieven aangevoerd tegen de vonnissen van de rechtbank. De eerste grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat [appellant 2] roekeloos rijgedrag heeft vertoont voorafgaand aan/bij het ongeval met [betrokkene] . De tweede grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de mate van eigen schuld aan het ongeval bij [betrokkene] . Met de derde grief brengt [appellanten] nog eens onder de aandacht dat haar verweer in eerste aanleg tevens inhield dat zij haar informatie-en medewerkingsplicht niet heeft geschonden, zodat (ook) om die reden Allianz niet mocht overgaan tot uitsluiting van de dekking van de verzekering. Deze grief is voorwaardelijk voorgedragen ingeval de eerste grief zou slagen. Tegen de afwijzing van haar reconventionele vorderingen is geen grief aangevoerd, ondanks het petitum in hoger beroep dat daarop wel lijkt te duiden.
6.2.1
Ter toelichting op de eerste grief (roekeloos rijden) heeft [appellanten] nogmaals vraagtekens gezet bij de conclusie uit het EDR-rapport terwijl zij verder (onder verwijzing naar hetgeen gesteld in randnummer 28 van de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie) aangeeft dat er bij het ongeval met [betrokkene] slechts sprake is geweest van een ernstige inschattingsfout door [appellant 2] en niet van een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld. Daarbij heeft [appellanten] ook nog gewezen op de weersomstandigheden van die betreffende avond (volledig donker, matige verlichting, nat/vochtig wegdek en de diverse verkeersovertredingen door [betrokkene] voorafgaand aan het ongeluk. In de visie van [appellanten] is het ongeval voor een groot deel door [betrokkene] veroorzaakt.
6.2.2
Het hof stelt voorop dat onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging waardoor er ernstig gevaar voor een ander in het leven is geroepen, terwijl de betrokkene/veroorzaker zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Een enkel moment van onoplettendheid is daarbij onvoldoende. Wel dienen daarbij telkens alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.
Het begrip roekeloosheid in art. 7:952 BW komt daarmee overeen met het voordien gehanteerde begrip “grove schuld” en drukt daarmee uit: een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld.
6.2.3
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, die geleid hebben tot het oordeel dat het verkeersgedrag van [appellant 2] als roekeloos in de zin van de verzekeringsvoorwaarden is aan te merken. De rechtbank overwoog in rov. 4.11 van het tussenvonnis daarbij het volgende: “4.11. Dit leidt tot de vaststelling dat [appellant 2] voorafgaande aan het ongeval met een snelheid van 100 a 120 kilometer per uur reed, waar een maximum snelheid 50 kilometer per uur geldt. Allianz mag dit rijgedrag als roekeloos in de zin van de verzekeringsvoorwaarden bestempelen. De maximum snelheid dient ter voorkoming van verkeersongevallen en door die norm op grove wijze te schenden nam [appellant 2] een onaanvaardbaar risico. Dit geldt te meer omdat het donker was, het wegdek nat was en [appellant 2] zijwegen passeerde waarin tegenliggers zouden kunnen inslaan of waar vanaf weggebruikers de [locatie] zouden kunnen oprijden. Dit laatste is door Allianz door middel van foto’s voldoende aangetoond.”
Daar kan nog het volgende aan worden toegevoegd. Door zonder enige noodzaak zodanig hard te rijden op een eenbaansweg waar de maximale snelheid 50 km/uur bedraagt, terwijl het donker is en auto’s vanaf het tankstation de weg op (kunnen) draaien heeft [appellant 2] op geen enkele wijze aangetoond rekening te houden met andere weggebruikers Bovendien reed [appellant 2] in een auto die een meer dan gemiddeld gewicht en robuustheid kent.
6.2.4
Niet goed valt in te zien hoe een dergelijk gedrag gelet op de zeer forse overschrijding van de maximumsnelheid en binnen de bebouwde kom zou kunnen worden aangemerkt als een ‘inschattingsfout’, zoals door [appellanten] gesteld, maar overigens niet nader toegelicht. Evenmin kan het hof iets met de stelling van [appellanten] dat zij zich de getrokken conclusies uit de EDR (Event Data Recorder) nog steeds niet kan voorstellen en dat zij daarom deze uitkomst betwist. Enige andere concrete gegevens die voornoemde conclusie zouden kunnen ontkrachten zijn door haar ook in hoger beroep niet aangevoerd. Het hof verbindt daaraan de conclusie dat [appellanten] de conclusies en de onderbouwing daarvan door OAN ook in hoger beroep niet naar behoren gemotiveerd heeft bestreden, zodat het verweer daartegen wordt gepasseerd en het hof van de juistheid van de conclusies van OAN uitgaat Daar komt nog bij dat sinds het onderzoek door OAN [appellanten] voldoende tijd heeft gehad om met een schriftelijk onderbouwd tegenrapport te komen maar dat heeft nagelaten. Voor het eventueel horen van een getuige – als door [appellanten] beoogd –is zonder nadere feitelijke gegevens die – indien deze komen vast te staan – tot een ander oordeel kunnen leiden over de conclusies die OAN op basis van de gegevens uit de EDR heeft getrokken, geen plaats
Dit betekent dat de grief faalt.
6.3.1
De tweede grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat de bijdrage van [betrokkene] aan de door hem geleden schade in de vorm van eigen schuld is te begroten op 25 %. [appellanten] stelt dat naast het niet voeren van verlichting door [betrokkene] tevens de volgende omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen. [betrokkene] naderde bij het verlaten van het benzinestation een voorrangsweg (aangegeven met haaientanden), ook reed hij volgens een getuige met een lage snelheid, verder bestond het vermoeden dat [betrokkene] op dat moment onder invloed van drugs (cannabis) verkeerde. In de visie van [appellanten] had Allianz dat nader moeten onderzoeken. [appellanten] wil onder meer [betrokkene] hierover in hoger beroep als getuige horen.
6.3.2
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 5 april 2023 in rov. 4.28 een aantal – feitelijk geïnspireerde - vragen aan Allianz geformuleerd ter beantwoording van de vraag wat de invloed van de eigen schuld van [betrokkene] was op de door Allianz in het kader van de verzekeringsovereenkomst aan [betrokkene] betaalde schadevergoeding met een eigen schuldpercentage van 25%. Daarbij is aandacht gevraagd voor de aard van de (eventuele) verkeersfouten gemaakt door [betrokkene] én de vraag of deze daarbij (ook nog) onder invloed van cannabis verkeerde. Na beantwoording van de hier bedoelde vragen heeft de rechtbank kort samengevat geoordeeld dat de enige verkeersfout die [betrokkene] kan worden aangerekend is het zonder verlichting vanaf een tankstation de rijbaan oprijden. Gezien de afstand tot de auto bestuurd door [appellant 2] was het verlenen van voorrang (nog) niet aan de orde. Evenmin kan in rechte worden aangenomen dat [betrokkene] drugs had gebruikt. Van dit feit is [betrokkene] inmiddels vrijgesproken, terwijl het aan [appellanten] is aan te tonen en eventueel te bewijzen dat [betrokkene] onder invloed verkeerde. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door Allianz gehanteerde percentage eigen schuld van 25% van [betrokkene] redelijk is.
6.3.3
De door [appellanten] in beroep aangevoerde feiten zijn niet anders dan verwoord in eerste aanleg. Het oordeel van de rechtbank als hiervoor verkort weergegeven wordt feitelijk niet bestreden, hoogstens gaat het om de waardering van die feiten. Maar het hof sluit zich bij dat oordeel van de rechtbank aan, omdat het recht doet aan die feiten. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat [betrokkene] met een beperkte snelheid (22 km per uur volgens het rapport van OAN) de weg is opgereden, Hetgeen daartoe verder door [appellanten] is aangevoerd is tegen deze achtergrond onvoldoende om [appellanten] tot verdere bewijslevering toe te laten. Daarbij weegt mee dat voor wat het causale verband tussen de schade van [betrokkene] en zijn aandeel daarin het uitsluitend gaat om het rijgedrag van [betrokkene] afgezet tegen het rijgedrag van [appellant 2] en niet – zoals [appellanten] lijkt te willen betogen – de reden van dat rijgedrag van [betrokkene] . De grief faalt.
6.4
De derde grief is voorwaardelijk ingesteld, maar nu de voorwaarde (het slagen van de eerste grief) niet is vervuld komt het hof niet toe aan de behandeling ervan.
6.5
De conclusie moet zijn dat geen van de voorgedragen grieven slaagt en dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd. [appellanten] zal worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Deze kosten bedragen € 2.175,--.. aan griffierecht en € 2.428,-- (2 punten tarief II) aan salaris advocaat. Gerechtshof Den Haag 9 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2541
