Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 210307 kosten rekencentrum niet vergoed; € 6.167,76 toegewezen aan bgk i.c. red. & noodzakelijk

Rb Arnhem 21-03-07 kosten rekencentrum niet vergoed; € 6.167,76 toegewezen aan bgk i.c. redelijk en noodzakelijk
2.13.  In het tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld (rov. 4.47.) nader te onderbouwen dat en zo ja, op welke gronden de door haar gevorderde kosten als buitengerechtelijk moeten worden aangemerkt.

2.14.  Uit de bijlage achter de factuur van 27 september 2005 betreffende de buitengerechtelijke kosten (productie 11) blijkt, hetgeen Aegon ook als zodanig heeft begrepen blijkens haar laatste akte, dat de buitengerechtelijke kosten enerzijds betrekking hebben op kosten van het rekencentrum (in totaal € 2.240,61) en de medisch adviseur (in totaal € 1.662,88) en voor het overige bestaan uit kosten van de advocaat. Tegen de toewijsbaarheid van de kosten van de medisch adviseur heeft Aegon niets aangevoerd. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen. Tegen de kosten van Laumen heeft Aegon aangevoerd dat er geen noodzaak bestond voor het maken van deze berekeningen en dat de laatste berekening is gemaakt ter voorbereiding van de conclusie van repliek.
Het gaat hier om berekeningen die dienden ter vaststelling van de inkomensschade. De kosten die daarmee gemoeid zijn moeten, ook al is de betreffende berekening wellicht gebruikt ter voorbereiding van de conclusie van repliek, op zichzelf wel worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade (artikel 6:96 aanhef en onder sub b BW). Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moet aannemelijk zijn dat het redelijkerwijs noodzakelijk was deze kosten te maken en dat zij redelijk van hoogte zijn. De rechtbank is onvoldoende gebleken van de noodzaak om in deze zaak voorafgaand aan en tijdens de procedure, terwijl er tussen partijen in het geheel geen overeenstemming bestond over de in acht te nemen uitgangspunten bij de berekening van de schade en dus te verwachten viel dat de berekeningen uiteindelijk niet bruikbaar zouden zijn, een berekening van die schade te laten maken. Het had op de weg van [eiseres] gelegen nader uiteen te zetten dat en waarom het redelijk en noodzakelijk was dat zij op die momenten, gelet op de stand van zaken in of voorafgaand aan de procedure, die kosten maakte. Nu zij dit heeft nagelaten, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

2.15.  Wat betreft de advocaatkosten heeft [eiseres] toegelicht dat deze buitengerechtelijke kosten bestaan uit verrichtingen die betrekking hebben op de onderhandelingsfase in de periode van 17 juni 1998 tot 11 augustus 1999 en op de periode daarna tot en met december 2003. Ter onderbouwing van de aard van de verrichtingen in de eerste periode heeft [eiseres] verwezen naar de urenlijst (productie 11) en naar de correspondentie tussen partijen (productie 1) in die periode. Gelet op de inhoud van de overgelegde correspondentie bezien in samenhang met de overgelegde urenstaat, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat het merendeel van de bestede tijd in de eerste periode verband hield met onderhandelingen met Aegon, zowel wat betreft een financiële oplossing als wat betreft het in onderling overleg tot stand komen van deskundigenberichten. Voor zover de kosten betrekking hebben op die periode zullen ze worden toegewezen. Daarbij gaat het om een bedrag van € 3.785,61, vermeerderd met 19% BTW, derhalve € 4.504,88.

2.16.  Voor de periode daarna - vanaf december 1999 tot en met december 2003 - verwijst [eiseres] ter onderbouwing van haar vordering naar de urenspecificatie en daaraan voegt zij toe dat ook die werkzaamheden zagen op de vaststelling en regeling van de schade. Dit heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. Uit de urenspecificatie kan dit niet worden afgeleid, integendeel, daarvan uitgaande lijkt het ook veelal te gaan om werkzaamheden in verband met de diverse deskundigenberichten, hetgeen in dit geval geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn. De gevorderde buitengerechtelijke kosten over de tweede periode zullen dan ook worden afgewezen.

2.17.  In totaal zal aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen € 6.167,76. In de gegeven omstandigheden moeten deze kosten redelijk van omvang worden geacht en de in dat verband verrichte werkzaamheden als noodzakelijk worden beschouwd om schadevergoeding te verkrijgen.
LJN BA3288

Deze website maakt gebruik van cookies