Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 100326 straf; smartengeld a.d.h.v. Rotterdamse Schaal, met opslag vanwege leeftijd en verwijtbaarheid; doch niet hoger dan in eerste aanleg gevorderd

GHARL 100326 straf; smartengeld a.d.h.v. Rotterdamse Schaal, met opslag vanwege leeftijd en verwijtbaarheid; doch niet hoger dan in eerste aanleg gevorderd
 

 

(8) Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 100.000,00 aan smartengeld gevorderd. Op basis van het rapport van [deskundige] staat volgens de raadsman van de benadeelde partij vast dat het feit verstrekkende gevolgen heeft gehad voor het leven van [slachtoffer] . De huidige lichamelijke klachten en beperkingen in met name de armen en handen van [slachtoffer] zullen niet meer weggaan en er is sprake van een blijvend invaliditeitspercentage van 36%. Voor de vaststelling van het smartengeld is verwezen naar de Rotterdamse schaal. Volgens de benadeelde partij is er bij [slachtoffer] sprake van letsels die in ieder geval in vier categorieën vallen, te weten de categorie van zeer ernstig armletsel (met een bandbreedte van € 68.000,00 tot € 89.000,00), zwaar handletsel (met een bandbreedte van € 38.000,00 tot € 58.000,00), middelzware littekenvorming (met een bandbreedte van € 5.500,00 tot € 16.000,00) en ernstig psychisch letsel (categorie b, met een bandbreedte van € 16.000,00 tot € 41.000,00). Aangezien [slachtoffer] ten tijde van het feit 28 jaar oud was, moet er een opslag van 15% worden toegepast. Daarnaast is volgens de raadsman een opslag van 25% op zijn plaats vanwege de ernstige verwijtbaarheid. Rekening houdend met de meervoudigheid van de letsels, komt de benadeelde partij op basis van de Rotterdamse schaal op een smartengeldvergoeding van € 164.700,-. In eerste aanleg is een bedrag van € 100.000,00 gevorderd en nu dit bedrag in hoger beroep niet kan worden verhoogd, is verzocht om de ingediende vordering op dit punt integraal toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van [slachtoffer] past bij zeer ernstig nekletsel, zoals in categorie 5.1 (a II) van de Rotterdamse schaal genoemd. De voorbeelden die in deze categorie worden genoemd, te weten een blijvende aantasting aan de plexus brachialis, het niet goed kunnen bewegen van de nek en functieverlies in één of meer ledematen, passen volgens de verdediging goed bij het letsel van [slachtoffer] . Verzocht is om bij deze bandbreedte (€ 45.000,00 tot € 89.000,00) aan te sluiten. Het cumuleren van de letsels, zoals door de benadeelde partij is gedaan, is dan niet nodig.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding nu zij als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft door toedoen van verdachte immers in de eerste plaats blijvend neurologisch letsel opgelopen, waaronder zenuwletsel, als gevolg waarvan zij onder meer beperkt is in het gebruik van haar ledematen. Daarnaast is er sprake van psychisch letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Zoals eerder aan de orde gekomen, volgt uit het deskundigenrapport van [deskundige] dat er sprake is van een blijvende invaliditeit van 36%.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] valt onder categorie 5.1a (Zeer) ernstig nekletsel, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000,00 voor dit letsel billijk.

De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500,00 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500,00.

Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat [slachtoffer] op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud.

Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000,00 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000,00. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1425