Overslaan en naar de inhoud gaan

Rechtspraak.nl, geldend vanaf 011126 Aanbeveling wettelijke rente over smartengeld

Rechtspraak.nl, geldend vanaf 011126 Aanbeveling wettelijke rente over smartengeld
 

Addendum bij Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW.
Aanbevelingen hanteren Rotterdamse schaal
(geldend vanaf 1 januari 2026)

Aanbeveling wettelijke rente over smartengeld
Geldend vanaf 1 november 2026

Dit addendum bevat een aanvulling op de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW. Aanbevelingen hanteren Rotterdamse schaal’. De aanvulling betreft de verschuldigdheid van wettelijke rente. De aanbeveling is geaccordeerd door de landelijke overlegorganen vakinhoud voor zowel civiel als straf. Opmerking verdient dat ook deze aanvullende aanbeveling geen binding voor de rechter oplevert. Die zal steeds, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, in een individuele zaak tot een billijke beslissing moeten komen. Deze aanbeveling heeft tot doel de rechter daarbij behulpzaam te zijn. Voor het vaststellen van het moment van het verschuldigd zijn van de wettelijke rente wordt de volgende aanbeveling gedaan:

Aanbeveling:

De wettelijke rente over het smartengeld wordt ingevolge art. 6:83 BW berekend vanaf het moment van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, tenzij maatwerk noodzakelijk is. Het smartengeld wordt slechts gecorrigeerd voor indexering indien de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis heeft plaatsgevonden tenminste vijf jaren voorafgaande aan het moment waarop de hoogte definitief wordt vastgesteld.

Toelichting

Inleiding

Geldvorderingen zijn in beginsel rentedragend vanaf het moment dat sprake is van verzuim. Dat is het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. Dit geldt zowel in het civiele als in het strafproces. Een vordering tot betaling van immateriële schade is te beschouwen als (een onderdeel van) een verbintenis uit onrechtmatige daad of schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW. Ingevolge art. 6:83 BW treedt het verzuim van rechtswege in, zonder ingebrekestelling, direct nadat de verbintenis opeisbaar is geworden, waaronder wordt verstaan het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden.1 Ook in het strafproces kan de benadeelde partij betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden.2 De achterliggende gedachte is ook daar dat de wettelijke rente een compensatie is voor de (geldontwaarding in de) tijd dat de benadeelde partij op haar geld heeft moeten wachten.

Binnen de Nederlandse rechtspraak wordt algemeen als uitgangspunt gehanteerd dat het smartengeld opeisbaar is direct na de onrechtmatige daad of de tekortkoming, zij het dat de Hoge Raad dit niet met zoveel woorden heeft bepaald. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat, nadat het smartengeld is vastgesteld, daarover vanaf de datum van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis de wettelijke rente wordt berekend. Dat moment is voor de benadeelde partij in het strafproces het strafbare feit waardoor zij rechtstreeks schade lijdt.3 Dit uitgangspunt is niet steeds zonder discussie gebleven.4 Betoogd is dat, als na een groot aantal jaren het smartengeld wordt vastgesteld, een dubbele compensatie plaatsvindt als de wettelijke rente wordt berekend vanaf de datum van het voorval. Het slachtoffer zou dan allereerst het hogere bedrag ontvangen dat geldt op het moment van vaststelling van de schade (en dat hoger is dan het bedrag dat gold ten tijde van de gebeurtenis) en vervolgens over dat hogere bedrag de wettelijke rente krijgen. Bepleit wordt dat het moment vanaf wanneer de wettelijke rente verschuldigd zou zijn, moet worden bepaald op het moment van de schadebegroting, althans het moment waarop het definitieve bedrag aan smartengeld wordt vastgesteld. Door het LOVCK, LOVCH en LOVS zijn eerder aanbevelingen vastgesteld voor het hanteren van de Rotterdamse schaal bij de begroting van het smartengeld, waarin over de wettelijke rente nog geen standpunt was ingenomen.5 De rechterlijke werkgroep, bestaande uit civiele en strafrechters, heeft zich sindsdien gebogen over de vraag of voldoende argumenten bestaan om bij het hanteren van de Rotterdamse schaal af te wijken van het geldende uitgangspunt en de ingangsdatum van wettelijke rente te bepalen op het begrotingsmoment van het smartengeld. De werkgroep heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daarbij betrokken dat het afwijken van de gebruikelijke regel het systeem van schadebegroting compliceert. De keuze om niet af te wijken van het bestaande, gebruikelijke systeem van vaststelling van het moment van verschuldigdheid en daarmee ook van de aanspraak op wettelijke rente over die aanspraak, wordt hierna toegelicht.

Overwegingen

Er is sprake van ‘gewone’ indexatie

Het is de vraag of het smartengeld in de afgelopen decennia een zo grote ontwikkeling heeft doorgemaakt, dat sprake is van een significante stijging die uitgaat boven de ‘gewone’ indexatie 6 . Behalve mogelijk ten aanzien van een aantal extreme gevallen, zijn er geen indicaties dat over de hele linie het smartengeld sterk is verhoogd. Aan de hand van een aantal uitspraken is onderzocht hoe die zich verhouden tot het huidige niveau van smartengeld zoals dat is vastgelegd in de Rotterdamse schaal. 7 Dit is gedaan aan de hand van de prijsindexatie.8 In geen van de gevallen kon worden geconcludeerd dat op dit moment de Rotterdamse schaal een nieuw niveau van de hoogte van het smartengeld inhoudt. In veel gevallen was de stijging van het smartengeld veroorzaakt door de algemene prijsindexatie en niet door een gewijzigd inzicht over de hoogte daarvan. Het door sommige strafrechters ervaren gevoel dat in de ‘middencategorie’ van de Rotterdamse schaal wel een zekere stijging heeft plaatsgevonden, is niet objectief vast te stellen, wegens een gebrek aan goede vergelijkbare gevallen in de gepubliceerde (straf)rechtspraak. Een bedrag in een concrete zaak is niet altijd een afspiegeling van het gehele niveau. De tweede overweging betreft de wijze van vaststelling van het smartengeld zelf. Dat gebeurt naar billijkheid en daar zit een intuïtief element in en binnen een bandbreedte zal, al naar gelang de presentatie van het letsel en de afweging die een rechter of partij maakt ten aanzien van de ernst, een zekere vrijheid bestaan. Met andere woorden: het bedrag is per definitie onzeker - zij het binnen zekere marges. Dat betekent dat ook een concreet begroot smartengeldbedrag niet zonder meer een zuivere weerspiegeling is van een algemeen niveau op het moment van begroting. Dat zal zeker gelden voor smartengeld dat zijn grond vindt in een gebeurtenis die betrekkelijk kort geleden heeft plaatsgevonden. In zoverre is voorzichtigheid geboden om vergaande conclusies te trekken uit recent vastgestelde bedragen.

Het rente-effect van latere vaststelling

Een volgende vraag is hoe het moment van schadevaststelling tot stand komt. Dat is normaal gesproken het resultaat van onderhandelingen tussen partijen of een beslissing van een rechter - in beide gevallen met name in civiele zaken of zaken in hoger beroep vaak vele jaren na het voorval. Dat moment is echter (sterk) door één van de partijen te beïnvloeden. Een talmende aansprakelijke partij zal met het vertragen van het moment van vaststelling van het smartengeld bereiken dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente later gaat lopen, als die datum het begin vormt van de verschuldigdheid van de wettelijke rente. Dat kan voor een slachtoffer zeer nadelige gevolgen hebben. Aan de hand van een voorbeeld wordt dit toegelicht. Op 1 januari 2010 wordt het slachtoffer blind aan beide ogen. Volgens de Rotterdamse schaal versie 2025 leidt dat tot een toe te kennen bedrag van circa € 185.000 (rubriek 3.1b). Als de hoogte van het smartengeld eerst wordt vastgesteld op 1 januari 2026 is zijn aanspraak pas vanaf die datum rentedragend. Als vrijwel direct daarna betaald wordt, is die rente-aanspraak er dus niet. Maar als rekening wordt gehouden met indexatie van het bedrag over de loop van de jaren, zou in 2010 een aanspraak hebben bestaan van circa € 124.000. Als dat bedrag zou zijn toegekend op 1 januari 2026 en de wettelijke rente is vanaf de datum van het voorval verschuldigd dan levert dat een rentevordering op van circa € 78.500, waarmee het totaal verschuldigde bedrag uitkomt op circa € 202.500.9 Dat scheelt dus € 17.500, een niet te verwaarlozen bedrag. Het vaststellen van de datum van opeisbaarheid, afwijkend van de gedachte in art. 6:83 BW, op de dag van vaststelling door de rechter of afspraak tussen partijen is arbitrair, terwijl de datum van de gebeurtenis vaststaat. Bovendien is deze ook nadelig voor het slachtoffer en voordelig voor de aansprakelijke partij, zelfs als rekening wordt gehouden met het stijgen van de smartengeldbedragen als gevolg van indexering.

Oude gevallen

Wel bestaat oog voor de situatie dat smartengeld wordt toegekend door de gevallen waarin de gebeurtenis meer dan 5 jaar voor het moment van vaststelling ligt. Uit de hierboven gegeven overwegingen blijkt weliswaar dat het niveau van het smartengeld in die periode niet wezenlijk is gestegen, maar dat is nadat indexatie is toegepast. Die indexatie dient dus ook bij oude gevallen eerst te worden toegepast. Gekozen wordt voor een termijn van 5 jaar om het systeem eenvoudig te houden en omdat de inflatiecorrectie sterk toeneemt voor gebeurtenissen van vijf jaar of meer geleden.10 Voor een gebeurtenis die ligt binnen een tijdsbestek van vijf jaren blijft dat achterwege, gezien de onzekere factoren die leiden tot de vaststelling van de hoogte van het bedrag. De wettelijke rente is steeds verschuldigd vanaf het moment waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden - wat immers ook het meest objectieve moment is.

Maatwerk

Als een ander moment wordt gekozen, dient daarvoor een objectieve reden te bestaan, los van de opvatting van een betrokken partij, die ertoe leidt dat het moment van de gebeurtenis niet (behoorlijk) kan worden vastgesteld of tot complicaties leidt.11 Dat is maatwerk, waarvoor geen aanbeveling gegeven kan worden.


 

1 MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 475.
2 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.1.
3 Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.1, 2.4.4-2.5.
4 Zie in het bijzonder M.R. Hebly, in o.a. ‘Wettelijke rente over smartengeld – pleidooi voor een consistent
uitgangspunt’, VR 2019/182, p. 394; M.R. Hebly e.a., ‘De Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen’, Research Memoranda 2025/20, afl. 4, p. 139.
5 Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW | Rechtspraak.
6 Met het begrip ‘indexatie’ wordt bedoeld de prijsindexatie, vastgesteld volgens de rekenmethode van het CBS.
7 Rechtbank Rotterdam 20 november 1997 (96/1590), Smartengeldgids 2003 nummer 112; Hof Amsterdam 8 januari 1971, (geen rolnummer bekend), Smartengeldgids 2003 nummer 275; Rechtbank Den Haag 13 februari 2002 (01/508), Smartengeldgids nummer 277; Hof Arnhem 7 december 1999 (97/478), Smartengeldgids 2003 nummer 249
8 Berekend aan de hand van de prijsindexatie op basis van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de betreffende periodes.
9 Samengestelde rente op grond van art. 6:119 BW
10 Een bedrag van € 100,- in 2025 komt overeen met € 82,04 in 2021 en € 90,24 in 2022. Dat is een
daling van respectievelijk 18% en 9,8%, zie Prijzen toen en nu | CBS.
11 Hierbij valt te denken aan een reeks van gebeurtenissen of een moeilijk te bepalen moment, zoals bij beroepsziekten.
 

Rechtspraak.nl

↑