Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Gelderland 160415 tussentijdse aanvullende vergoeding buitengerechtelijke kosten; gevorderd € 26.488,51, toegewezen € 18.000,00

Rb Gelderland 160415 hypothetisch carrièreverloop verpleegkundige vergt nader onderzoek, afgewezen; vergoeding voor overuren toegewezen;
- tussentijdse aanvullende vergoeding buitengerechtelijke kosten; gevorderd € 26.488,51, toegewezen € 18.000,00.
- kosten deelgeschil; verzocht € 8.819,11, o.b.v uurtarief van € 265,00, toegewezen € 7.741,32. o.b.v. uurtarief van € 255,00

De feiten

2.1.
Op 15 juni 2011 is [verzoekster] , toen 32 jaar oud, slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Terwijl zij op haar fiets stond te wachten voor een verkeerslicht is [verzoekster] geraakt door een aanhanger die was losgeschoten van een bij Allianz verzekerde auto. Allianz heeft aansprakelijkheid erkend voor de schadelijke gevolgen van dit ongeval voor [verzoekster] .

2.2.
[verzoekster] was ten tijde van het ongeval werkzaam als polikliniek assistente KNO in ziekenhuis De Gelderse Vallei te Ede gedurende 30 uur per week, waarvan 3 uur op basis van een tijdelijk contract. Thans werkt zij in dezelfde functie gedurende 27 uur per week, met dien verstande dat haar werkzaamheden, stoel, tafelblad en toetsenbord zijn aangepast. [verzoekster] is de kostwinner van een gezin met twee kinderen van 12 en 6 jaar oud ten tijde van de indiening van het verzoekschrift. Haar echtgenoot is als gevolg van een hersenbloeding in 2000, en daarop volgende epilepsie en dystonie, volledig arbeidsongeschikt en hulpbehoevend.

2.3.
In opdracht van partijen gezamenlijk heeft arbeidsdeskundige P.W.M. Nohlmans “de mogelijkheden die er voor cliënte ( [verzoekster] , rb) zouden zijn geweest om management werkzaamheden en de daarbij behorende opleiding, behorend bij de vacature, te vervullen” onderzocht. In zijn rapport van 17 april 2014 schrijft hij onder meer:

“6. BESCHOUWING
Ten tijde van dit onderzoek is cliënte een 35-jarige vrouw, van beroep polikliniekassistent KNO in het ziekenhuis Gelderse Vallei en die ten gevolge van een verkeersongeval d.d. 15-08 (moet zijn 06, rb)-2011 diverse letsels heeft opgelopen. Daardoor wordt zij belemmerd, zowel in haar dagelijks functioneren, als bij de uitvoering van haar werkzaamheden.
Ten gevolge van de klachten en beperkingen die zij ervaart, is volgens cliënte haar de mogelijkheid ontnomen om door te stromen naar een managementfunctie. Als eerste is de eis dat men minimaal 30 uur per week werkzaam is. Cliënte werkte voor het ongeval 30 uur per week zijnde 27 uur per week op basis van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en 3 uur per week op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. In verband met de belemmeringen die cliënte ervoer ten gevolge van het ongeval, is dit contract per 01-07-2012 beëindigd.
Intussen heeft cliënte haar werkzaamheden weer hervat en is zij per 01-12-2013 weer voor 100% hersteld gemeld. Zij werkt nu 27 uur per week. Volgens cliënte is dit het maximaal haalbare. Als arbeidsdeskundige kan ik daar geen uitspraak over doen.
Mij is gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijkheden om management werkzaamheden en de daarbij behorende opleiding, behorend bij de vacature, te vervullen indien het ongeval niet had plaatsgevonden.
Op basis van de verkregen informatie, zoals een e-mail bericht van mevrouw de Graaff, organisatorisch manager KNO/neurologie, als de opmerking van de heer Bos, teamleider Polikliniek Neurologie/KNF/KNO in het e-mailbericht d.d. 31-03-2014, kan mijns inziens wel gesteld worden dat zij een reële kans had gemaakt om door te stromen naar de functie van senior en vervolgens naar trainee teamleider. Dit biedt weer de mogelijkheid om de stap te maken naar de functie van teamleider.
Uit het overzicht dat de personeelsadviseur heeft aangeleverd ten aanzien van de vacatures die er zijn geweest, kan afgeleid worden dat er in 2012 diverse teamleiderfuncties vacant waren, waarop zij had kunnen solliciteren. Hoe groot de kans was dat zij daadwerkelijk op een van deze functies was aangenomen is niet in percentages uit te drukken. Dit is ook afhankelijk van de opleidingsresultaten, waarbij geen uitspraak is te doen dat zij die met goed gevolg zou hebben afgerond. Daartoe zou een capaciteitentest uitgevoerd moeten worden.
Voorts moet opgemerkt worden dat ik niet beschikt over een actueel belastbaarheidsprofiel en dus ook geen uitspraak kan doen over het feit dat de beperkingen in de belastbaarheid in strijd zijn met de belasting in de werkzaamheden van de functies van senior, trainee en teamleider. Cliënte is van mening dat 27 uur per week werken het maximaal haalbare is. Of vanuit medisch oogpunt gezien het niet mogelijk is 30 uur per week te werken, kan ik evenmin een uitspraak over doen. Het is aan een verzekeringsarts / medisch adviseur om te bepalen of een urenbeperking aan de orde is.

5 BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING
Mij is gevraagd de kansen te analyseren op promotie voor ongeval en op basis van de gegevens uit het onderzoek, acht ik het reëel te stellen dat cliënte zonder ongeval een kans had door te stromen naar een managementfunctie. Nogmaals, de kans is niet uit te drukken in percentages.
Er is geen uitspraak te doen over haar huidige mogelijkheden, wegens het ontbreken van een actueel belastbaarheidspatroon.”

2.4.
Bij brief van 16 mei 2014 heeft Allianz aan [verzoekster] desgevraagd onder meer laten weten dat zij nog niet kan beoordelen of zij van het door [verzoekster] geschetste hypothetische carrièreverloop van senior naar trainee teamleider en uiteindelijk naar teamleider wil uitgaan. De resultaten van een medische expertise moeten worden afgewacht. Bovendien is onzeker of een dergelijke carrière te combineren zou zijn geweest met de toenemende zorg voor haar echtgenoot, aldus Allianz.

2.5.
In opdracht van partijen gezamenlijk heeft orthopedisch chirurg R.M. Kuipers de ongevalsgevolgen op zijn vakgebied onderzocht. In zijn rapport van 25 juli 2014 schrijft Kuipers onder meer:
“Kortheidshalve heeft ze bij een verkeersongeval een beknellingsletsel van beide armen opgelopen en dit heeft geresulteerd in een spierletsel in de strekkersloge van de linker arm en een antebrachii fractuur rechts welke na pseudartrose behandeling uiteindelijk genezen is met aanzienlijke symptomatische restfunctiestoornissen in de rechter arm en hand.” (Pagina 11.)
en
“Diagnose: rechter arm: status na beknellingsletsel en onderarmfractuur, gecompliceerd door pseudartrose van de radius waarvoor pseudartrose repair. In deze fase het beeld van een myositis ossificans met uiteindelijk consolidatie van de fractuur. Er bestaan restfunctiestoornissen, met name voor wat de pro en supinatie betreft en symptomatisch krachtverlies in de rechter hand.
Linker arm: status na kneuzingsletsel met myogeen letsel in de strekspierloge in de onderarm. Het een en ander heeft geresulteerd in een symptomatische functiebeperking als gevolg van spieruitval en littekenweefsel in de onderarmstrekkers, waardoor een gering knijpkrachtverlies links.” (Pagina 13.)
Volgens Kuipers is [verzoekster] beperkt in het klimmen en klauteren, reiken, het hand- en vingergebruik links en rechts, tillen, duwen, trekken en dragen links en rechts en in de fijne motoriek van de rechter hand. (Pagina 14.)

2.6.
[verzoekster] ervaart na de expertise van Kuipers verergering van haar rug- en schouderklachten waarvoor zij thans wordt behandeld door een neuroloog, fysiotherapeut, anesthesist en haar huisarts.

2.7.
Allianz heeft aan (de rechtshulpverlener van) [verzoekster] ter zake van buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW, in totaal een bedrag van € 20.224,80 betaald (€ 11.662,17 aan de voormalige gemachtigde van [verzoekster] en € 8.562,63 aan mr. Korkmaz). Ondanks verzoeken daartoe van mr. Korkmaz is betaling van verdere buitengerechtelijke kosten uitgebleven. Terzake van de overige schade heeft Allianz voorschotten van in totaal € 46.434,42 aan [verzoekster] betaald.

Het geschil

3.1.
Het tot twee maal toe vermeerderde, en ter zitting voorwaardelijk veranderde verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv:
A. Allianz zal veroordelen om over te gaan tot tussentijdse betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten tot augustus 2014 ad € 26.488,51 door overschrijving naar een door de advocaat van [verzoekster] op te geven bankrekening, zulks binnen twee weken na die opgave;
B1. voor recht zal verklaren dat:
1. [verzoekster] zonder het ongeval op of omstreeks september 2011 de interne opleiding tot senior had kunnen starten bij haar werkgever, Ziekenhuis De Gelderse Vallei;
2. [verzoekster] op of omstreeks september 2012 als trainee teamleider had kunnen beginnen bij haar werkgever Ziekenhuis De Gelderse Vallei en bij de HAN had kunnen starten met de driejarige bachelor-opleiding tot teamleider;
3. [verzoekster] zowel de interne opleiding tot senior als de bachelor-opleiding tot teamleider met succes had kunnen afronden;
4. [verzoekster] op of omstreeks september 2015 bij haar werkgever Ziekenhuis De Gelderse Vallei als teamleider had kunnen werken;
5. [verzoekster] bij al deze carrièrestappen de arbeidsvoorwaarden, zoals beschreven in de informatie van de werkgever bij productie 25, had genoten;
B2. althans, voor zover dat nodig zou zijn om een oordeel te verkrijgen over de redelijkheid van de verwachting van [verzoekster] omtrent haar carrièreverloop zonder ongeval, voor recht te verklaren dat bij de schaderegeling er van uit gegaan moet worden dat [verzoekster] zonder ongeval:
1. op of omstreeks september 2011 de interne opleiding tot senior was gestart bij haar werkgever, Ziekenhuis De Gelderse Vallei;
2. op of omstreeks september 2012 als trainee teamleider was begonnen bij haar werkgever Ziekenhuis De Gelderse Vallei en bij de HAN was gestart met de driejarige bachelor-opleiding tot teamleider;
3. zowel de interne opleiding tot senior als de bachelor-opleiding tot teamleider met succes had afgerond;
4. vanaf op of omstreeks september 2015 bij haar werkgever Ziekenhuis De Gelderse Vallei als teamleider had gewerkt;
5. bij al deze carrièrestappen de arbeidsvoorwaarden, zoals beschreven in de informatie van de werkgever bij productie 25, had genoten;
C. voor recht zal verklaren dat Allianz jegens [verzoekster] schadevergoedingsplichtig is voor de overuren waarvan aannemelijk is dat [verzoekster] die zonder ongeval zou hebben gemaakt en die volgens het ‘tijd voor tijd’-systeem zouden worden gecompenseerd, alsmede te bepalen dat voor de hoogte van de schadevergoeding aansluiting moet worden gezocht bij het nettoloon dat [verzoekster] in de betreffende periode zou hebben genoten;
met begroting van de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019aa Rv en veroordeling van Allianz in de aldus begrote kosten door overschrijving binnen veertien dagen na de uitspraak op een door de advocaat van [verzoekster] op te geven bankrekening.

De beoordeling

4.1.
In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht, in ieder geval op grond van artikel 24 van de EEX-verordening.

4.2.
Ter zake van de preliminaire verweren van Allianz is het volgende van belang.
[verzoekster] heeft drie goed afgebakende twistpunten in de – veel meer omvattende – letselschaderegeling ter beoordeling voorgelegd: de redelijkheid van de omvang van de tot op heden gemaakte buitengerechtelijke kosten, de redelijkheid van de verwachting van [verzoekster] omtrent haar carrièreverloop het ongeval weggedacht, en de eventuele vergoedingsplicht ter zake van overuren. Beslissing daarvan zal, naar mag worden verwacht, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarom kan, anders dan Allianz heeft opgeworpen, niet worden gezegd dat het verzoek niet voldoet aan de eisen die in artikel 1019w Rv daaraan zijn gesteld. Of het verzoek op de voet van artikel 1019z Rv moet worden afgewezen omdat de bijdrage die beslissing ervan aan een vaststellingsovereenkomst zal leveren onvoldoende moet worden geoordeeld, zal per deelverzoek worden beoordeeld.

4.3.
Vast staat dat Allianz op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW de buitengerechtelijke kosten van [verzoekster] aan haar moet vergoeden, voor zover die kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Over de hier bedoelde redelijkheid is tussen partijen een geschil gerezen. Zoals gezegd kan beslechting van dit geschil in een procedure als de onderhavige aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst bijdragen, al was het maar omdat daarmee een belemmering kan worden wegegnomen voor de voor een reële vaststellingsovereenkomst noodzakelijke verdere rechtshulpverlening. Dat dit de facto kenmerken heeft van een incassoprocedure van de advocaat van [verzoekster] doet daaraan niet af. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever de weigering van de verzekeraar advocaatkosten tussentijds te betalen expliciet als voorbeeld van een deelgeschil heeft aangeduid (TK 2007-2008, 31 518 nr. 3, pagina 16). Van misbruik van recht is geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

A-Buitengerechtelijke kosten

4.4.
Naast hetgeen in dit verband hiervoor reeds is overwogen stelt de rechtbank nog het volgende voorop. Voor de beoordeling of de declaraties van mr. Korkmaz, waarvan [verzoekster] een veroordeling tot betaling heeft verzocht, zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid c.q. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, is de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak van belang. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook indien uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan (HR 11 juli 2003, NJ 2005/50). De verhouding die verzekeraars als zijnde redelijk hanteren, de zogenoemde ‘PIV-staffel’, vormt bij de beoordeling niet het uitgangspunt, maar wel één van de factoren. Ook de opstelling van partijen in het schaderegelingsproces kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan.

4.5.
Allianz heeft reeds € 20.224,80 aan buitengerechtelijke kosten aan [verzoekster] betaald. De vraag is of zij gehouden is in aanvulling daarop € 26.488,51 te betalen. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 46.713,31.

4.6.
[verzoekster] heeft, anders dan waarvan Allianz in haar verweerschrift is uitgegaan, ter zitting haar schade wegens verlies aan verdienvermogen globaal begroot op een bedrag van ongeveer € 227.000,00, nog afgezien van mogelijk toenemende beperkingen vanwege verergering van haar klachten. De overige schade, met uitzondering van buitengerechtelijke kosten, heeft [verzoekster] voorlopig begroot op ongeveer € 45.000,00 (productie 22). Het belang van de zaak is derhalve aanzienlijk. Bovengemiddeld complex is zij niet.

4.7.
Nu de omvang van de schade thans niet vast staat, terwijl duidelijk is geworden dat de schadestaat sluit op een bedrag dat 4,5 keer hoger ligt dan het bedrag waarvan Allianz in haar verweerschrift is uitgegaan, kan niet worden vastgesteld, ook niet op basis van de PIV-staffel, dat sprake is van een wanverhouding tussen schade en kosten, zoals Allianz heeft opgeworpen. Beperking van de kosten op die grond is dan ook niet aan de orde. Vanwege de onzekerheid over de omvang van de schade en omdat [verzoekster] dit onderaan pagina 6 van de pleitnota van haar advocaat zelf ook als werkbaar bestempelt, bestaat aanleiding de tot op heden gemaakte kosten niet thans vast te stellen maar te bezien of (ten hoogste) 80% van de opgevoerde kosten bij wege van voorschot door Allianz moeten worden betaald.

4.8.
Ten aanzien van de hoogte van de declaraties van de advocaat van [verzoekster] is het volgende van belang.
Allianz heeft de redelijkheid van het door de advocaat van [verzoekster] gehanteerde uurtarief betwist. In deze zaak acht de rechtbank een uurtarief van hooguit € 255,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw passend.
De declaraties zijn behoorlijk gespecificeerd. De betekenis van door haar in haar declaraties gebruikte afkortingen heeft de advocaat van [verzoekster] bij brief van 9 september 2013 aan Allianz uitgelegd. Over het gebruik van die afkortingen kan Allianz dan nu niet vallen. Dat werkzaamheden dubbel zouden zijn gedeclareerd of zonder noodzaak door een advocaat zouden zijn verricht, zoals Allianz opwerpt, kan in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [verzoekster] niet worden vastgesteld. Aan de algemene betwisting door Allianz van de relevantie en noodzaak van de gedeclareerde werkzaamheden gaat de rechtbank voorbij. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Allianz onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat, zoals [verzoekster] heeft gesteld (onder meer punt 28 van het inleidende verzoekschrift), de opstelling van Allianz in de schaderegeling aan de zijde van [verzoekster] tot extra advocaatwerkzaamheden heeft geleid.

4.9.
Bij deze stand van zaken is er voldoende grond voor toewijzing, als voorschot, van (een deel van) de achterstallige buitengerechtelijke kosten, in redelijkheid bepaald op een bedrag van € 18.000,00. In zoverre is het verzoek sub A toewijsbaar. De bijdrage van deze beslissing aan een vaststellingsovereenkomst acht de rechtbank voldoende in de zin van artikel 1019z Rv.

B-Hypothetisch carrièreverloop

4.10.
De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (de schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad: het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied (HR 15 mei 1998, NJ 1998/624, Vehof/Helvetia). Verder moet bij het begroten van schade bestaande in het verlies aan arbeidsvermogen rekening worden gehouden met een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen (HR 14 januari 2000, NJ 2000/437, Van Sas/Interpolis).

4.11.
Het verzoek sub B strekt er naar de kern toe dat de rechtbank zal bepalen dat de verwachtingen van [verzoekster] ten aanzien van haar carrière bij ziekenhuis De Gelderse Vallei redelijk waren in de hiervoor bedoelde zin. Het voorwaardelijk veranderde verzoek, het verzoek sub B2, sluit daarbij het beste aan. De rechtbank zal verder van dat verzoek uitgaan.

4.12.
Ter zitting is gebleken dat, anders dan uit de gedingstukken valt op te maken, het rapport van Nohlmans op verzoek van partijen gezamenlijk tot stand is gekomen. Zij zijn, nu bezwaren tegen de inhoud van het rapport noch de wijze van tot stand komen zijn geuit, aan diens bevindingen gebonden. De rechtbank zal dat rapport bij de beoordeling tot uitgangspunt nemen.

4.13.
Geconstateerd moet worden dat Nohlmans met name aarzelt over de carrièrestap van trainee-teamleider naar teamleider, dus ten aanzien van het verzoek sub B2 aanhef en onder 3 en 4. Niet omdat hij de kans dat [verzoekster] deze stap zou hebben gezet klein acht, maar omdat hij niet beschikt over voldoende gegevens voor een beoordeling van die kans. Deze gegevens zijn in deze procedure niet alsnog verschaft. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank, zonder daarnaar nader deskundigenonderzoek te laten doen, de redelijkheid van de verwachting van [verzoekster] in dit verband, die Allianz heeft betwist, niet beoordelen.
Hier komt bij dat uit het rapport van Nohlmans niet blijkt dat hij de belastende thuissituatie van [verzoekster] en de ontwikkeling daarvan in zijn bevindingen heeft verdisconteerd. De vraagstelling noopte daar in ieder geval niet zonder meer toe. Op voorhand lijkt niet onrealistisch te veronderstellen dat, zoals Allianz opwerpt, deze thuissituatie de carrièrekansen van [verzoekster] en de mogelijkheid de daartoe benodigde opleiding te volgen, negatief kan hebben beïnvloed, ook in de hypothetische situatie het ongeval weggedacht. Ook in dit verband heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige.
Het hierboven bedoelde deskundigenonderzoek vereist een aanzienlijke investering in tijd en geld, terwijl [verzoekster] voorziet dat nog vele andere geschilpunten zullen opdoemen en een medische eindsituatie nog niet lijkt te zijn bereikt. Bij deze stand van zaken kunnen de sub B2 aanhef en onder 1 tot en met 4 verzochte beslissingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (in de zin van TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, pagina 18). In zoverre zal het verzoek worden afgewezen op de voet van artikel 1019z Rv.
Dat [verzoekster] de arbeidsvoorwaarden zou hebben genoten, zoals beschreven in de informatie van de werkgever bij productie 25, indien en voor zover de door haar verwachte carrièresteppen zouden komen vast te staan, heeft Allianz niet betwist en staat daarom in deze procedure tussen partijen vast. Het verzoek sub B2, aanhef en onder 5 is in zoverre toewijsbaar.

C-Overurenvergoeding

4.14.
Ter zake van het verzoek sub C geldt het volgende. Volgens [verzoekster] moet Allianz de schade vergoeden die [verzoekster] lijdt doordat zij, het ongeval weggedacht, overuren zou hebben gemaakt die zij na het ongeval en als gevolg van het ongeval niet meer kan maken. Deze overuren zouden niet zijn uitbetaald, maar worden gecompenseerd met extra verlofuren, aldus [verzoekster] .
Allianz betwist dat het niet meer kunnen maken van overuren tot vermogensschade kan lijden. In beginsel is er immers in een ‘tijd voor tijd’-systeem per saldo geen nadeel als geen overuren worden gemaakt en derhalve ook geen vermogensschade. Verder acht Allianz niet aannemelijk dat [verzoekster] in de situatie zonder ongeval hetzelfde aantal overuren was blijven maken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar standpunt nog toegelicht, onder meer in die zin dat het nadeel in dit verband erin bestaat dat zij, door aan het einde van de dag of op een vrije dag overuren te maken, vrije uren kon opnemen op voor haar familieleven geschikte momenten zoals verjaardagen en schoolvakanties. Deze flexibiliteit moet zij als gevolg van het ongeval missen, aldus [verzoekster] .

4.15.
Uitgangspunt is dat de schadevergoeding [verzoekster] zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. (HR 26 maart 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0539.) Als die vergelijking echter aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor [verzoekster] geen achteruitgang inhoudt ten opzichte van de oude, en zij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld, kan de conclusie zijn dat er geen vermogensschade is geleden. (HR 11 januari 2013ECLI:NL:HR:2013:BX9830.)

4.16.
Allianz heeft op zichzelf niet betwist dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval niet meer kan overwerken en dat dit meebrengt dat zij haar vrije tijd minder flexibel kan indelen vergeleken met de hypothetische situatie dat zij niet door de losgeslagen aanhanger zou zijn geraakt. Anders dan Allianz opwerpt is in zoverre derhalve sprake van een achteruitgang in de hierboven bedoelde zin. Vervolgens is het de vraag of en zo ja, in hoeverre, deze achteruitgang ook een achteruitgang meebrengt in de vermogenspositie van [verzoekster] . Daarvoor moet worden nagegaan of en zo ja hoe [verzoekster] zich in de feitelijke situatie deze flexibiliteit zou kunnen verschaffen. Dat kan door [verzoekster] in de positie te brengen dat zij, zonder financieel nadeel, de uren die zij in de hypothetische situatie zou hebben overgewerkt ook in de feitelijke situatie kan overwerken. Dit komt erop neer dat de duur van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met deze overuren zou worden teruggebracht. [verzoekster] zou er dan het nettoloon over deze uren op achteruit gaan. Het nadeel van het gemis aan flexibiliteit kan dan ook op deze wijze worden begroot. De verzochte verklaring voor recht, waarin niet besloten ligt dat de rechtbank de in de hypothetische situatie gemaakte overuren zal vaststellen, zal worden toegewezen.

Kostenbegroting

4.17.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek niet volstrekt onnodig of onterecht is ingediend. De rechtbank zal op de voet van artikel 1019aa Rv overgaan tot de begroting van de kosten van [verzoekster] bij de behandeling van het verzoek. [verzoekster] voert in dit verband advocaatkosten op van € 8.819,11, € 868,00 aan griffierecht en € 5,00 aan verschotten. De redelijkheid van de omvang van de advocaatkosten is in geschil. In dat verband geldt het volgende.

4.18.
De advocaatkosten bestaan uit 26 uur aan werkzaamheden (waarvan 9 uur ten behoeve van de zitting en de voorbereiding daarvan) tegen een uurtarief van € 265,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw.
De mondelinge behandeling heeft één uur geduurd. De advocaat van [verzoekster] houdt kantoor in de stad waar de zitting is gehouden. Een reistijd van in totaal één uur is dan redelijk. Het verweerschrift noopte tot substantiële voorbereidingstijd. Daarvoor acht de rechtbank een tijdsbesteding van ten hoogste vier uur redelijk. Gelet op de aard en de omvang van het verzoek, en het procesverloop, acht de rechtbank tot en met de indiening en de vermeerderingen van het verzoek een tijdsbesteding van 15 uur ten hoogste redelijk. Dat zijn in totaal 21 uur aan werkzaamheden.
Zoals gezegd acht de rechtbank in deze zaak een uurtarief van hooguit € 255,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw passend (punt 4.8). Vermeerderd met € 868,00 aan griffierecht en € 5,00 aan verschotten worden de kosten dan begroot op een bedrag van € 7.741,32. Vast staat dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval lijdt. Allianz zal daarom zoals verzocht tot betaling aan [verzoekster] van het aldus begrote bedrag worden veroordeeld. ECLI:NL:RBGEL:2015:8272

Deze website maakt gebruik van cookies