GHDHA 180826 geen letsel; waardevermindering tijdens 2,5 jaar inbeslagname auto komt niet voor rekening beslagnemer - beroep op aantasting i.d.p. slaagt niet: gemis eigen auto 2,5 jr onvoldoende zwaarwegend
GHDHA 180826 geen letsel; waardevermindering tijdens 2,5 jaar inbeslagname auto komt niet voor rekening beslagnemer
- beroep op aantasting i.d.p. slaagt niet: gemis eigen auto 2,5 jr onvoldoende zwaarwegend
6Beoordeling in hoger beroep
6.1
De materiële schadevergoeding van € 1.380 (waaronder € 1.000 voor vervangend vervoer) staat in hoger beroep niet ter discussie. Het gaat in hoger beroep om de vorderingen voor de waardevermindering van de auto van € 3.000 en voor immateriële schadevergoeding van € 3.500.
Vordering waardevermindering auto terecht afgewezen
6.2
Volgens [appellant] moet de waardevermindering van de auto gedurende de periode van de inbeslagname als vermogensschade worden aangemerkt. Hij betoogt dat het weliswaar vanzelfsprekend is dat een auto over tijd in waarde daalt, maar dat daar normaal gesproken het gebruiksgenot van de auto tegenover staat. Omdat [appellant] dat gebruiksgenot niet heeft gehad, heeft hij schade geleden die gelijk kan worden gesteld aan de waardevermindering van de auto. Daarnaast merkt [appellant] op dat de Staat zijn auto tijdens de periode van het beslag niet op passende wijze heeft bewaard en dat hij ook daarom recht heeft op schadevergoeding in verband met de waardevermindering van de auto.
6.3
Het hof overweegt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een auto enkel door tijdsverloop al in waarde daalt. [appellant] heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de auto extra in waarde is gedaald doordat de Staat de auto niet onder passende condities heeft bewaard. Het enkele feit dat de auto tijdens de inbeslagname buiten is gestald is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat [appellant] niet heeft gesteld dat hij de auto zelf binnen zou hebben gestald. Uit de omstandigheid dat de auto in die periode niet is schoongemaakt en geen onderhoudsbeurten heeft gehad, valt evenmin zonder meer af te leiden dat daardoor een extra waardevermindering is opgetreden, en [appellant] heeft dit ook niet onderbouwd. De conclusie tot zover is dat de waardevermindering van de auto tijdens de periode van de inbeslagname het gevolg is van tijdsverloop, en niet van de inbeslagname. Verder is van belang dat [appellant] financieel is gecompenseerd voor het gemis van het gebruiksgenot van zijn auto door de toekenning van een bedrag van € 1.000 voor de kosten die hij heeft moeten maken voor vervangend vervoer. Dat dit bedrag niet voldoende zou zijn voor de door [appellant] gemaakte vervangende vervoerskosten heeft [appellant] niet aangevoerd. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het standpunt van [appellant] dat hij als gevolg van de inbeslagname van zijn auto vermogensschade heeft geleden gelijk aan de waardevermindering van de auto.
6.4
Het beroep van [appellant] op het arrest Stolkowski van het Europese Hof voor de Rechten van Mens (EHRM)1 gaat niet op, omdat die zaak in relevante opzichten verschilt van de zaak van [appellant]. In de zaak Stolkowski achtte het EHRM een schadevergoeding in verband met waardevermindering van de inbeslaggenomen auto gepast omdat sprake was van een waardevermindering die groter was dan normaal vanwege de slechte condities waaronder de inbeslaggenomen auto gedurende lange tijd was bewaard. Zoals hiervoor is overwogen is dat in het geval van [appellant] niet komen vast te staan. Een ander relevant verschil is dat Stolkowski in het geheel geen schadevergoeding had ontvangen, terwijl de Staat [appellant] wel compensatie heeft aangeboden voor de inbreuk op zijn eigendomsrecht door de inbeslagname van zijn auto.
Vordering immateriële schadevergoeding moet geheel worden afgewezen
6.5
Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre [appellant] aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. [appellant] betoogt dat hij recht heeft op € 3.500 vanwege het gemis van zijn auto. Volgens de Staat heeft [appellant] geen enkel recht op immateriële schadevergoeding.
6.6
Het hof stelt het volgende voorop. Immateriële schadevergoeding komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet daar recht op geeft (artikel 6:95 BW). Artikel 6:106 aanhef en onder b BW bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dit geval draait het om de vraag of sprake is van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’. Ook als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel, kunnen de aard en de ernst van een normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de in artikel 6:106 aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze. Degene die zich daarop beroept, zal die aantasting met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder b BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.2
6.7
Volgens [appellant] heeft hij weliswaar geen naar objectieve maatstaven vast te stellen psychisch letsel, maar vormt de onrechtmatige inbeslagname van zijn auto een ernstige normschending waarvan de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat daarom een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Het hof verwerpt dat standpunt. De nadelige gevolgen van het feit dat een persoon gedurende tweeëneenhalf jaar geen gebruik heeft kunnen maken van zijn eigen auto, maar aangewezen was op vervangend vervoer, zijn in zijn algemeenheid niet dermate voor de hand liggend (en ernstig) dat daarom al sprake is van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’.
6.8
[appellant] heeft daarnaast gewezen op de volgende nadelige gevolgen die de onrechtmatige inbeslagname van de auto in concreto voor hem heeft gehad. [appellant] was door het gemis van zijn auto gedwongen om gebruik te maken van het openbaar vervoer, onder andere voor de omgangsregeling met zijn dochter. Dat betekende dat hij geconfronteerd werd met wachttijden en gedwongen ruimtedeling met anderen. Ook heeft hij uitstapjes moeten uitstellen en werd hij beperkt in zijn nachtelijke bewegingsvrijheid, wat leidde tot een inperking van zijn eerder drukke datingbestaan. Daarnaast heeft de inbeslagname van de auto een diffamerende werking op hem gehad, omdat hij aan anderen moest uitleggen waarom hij zijn auto niet meer had. Het hof overweegt over deze door [appellant] geschetste gevolgen - wat daar verder ook van zij - dat deze onvoldoende zwaarwegend zijn om te concluderen dat de inbeslagname van de auto heeft geleid tot ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW.
6.9
[appellant] heeft een beroep gedaan op een uitspraak waarin aan een verzoeker wiens rijbewijs onterecht was ingevorderd een immateriële schadevergoeding was toegekend van € 10 per dag.3 [appellant] bepleit een analoge toepassing op zijn zaak, waarbij hij de gevorderde schadevergoeding naar beneden heeft bijgesteld omdat het niet beschikken over een rijbewijs ingrijpender is dan het niet gebruik kunnen maken van zijn eigen auto. Het hof verwerpt dat standpunt van [appellant]. Niet alleen is de invordering van een rijbewijs (waardoor een persoon in het geheel geen auto meer mag besturen) in het algemeen ingrijpender dan de inbeslagname van een auto, maar ook was de toekenning van schadevergoeding in geval van het ingevorderde rijbewijs gebaseerd op een andere juridische grondslag, te weten artikel 164 lid 9 van de Wegenverkeerswet, en is niet duidelijk wat de specifieke omstandigheden van dat geval waren. Het hof heeft in de zaak van [appellant] getoetst of sprake was van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW en is tot het oordeel gekomen dat die drempel niet wordt gehaald. De rijbewijszaak maakt dat niet anders.
6.10
De conclusie is dat [appellant] geen recht heeft op immateriële schadevergoeding en dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 500 heeft toegewezen.
Over de beperkte toewijzing van de proceskosten in eerste aanleg
6.11
[appellant] maakt er bezwaar tegen dat de kantonrechter de proceskosten alleen heeft toegewezen tot een bedrag van totaal € 383,97, ter vergoeding van het griffierecht en de dagvaardingskosten. Hij vindt dat de kantonrechter de proceskosten volledig had moeten toewijzen, dus inclusief een vergoeding voor salaris advocaat. Volgens [appellant] wilde de Staat het bedrag waarover consensus bestond (te weten € 1.380) alleen uitbetalen als dat onder finale kwijting zou gebeuren. [appellant] moest daarom noodgedwongen een civiele procedure starten. Daarbij past een volledige proceskostenvergoeding, inclusief advocaatkosten, aldus [appellant].
6.12
Het hof stelt vast dat de kantonrechter, die een bedrag van totaal € 1.880 van het door [appellant] gevorderde totaalbedrag van € 7.880 had toegewezen, in rechtsoverweging 4.9 heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval (alleen) een vergoeding voor het griffierecht en de dagvaardingskosten aan [appellant] heeft toegekend. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat [appellant] alleen recht heeft op het bedrag van € 1.380 dat de Staat al vóór deze procedure bereid was aan [appellant] te betalen. Dat betekent dat [appellant], afgezet tegen het bedrag dat de Staat al bereid was te betalen, in deze procedure geheel in het ongelijk is gesteld. Daarbij past niet dat hij alsnog een vergoeding zou moeten ontvangen voor de kosten van zijn advocaat in eerste aanleg. Het bezwaar van [appellant] wordt dan ook verworpen.
Conclusie en proceskosten hoger beroep
6.13
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellant] niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van de Staat wel. Het hof zal het vonnis vernietigen voor zover de kantonrechter het bedrag van € 500 aan immateriële schadevergoeding heeft toegewezen. Voor het overige wordt het vonnis bekrachtigd.
6.14
Het hof verwerpt het door [appellant] in hoger beroep gedane bewijsaanbod, nu het onvoldoende is betrokken op voldoende gespecificeerde stellingen en niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.
6.15
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep.
6.16
Het hof begroot de proceskosten in het principaal hoger beroep aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 798
salaris advocaat € 1.824 (2 punten × tarief I)
nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.811
6.17
De proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden aan de zijde van de Staat begroot op (1/2 x € 1.824 =) € 912.
6.18
De totaal door [appellant] te betalen proceskosten voor het hoger beroep komen daarmee uit op (€ 2.811 + € 912 =) € 3.723. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
1EHRM 21 december 2021, nr. 58795/15 (Stolkowski/Polen).
2HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 (EBI), r.o. 4.2.1-4.2.2.
3Gerechtshof Den Haag, 8 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2682.
Gerechtshof Den Haag 18 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2674
