Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 080726 straf; langdurige hechte LAT-relatie, zodat benadeelde partij als naaste wordt aangemerkt; samenloop met shockschade

GHDHA 080726 straf; langdurige hechte LAT-relatie, zodat benadeelde partij als naaste wordt aangemerkt; samenloop met shockschade
 

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.

Tegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].

De Hoge Raad overwoog (onder meer):

“3.5

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een ‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.

Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2 weergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij weliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten grondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het ontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en hechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.

3.6

Het cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij niet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

In de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van affectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.”

Omvang van de zaak

Gelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Vordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.

Gelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.

Affectieschade

Op grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.

Ter terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.

Voor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.

Ter onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.

Met betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.

Voorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.

Uit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.

Gelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.

Schokschade

Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).

Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).

Op grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.

Zoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.

Het hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.

Gelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.

Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.

Bij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.

Het hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]

Nu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij] Gerechtshof Den Haag 8 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2238