Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 090626 straf; dodelijk verkeersongeval na hypo vrachtwagenchauffeur; afwegingen t.z.v. schokschade broer en ouders, verrekening met affectieschade

PHR 090626 straf; dodelijk verkeersongeval na hypo vrachtwagenchauffeur; afwegingen t.z.v. schokschade broer en ouders, verrekening met affectieschade

2De zaak in het kort

2.1

De verdachte was van beroep vrachtwagenchauffeur. Hij heeft met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising op gereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door [slachtoffer] . Als gevolg daarvan is [slachtoffer] overleden. Het is niet in geschil dat dit rijgedrag werd veroorzaakt doordat de verdachte, die aan diabetes lijdt, een te lage suikerspiegel (een hypoglykemie of ‘hypo’) had. In deze zaak ligt de focus dan ook niet zozeer op het rijgedrag zelf, als wel op het handelen van de verdachte rondom deze hypo.

2.2

Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Dit oordeel berust op de conclusie dat de verdachte niet de passende maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige) hypo belandt. Het eerste cassatiemiddel keert zich tegen dit oordeel met twee motiveringsklachten en met een rechtsklacht over het bestanddeel ‘schuld’ in de zin van art. 6 WVW 1994.

2.3

In aansluiting aan de veroordeling van de verdachte heeft het hof de vorderingen benadeelde partij (deels) toegewezen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] , de moeder en de vader van het slachtoffer, en aan [benadeelde 1] , de broer van het slachtoffer. Aan ieder van hen heeft het hof een vergoeding toegekend voor immateriële schade wegens schokschade. Het tweede cassatiemiddel is tegen deze beslissing gericht en bevat klachten over zowel de toewijsbaarheid van schokschade als de hoogte van het toegekende bedrag.

(.... red. LSA LM)
 

Het juridisch kader

4.5

De ouders en broer hebben aanspraak gemaakt op de vergoeding van twee soorten schade, te weten schokschade en affectieschade. Beide soorten schade stellen zij te hebben geleden als gevolg van het strafbare feit waarvoor de verdachte terechtstaat.

4.6

Met schokschade wordt gedoeld op gevallen waarin personenschade wordt geleden, niet omdat de benadeelde in kwestie zelf fysiek letsel heeft opgelopen, maar doordat deze is geconfronteerd met een schokkende gebeurtenis.18 Het teweegbrengen van deze schok kan een onrechtmatige daad opleveren en aanspraak geven op vergoeding van (im)materiële schade als die schok heeft geleid tot psychisch letsel.

4.7

Affectieschade moet daarvan worden onderscheiden19 en is, kort gezegd, het nadeel wegens het verdriet en leed dat iemand ondervindt omdat een naaste is overleden of gewond.20 Op een vergoeding van affectieschade wegens overlijden bestaat alleen recht volgens de maatstaven van art. 6:108 lid 3-6 BW. Die schadevergoedingsplicht wordt in het leven geroepen door de onrechtmatige daad die jegens het overleden slachtoffer is gepleegd. Dit is anders bij schokschade. Het teweegbrengen van de schok is een zelfstandige, onrechtmatige daad jegens degene die de schok heeft ondergaan.21

4.8

In HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de beoordeling van schokschade en de samenloop met affectieschade:22


“3.4
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.

3.5


Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen

3.6


De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.

(…)

3.9


Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.

3.10


In cassatie kunnen de oordelen over de omvang van de hiervoor besproken verplichting tot vergoeding van schade in beginsel slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Bij dit onderzoek kan van belang zijn in hoeverre blijkt dat de feitenrechter bij zijn oordeel acht heeft geslagen op beslissingen van (Nederlandse) rechters in vergelijkbare gevallen.”

4.9

Dit arrest verlegde de koers voor de beoordeling van schokschade. Sinds de eerste acceptatie van de figuur van schokschade door de Hoge Raad in 2002, gold als een van de vereisten voor toekenning daarvan dat de hevige emotionele schok was teweeggebracht door het waarnemen van het feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.23 Met het aangehaalde arrest uit 2022 is deze directe confrontatie niet meer een noodzakelijke voorwaarde, maar een gezichtspunt dat de rechter samen met andere in zijn oordeel moet betrekken. Daarbij hoeft geen sprake meer te zijn van een ‘directe’ confrontatie met ‘ernstige’ gevolgen van het feit. Wel kan bij een latere confrontatie een rol spelen of die onverhoeds was.24

4.10

Engelhard en Engelhard wijzen erop dat aan de formulering van dit gezichtspunt door de Hoge Raad de aanname ten grondslag lijkt de liggen dat de aanwezigheid bij het voorval en de onmiddellijke kennisname daarvan de slagingskans van een schokschadeclaim versterken.25 De betekenis van het onverhoedse karakter van een confrontatie volgt niet uit de rechtspraak, maar met Kroese zou kunnen worden gedacht dat de reden is dat een hevige emotionele schok zich in beginsel minder snel zal voordoen bij degene die op de confrontatie is voorbereid. Daarbij is het niet ondenkbaar dat hetgeen waarmee men wordt geconfronteerd alsnog alle verwachtingen overtreft, bijvoorbeeld als het lichaam van de overledene sterkt gehavend blijkt.26

4.11

Andere gezichtspunten dan de confrontatie met het feit en de gevolgen daarvan, zijn in ieder geval de aard, de toedracht en de gevolgen van het gepleegde feit. Dit zegt iets over de ernst van normschending. Een derde gezichtspunt is de aard en hechtheid van de relatie tussen degene die overlijdt en degene die de schok ondergaat. Deze opsomming van gezichtspunten is echter niet limitatief.

4.12

Ik wijs erop dat deze rechtspraak een beperking aanbrengt in het aantal gevallen waarin sprake is van onrechtmatig handelen.27 Niet in ieder geval dat een overlijden (of zware verwonding) door een (strafbaar) feit een schok teweegbrengt die tot psychisch letsel leidt, bestaat recht op een vergoeding van schade. Alleen wanneer een beoordeling van relevante gezichtspunten daarvoor grond geeft, handelt de pleger van het feit ook onrechtmatig jegens de geschokte. Voor die gevallen waarin dat niet zo is, bestaat mogelijk wel een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De beoordeling van de gezichtspunten dient dus enige inhoud te hebben en toekenning van schokschade mag geen automatisme te zijn, ook niet als zowel de schok die een overlijden teweegbrengt als het psychisch letsel die dit veroorzaakt, is komen vast te staan (en zeer invoelbaar is).

4.13

Dit gezegd hebbende, lijkt de feitenrechter met het aangehaalde arrest uit 2022 meer ruimte te hebben gekregen om tot een vergoeding van schokschade te komen. Die rechter kan immers waarde hechten aan verschillende aspecten van het geval en hoeft geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het ontbreken of het in verminderde mate aanwezig zijn van één van de gezichtspunten. Dit gegeven kan immers worden ‘gecompenseerd’ door een grotere rol voor andere gezichtspunten.

4.14

Daarvan zijn ook voorbeelden te vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250 ging het om de toegewezen vorderingen voor schokschade van de ouders en zussen van een slachtoffer van moord. De confrontatie met het lichaam van het slachtoffer vond plaats in het mortuarium. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand en overwoog dat aan dit oordeel niet afdeed dat de confrontatie niet onverhoeds en niet onvermijdbaar was, gelet ook op de vaststellingen van het hof rond de toedracht van het bewezenverklaarde, het op het slachtoffer toegepaste geweld en de directe familieband tussen het slachtoffer en de benadeelde partijen. Over het letsel had het hof vastgesteld dat bij het slachtoffer de schedel was ingeslagen, de neus was verbrijzeld en de bovenkaak was gebroken. Hoe de ernst van dit (zichtbare) letsel precies past in de afweging van de gezichtspunten, volgt niet zonder meer uit het arrest. Het zou zowel extra gewicht kunnen toekennen aan het gezichtspunt van de ernst van de normschending als aan het gezichtspunt van de confrontatie.28

4.15

Met dit arrest vergelijkbaar is het hiervoor geciteerde HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958. Daar ging het om de doodslag op een meisje door haar van grote hoogte van een flatgebouw te laten vallen. De vader van het meisje vorderde vergoeding van schokschade. Hij was in het mortuarium geconfronteerd met het stoffelijk overschot van zijn dochter en “de schokkende, destructieve impact van de val op haar lichaam”. Uit de onderbouwing van de vordering volgde dat deze confrontatie later nogmaals heeft plaatsgevonden door het zien van foto’s.

4.16

Ook op andere gezichtspunten kan worden “gecompenseerd” bijvoorbeeld van het feit dat tussen de overledene en de benadeelde geen “bijzondere affectieve relatie” bestond.29

4.17

Engelhard en Engelhard stellen dat uit deze rechtspraak het beeld naar voren komt dat in gevallen van het visueel waarnemen van het lichaam met de (impact van) de verwondingen, het eerste het derde gezichtspunt voldoende compenseren voor het ontbreken van fysieke aanwezigheid bij het feit en van een onverhoedse confrontatie.30

4.18

Tot slot van dit juridisch kader nog iets over de taak van de strafrechter bij de beoordeling van een vordering benadeelde partij. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. Verder schrijft art. 361 lid 4 Sv voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.31

Bespreking van het middel

4.19

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Als eerst wordt geklaagd dat het hof, ondanks een daartoe gevoerd verweer, de gezichtspunten onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. De tweede deelklacht richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van schokschade. Daarbij zou het hof geen acht hebben geslagen op beslissingen van rechters in vergelijkbare zaken en geen rekening hebben gehouden met de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade.

4.20

Die laatste aanspraak is niet eenvoudig op te maken uit de stukken. Wel volgt uit de standpunten die de verdachte en de ouders tijdens het proces hebben ingenomen, dat de ouders inderdaad een vergoeding van affectieschade hebben ontvangen. Volgens een bijlage bij de vordering benadeelde partij zou dit een ‘voorschot’ zijn geweest van € 35.000,- voor beiden gezamenlijk. Dit komt overeen met het Besluit affectieschade. Dit stelt de hoogte van de vergoeding voor een ouder op € 17.500,-. De vordering van de broer van het slachtoffer tot vergoeding van affectieschade is door het hof afgewezen.

4.21

De eerste deelklacht is een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest.

4.22

Het hof heeft inderdaad in de motivering van zijn beslissing de nadruk gelegd op de confrontatie van de benadeelde partijen door het “waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.” De vraag of het hof daarmee blijk heeft gegeven van een juiste rechtsopvatting hoeft hier niet te worden beantwoord nu daarover in cassatie niet wordt geklaagd. Hoe dan ook volgt uit de overwegingen van het hof dat het bij zijn oordeel wel degelijk heeft betrokken dat het slachtoffer de broer respectievelijk de zoon van de benadeelde partijen was.

4.23

Op grond van het hiervoor weergegeven juridisch kader is het zeer wel mogelijk om op basis van voldoende zwaarwegende omstandigheden op twee gezichtspunten tot het oordeel te komen dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene die een hevige emotionele schok heeft ondergaan. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is de verminderde aanwezigheid van een gezichtspunt niet in alle gevallen ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een onrechtmatige daad.

4.24

Wat betreft de broer [benadeelde 1] heeft het hof over de confrontatie met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan vastgesteld, dat de broer geen getuige is geweest van het ongeval. Het hof heeft over de confrontatie verder vastgesteld dat hij kort na het ongeval op de plaats delict is geweest, dat hij het slachtoffer heeft moeten identificeren en dat hij videobeelden heeft bekeken waarop duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren.32 Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond, vermeldt het hof niets. Met enige aarzeling meen ik dat deze feiten en omstandigheden voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte jegens de broer van het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat het oordeel van het hof, dat uit deze confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval waarbij de broer van de benadeelde partij om het leven is gekomen volgt dat de verdachte jegens de broer onrechtmatig heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

4.25

Dat ligt naar mijn mening anders ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte ook jegens de ouders van het primaire slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Anders dan bij de broer van het primaire slachtoffer, houden de vaststellingen van het hof niet in dat zij op de plaats delict zijn geweest of dat zij de videobeelden hebben bekeken die zijn gemaakt van het ongeval. Het hof heeft vastgesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder de identificatie van hun zoon, een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond vermeldt het hof niets. Met name wordt niets vastgesteld over eventuele verwondingen die de ouders hebben moeten waarnemen op het lichaam van hun zoon. Dat klemt in dit geval temeer, omdat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat niet blijkt op welke wijze de ouders van het slachtoffer zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het hof verwijst in zijn motivering wel nog naar de schriftelijke onderbouwing van de vordering benadeelde partij. Waar het hof dan precies op doelt, wordt echter niet duidelijk. Ook in de schriftelijke onderbouwing wordt niet nader ingegaan op de identificatie van hun zoon. De daar genoemde gesprekken waardoor de ouders een zeer realistisch beeld hebben kunnen creëren van het ongeval en de blootstelling aan de aandacht van de media, zullen ongetwijfeld belastend zijn geweest, maar kunnen niet zonder meer worden aangemerkt als confrontaties als hier bedoeld. De vaststelling van het hof dat zij hun zoon hebben geïdentificeerd kan het oordeel dat de verdachte onrechtmatig jegens de ouders van het primaire slachtoffer heeft gehandeld niet zelfstandig dragen. Om die reden acht ik het oordeel van het hof dan ook niet toereikend gemotiveerd.

4.26

De tweede deelklacht behoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meen ik dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Ik verwijs daartoe naar het gevoerde verweer en rov. 3.9 van het onder 4.8 geciteerde arrest HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.

4.27

Voor zover de deelklacht zich richt tegen de motivering van de hoogte van de aan de broer toegekende vergoeding voor schokschade, faalt deze. Ik wijs erop dat aan de broer geen affectieschade is toegekend en dat de verdachte bij het hof geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Waarom het in deze omstandigheden voor de begrijpelijkheid van de toekenning van het bedrag aan de broer nodig zou zijn geweest dat het hof expliciet ervan blijk had gegeven acht te hebben geslagen op beslissingen van de (Nederlandse) rechter in vergelijkbare gevallen, zie ik niet in. In de schriftelijke onderbouwing van de vordering is overigens wel verwezen naar een aantal uitspraken van Nederlandse rechters waarbij een vergoeding is toegekend voor immateriële schade wegens schokschade. Het oordeel van het hof is toereikend gemotiveerd.

4.28

Het middel slaagt deels.
 

18Zie de conclusie van AG’s Lindenbergh en Spronken, ECLI:NL:PHR:2022:166, randnr. 4.1.1.

19HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, rov. 4.2.

20Zie de conclusie van AG’s Lindenbergh en Spronken, ECLI:NL:PHR:2022:166, randnrs. 4.2.11 en 4.2.13.

21Zie de conclusie van AG’s Lindenbergh en Spronken, ECLI:NL:PHR:2022:166, randnrs. 4.2.3 en zie ook rov. 3.4 van het hierna aangehaalde arrest .

22Deels herhaald in HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1676.

23HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, rov. 4.3 (Taxibus-arrest). Deze eis is nadrukkelijk gehandhaafd in HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, rov. 3.5 (Vilt-arrest).

24D.S. Kroese, ‘Schokschade en de wijze van confrontatie van het Hoogeveen-arrest: een onverhoedse toepassing in de feitenrechtspraak’, NTBR 2024/17, par. 1; E.F.D. Engelhard en I.M. Engelhard, ‘Over gezichtspunten en aannames bij de begrenzing van het recht op schadevergoeding bij shockschade in en na Hoogeveen’, TVP 2004, nr. 1, p. 4.

25Engelhard en Engelhard, a.w., p. 5.

26Kroese, a.w., par. 4.2.

27Engelhard en Engelhard, a.w., p. 1 en 2.

28Kroese, a.w., par. 5.2.

29HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:485; Engelhard en Engelhard, a.w., p. 7 en 8 .

30Engelhard en Engelhard, a.w., p. 6. Vgl. ook de conclusie van AG Frielink ECLI:NL:PHR:2025:903.

31HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.2 en 2.8.6.

32Vgl. hiervoor onder 4.15 de mogelijkheid om ook via beeldopnamen met de gevolgen van het ongeval te worden geconfronteerd.

33HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.

34HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086.

 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:563