RBMNE 300626 straf; doodslag; shockschade partner na bekijken tv-beelden ter voorkoming herkenbare uitzending; confrontatie onvermijdbaar; schattenderwijs € 15.000;
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 300626 straf; doodslag; shockschade partner na bekijken tv-beelden ter voorkoming herkenbare uitzending; confrontatie onvermijdbaar; schattenderwijs € 15.000;
8De vorderingen door benadeelde partijen
8.1.
De vorderingen
8.1.1.
De benadeelde partij [benadeelde 1]
Nabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van
€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:
€ 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;
€ 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:
€ 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;
€ 30.000,- als vergoeding voor schokschade.
8.1.2.
De benadeelde partij [benadeelde 5]
Namens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
-
€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
-
€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).
8.1.3.
De benadeelde partij [benadeelde 4]
Namens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
-
€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
-
€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).
8.1.4.
De benadeelde partij [benadeelde 3]
Nabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
8.1.5.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
8.3.1.
Ten aanzien van alle vorderingen
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.
Bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.
8.3.2.
Ten aanzien van de vordering door [benadeelde 1]
De advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
8.4.1.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van € 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.
De rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.
Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.
De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.4 De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.
De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal
De rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op € 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
8.4.2.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
8.4.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
8.4.4.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.
8.4.5.
Geen eigen schuld
De rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.
8.4.6.
De wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.
8.4.7.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8.4.8.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.
Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.
In totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.
8.4.9.
De proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Rechtbank Midden-Nederland 30 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3784