Overslaan en naar de inhoud gaan

CRVB 041219 onrechtmatig besluit; overschrijding redelijke termijn, afwijzing immateriële schadevergoeding

CRVB 041219 onrechtmatig besluit; vergoeding reiskosten, na te betalen zorg- en huurtoeslagproceskosten en overschrijding redelijke termijn, afwijzing (overige) immateriële schadevergoeding

OVERWEGINGEN

2.2.4.

In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 27 januari 2015 van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak vier jaar en elf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

2.2.5.
De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

2.3.
Bij de beoordeling van het verzoek van appellant om vergoeding van materiële en immateriële schade zoekt de bestuursrechter aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169).

2.4.
Wat appellant heeft aangevoerd leidt er niet toe dat hij tegenover het Uwv aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade. De Raad kan begrijpen dat de procedures appellant zwaar zijn gevallen en dat hij derden heeft moeten inschakelen voor opvang en begeleiding, maar dit levert geen aantasting van de persoon op als in 2.3 bedoeld. ECLI:NL:CRVB:2019:3931