RBGEL 140826 enkelletsel tijdens HEAT-training; ongeschikt voor deelgeschil; bewijs nodig t.z.v. instructies en terrein;
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 140826 enkelletsel tijdens HEAT-training; ongeschikt voor deelgeschil; bewijs nodig t.z.v. instructies en terrein;
- begroot cf verzoek, niet toegewezen 23,5 uur x € 245 incl. btw = € 5.757,50
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is in dienst bij WUR in de functie van [functie] .
2.2.
Als voorbereiding op uitzending naar Somalië en Zuid-Sudan in juli 2023 heeft [verzoeker] in opdracht van WUR in juni 2023 een meerdaagse HEAT-course (Hostile Environment Awareness Training) gevolgd bij het trainingsinstituut Stichting Centre for Safety and Development (hierna: CSD). De training vond plaats op een terrein dat door CSD was gehuurd van de dienst vastgoed van de rijksoverheid.
2.3.
Onderdeel van de training was een simulatie waarbij cursisten dekking moesten zoeken onder geweervuur en een acteur die zich voordeed als slachtoffer. Tijdens die simulatie zijn de deelnemers, waaronder [verzoeker] , de bosjes in gerend. [verzoeker] is daarbij ten val gekomen waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterenkelgewricht.
2.4.
Bij brief van 25 augustus 2023 heeft de arbeidsinspectie laten weten geen onderzoek in te stellen naar het ongeval omdat [verzoeker] tijdens de training/opleiding onder het gezag van het opleidingsinstituut viel en geen sprake was van werkgever-/werknemerschap.
2.5.
WUR heeft verzocht om voornoemde beslissing te herzien, maar bij brief van 30 november 2023 heeft de arbeidsinspectie het herzieningsverzoek afgewezen.
2.6.
In een intern onderzoeksrapport van de WUR van 16 februari 2024 staat, voor zover relevant, het volgende:
3Toedracht Incident
Het incident vond plaats op een oefenterrein. Een simulatie moest het aangeleerde gedrag oproepen waar in de ochtend al meerdere malen op is geoefend en over gesproken. Na een intense oefening met vuurwapenaanwezigheid moest de oefengroep zich naar een andere locatie begeven, als onderdeel van de training. Plotseling geweervuur en geschreeuw van een (virtueel) slachtoffer moest bij de deelnemers het aangeleerd gedrag oproepen, namelijk eerst voor de eigen veiligheid zorgen, dan verkennen en zo mogelijk hulp verlenen. Tijdens de eerste reactie ging het mis. Het slachtoffer – met enkele anderen – zochten persoonlijke veiligheid door zich in begroeid gebied te verstoppen. Deze reactie is niet in lijn met de instructie van de trainer. In de conclusie wordt hier nader op ingegaan.
Een diepe kuil werd volgens het slachtoffer over het hoofd gezien, de balans verloren en de enkel in de val/als gevolg van de val complex gebroken.
(…)
5Analyse van het ongeval
De analyse geeft een eigenaardig beeld te zien. Dit is te wijten aan het feit dat de maatregel die dient om de medewerker te bescherming tijdens de uitzending zelf tot dit ongeval heeft geleid. Hierdoor wijst de analyse nadrukkelijk naar WUR zelf en naar het trainingsbureau CSD.
De directe verantwoordelijkheid van WUR voor de medewerker – waardoor de deelname aan deze training verplicht is voor de medewerker – verplicht de werkgever tot het nauwkeurig selecteren van deze bijzondere dienstverlener. Het doel van de training moet maximaal effect geven bij minimaal risico. Beoordeling van de diensten van deze leverancier ligt bij de opdrachtgever.
De directe verantwoordelijkheid van het trainingsbureau over de veiligheid van deelnemers is vastgelegd in de wet. (…)
5.1
Gewenst gedrag benadrukken
In de training gaat (mede) om het aanleren van gewenst/optimaal gedrag om de risico’s waaraan cursisten worden blootgesteld zo goed mogelijk te beheersen, danwel risico’s te verminderen of weg te nemen. Over dit gedrag wordt in de opleiding gesproken en tijdens de praktijkgetraind. Het door de cursist vertoonde gedag was niet het juiste gedrag volgens de instructeur/eigenaar. Hierdoor ontstond een nieuw risico waarin niet was voorzien.
5.1.1
Directe oorzaak & omstandigheden
De directe oorzaak van het vertonen van onbedoeld gedrag is onduidelijkheid over de instructie wat te doen bij vuurwapengebruik. Hier spreken de cursist en de getuige, de trainer tegen. De cursiste vertelt dat zo snel mogelijk dekking zoeken een goede strategie is, dit is in de evaluatie van voorgaande oefeningen duidelijk geworden. De getuige beaamt dit. Andere deelnemers vertoonden ook verschillend gedrag. Het bedrijf geeft echter aan dat de aangeleerde strategie is: “dive to the ground, en zo is dit ook aangeleerd in de voorgaande oefeningen”.
5.1.2
Achterliggende oorzaken
Een achterliggende oorzaak van deze onduidelijkheid kan zijn dat het programma voor de training niet voldoende helder is. Uit de sheets van de presentaties blijkt dat het gewenste gedrag (naar de grond) steeds wordt herhaald.
(…)
5.3
Ontbrekende barrière: Onderhoud van het terrein
Onderhoud van opstallen en terreinen is de basis van ongevalspreventie. Indien dit onderhoud ontbreekt moeten de risico’s die hieruit voortkomen geïnventariseerd worden. Een voorbeeld voor een maatregel bij niet-onderhouden terrein kan het dragen van veiligheidsschoeisel zijn.
5.3.1.
Directe oorzaak
Het terrein is gehuurd van de dienst vastgoed van de rijksoverheid. Deze dienst verhuurt het terrein onder voorwaarden dat het onderhoud niet wordt uitgevoerd.
5.3.2.
Achterliggende oorzaak
Het verwilderde terrein roept de sfeer en de omstandigheden op van een onbekend gebied. Het draagt daarom bij aan realistisch oefenen. Het is echter niet de bedoeling dat slecht onderhouden terrein leidt tot ongevallen. Het ongeval voltrok zich in een gedeelte van het terrein dat natuur is. De Utrechtse Heuvelrug kenmerkt zich door heuvelachtig landschap. Onderhoud zou nooit resulteren in het verwijderen van dit heuvelachtige landschap.
5.3.3
Deelconclusie
Hoewel de toestand van het terrein een duidelijke rol speelt in het ontstaan van het letsel, is de uitleg over de rol hiervan van beide partijen verschillend. Door het terrein als “natuur” te kwalificeren is de discussie over de verantwoordelijkheid over de toestand ervan zinloos.
(…)
6Conclusie
De belangrijkste conclusie is dat een werknemer in een training die direct met de (te verwachten) arbeidsomstandigheden te maken hebben, in dit geval niet onder de arbeidsomstandighedenwetgeving valt. De toezichthouder geeft dit in brief, zie bijlage, duidelijk aan. Dit betekent dat een cursist die op training wordt gestuurd, noch onder gezag van de werkgever valt, noch onder gezag van een trainingsinstituut valt. Dit is een zeer onbevredigende situatie, zowel voor de werkgever als de werknemer, en op termijn ook voor een trainingsinstituut. In deze casus is het gevolg dat de werkgever haar eigen verantwoordelijkheid moet nemen, en dat de werknemer het civiele spoor moet volgen om haar schade vergoed te krijgen.
2.7.
[verzoeker] heeft als productie 2, twee getuigenverklaringen overgelegd. In de verklaring van de heer [persoon 1] staat, voor zover van belang:
Voor de training kende ik [verzoeker] niet. We hebben de HEAT-course samen gevolgd in juni 2023. Het is een driedaagse training. Op de laatste dag vond er buiten op het terrein een simulatietraining plaats, waarbij kon worden toegepast wat we de dagen daarvoor hadden geleerd. Het was een rollenspel. We werden verdeeld in drie groepen. De groepsgrootte was tussen de 6 en 8 personen, geloof ik. Dat weet ik niet meer helemaal zeker.
We moesten ons verplaatsen van locatie A naar locatie B om informatie te verzamelen over hoe laat het vliegtuig vertrok. Er werd geschoten en er kwam een zwaargewond persoon aangelopen. Er werd geschreeuwd ‘zoek dekking, zoek dekking’.
Rechts van de locatie waar we ons bevonden was er open terrein. Links van ons was een struikgewas, gelegen achter een klein heuveltje van een meter of anderhalve meter hoger dan het terrein waar we op dat moment stonden. Er stonden bramenstruiken, brandnetels en bomen. Samen met een Spaanse deelnemer renden [verzoeker] en ik over de heuvel de bosjes in, zoals ons was uitgelegd. Ik koos ervoor om bij de boom te schuilen. Vanaf waar wij stonden waren de bosjes de logische plek om te schuilen. Anders hadden we onbeschut op de grond moeten gaan liggen zonder dekking.
Achter het heuveltje was een diep gat. [verzoeker] struikelde daarover en brak haar been. Ik heb samen met anderen eerste hulp gegeven. Het duurde 20 tot 30 minuten tot de ambulance er was. Ik ben met [verzoeker] meegegaan in de ambulance.
Het gat waar [verzoeker] in stapte was denk ik wel ongeveer een meter diep. Het heuveltje en het gat is niet zichtbaar op Google Maps. De verhoging/ het heuveltje is amper te zien op dat beeld. Het was wel echt een dieper gat dan je kunt verwachten in een verwilderd of natuurgebied. Het is niet te vergelijken met de ongelijke bodem in een bos. Het zag eruit alsof er gegraven was en het gat niet was dicht geschept.
Op een schoon en onderhouden terrein was het gat wellicht zichtbaar geweest. Vanaf waar wij de bosjes indoken, konden we het gat niet zien vanwege het heuveltje/de verhoging. Door de dichte begroeiing konden we het ook achter het heuveltje niet zien. Eenieder had kunnen overkomen wat [verzoeker] is overkomen.
(…)
In de verklaring van de heer [persoon 2] staat voor zover van belang:
(…) Last time I took the course, the simulation took place at an open space of 5 by 5 meters with grass surrounded by bushes and trees. We had to wait at the waiting area outside. We had a map. We got the instructions to stay out of sight. Don’t be seen. When the shooting started, we took shelter in de bushes. That was the most logical place to hide. You have to hide as far away from danger as possible. So the group I was with went into the bushes, further and further in.
The obvious thing to do was to hide in the bushes. That is were things get a bit strange. The ground in the bushes is very uneven. The forested area looked old and abandoned. There was a lot of rubbish there. There was a dirty old sofa. An asylum center is located near the training center. I think the refugees and homeless people hang out there. It wasn’t a nice place to have to stay and hide. As it stood, the terrain was not suitable for this simulation to take place.
The only safety instruction/warning I can remember is: prioritize your own safety. No specific safety instructions were given, and no warning was given about the condition of the site.
2.8.
Bij brief van 16 mei 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] WUR aansprakelijk gesteld voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval op grond van artikel 7:658 BW.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
I. te bepalen dat WUR aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het [verzoeker] op 2 juni 2023 overkomen arbeidsongeval;
II. WUR en Intact (hoofdelijk) te veroordelen – waarbij de één betaald hebbende, de ander ter zake zal zijn gekweten – tot vergoeding van alle materiële en immateriële ongevalgerelateerde schade van [verzoeker] ;
III. de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en WUR en Intact (hoofdelijk) te veroordelen – waarbij de één betaald hebbende, de ander ter zake zal zijn gekweten – tot betaling daarvan aan [verzoeker] .
3.2.
[verzoeker] legt aan haar verzoek ten grondslag dat WUR haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW heeft geschonden. WUR liet de zorgplicht over aan CSD en moet in dat kader ook instaan voor eventuele zorgplichtschendingen van CSD als hulppersoon. [verzoeker] volgde op de dag van het ongeval een training gegeven door CSD en het ongeval is [verzoeker] dus overkomen in de uitoefening van haar werkzaamheden. WUR moet aantonen dat er veiligheidsmaatregelen zijn getroffen en veiligheidsinstructies zijn gegeven. Wil WUR aansprakelijkheid voorkomen, dan moet zij aantonen dat zij én CSD al het redelijke hebben gedaan om schade bij [verzoeker] te voorkomen op het gebied van 1) onderzoek/inventarisatie van de aan het werk verbonden risico’s, 2) het treffen van fysieke/technische maatregelen, 3) het geven van adequate instructies/waarschuwingen en 4) het houden van toezicht, aldus [verzoeker] .
3.3.
WUR voert primair aan dat deze zaak zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat WUR niet aansprakelijk is. Op de verweren wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of WUR aansprakelijk is voor de door [verzoeker] gestelde schade als gevolg van het ongeval tijdens de HEAT-course. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Schending zorgplicht?
4.4.
In artikel 7:658 lid 1 BW is de op een werkgever rustende zorgplicht opgenomen. Op grond van die zorgplicht is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid laat verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden en voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Met artikel 7:658 BW is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van het ontstaan van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Een werknemer die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, zal dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Indien komt vast te staan dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden dan is de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij zijn zorgplicht, als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen, dan wel dat nakoming van deze zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat, indien sprake zou zijn van een normschending door CSD, een eventuele aansprakelijkheid daarvan kan doorwerken naar WUR. Evenmin is in geschil dat [verzoeker] tijdens de HEAT-course letsel heeft opgelopen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van een schending van de op de WUR als werkgever rustende zorgplicht.
4.6.
[verzoeker] legt in dit kader aan haar verzoek in de kern twee normschendingen ten grondslag. Volgens haar zijn voorafgaand aan de simulatieoefening onvoldoende, dan wel ondeugdelijke, dan wel tegenstrijdige instructies gegeven. Daarnaast stelt [verzoeker] dat de oefening plaatsvond in een omgeving die onvoldoende veilig was ingericht. Als gevolg daarvan is zij, nadat tijdens de simulatie geweerschoten klonken, de bosjes in gerend om dekking te zoeken. Daarbij heeft zij een kuil te laat opgemerkt, waarna zij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. WUR betwist beide verwijten. De kantonrechter gaat hierna in op beide gestelde normschendingen.
Instructies
4.7.
Bij de beoordeling van de vraag of WUR aan haar zorgplicht heeft voldaan, is van belang welke concrete instructies aan de deelnemers zijn gegeven en of deze instructies, mede gelet op de aard van de oefening en de daaraan verbonden risico’s, voldoende waren.
Ten aanzien daarvan stelt de kantonrechter vast dat partijen een wezenlijk verschillend beeld schetsen van de inhoud, wijze en omstandigheden waaronder de instructies zijn gegeven. Vaststaat dat in de ochtend van de derde cursusdag een theoretisch gedeelte heeft plaatsgevonden waarbij een presentatie is verzorgd. Volgens [verzoeker] werden tijdens dat onderdeel instructies verstrekt terwijl de cursisten zich tevens rondom een tafel met oefenmateriaal bevonden, waardoor de aandacht niet uitsluitend op de instructie was gericht. [verzoeker] stelt dat daarbij wel summier aandacht is besteed aan de instructie “dive to the ground”, maar dat tijdens het latere praktijkgedeelte in de middag (waarbij ook weer instructies zijn gegeven) en de daaropvolgende simulatieoefening geen nadere aandacht meer aan die instructie is besteed. Op dat moment is volgens [verzoeker] uitsluitend nog gesproken over het zoeken van dekking. Het ging er volgens [verzoeker] vooral om om zo snel mogelijk beschutting te zoeken waarbij werd aangegeven dat het in de bosjes relatief veilig was. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [verzoeker] twee getuigenverklaringen van cursisten overgelegd (zie r.o. 2.7.). WUR betwist dit en stelt dat wel degelijk toereikende instructies zijn gegeven en verwijst hierbij naar de PowerPointpresentatie die in de ochtend van de derde cursusdag is gepresenteerd. Daarin wordt aandacht besteed aan de instructie “dive to the ground” en vaststaat dat [verzoeker] zich niet aan die instructie heeft gehouden.
4.8.
Hoewel vastgesteld kan worden dat de instructie “dive to the ground” is gegeven en ook vastgesteld kan worden dat [verzoeker] zich daar tijdens de simulatie niet aan heeft gehouden, is van belang om vast te stellen of er in het middagdeel – vóór de simulatie – andere, tegenstrijdige instructies zijn gegeven waar [verzoeker] zich vervolgens wél aan heeft gehouden. Daarbij acht de kantonrechter mede van belang dat tijdens de simulatie gebruik werd gemaakt van geweerschoten in een nagebootste gevaarsituatie. Niet uitgesloten is dat een dergelijke setting aanleiding kan geven tot schrik-, stress- of paniekreacties en daarmee tot onvoorspelbaar gedrag van deelnemers. Juist daarom kan de inhoud en duidelijkheid van de vooraf gegeven instructies van betekenis zijn voor de beoordeling van de vraag of WUR de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schade te voorkomen. Een dergelijke reactie van onvoorspelbaar gedrag kan in dit geval wellicht niet helemaal worden beperkt, maar het risico erop kan wel worden verkleind door het geven van deugdelijke én eenduidige instructies.
4.9.
De feiten die voor die beoordeling van belang zijn, staan echter niet vast. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de instructies en over de vraag welke aandacht voorafgaand aan de simulatieoefening is besteed aan de risico’s van het terrein en aan de wijze waarop deelnemers daarop moesten reageren. Zonder nadere bewijslevering kan hierover geen oordeel worden gegeven.
Het terrein
4.10.
Daarnaast verschillen partijen van mening over de omstandigheden van het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Volgens [verzoeker] was sprake van een kuil die zij niet tijdig heeft kunnen waarnemen toen zij dekking zocht. WUR voert daartegenover aan dat sprake was van een glooiing/een natuurlijke terreinoneffenheid in een natuurgebied waarvan de omstandigheden niet volledig beheersbaar zijn en betwist dat sprake was van een bijzonder gevaarlijke situatie. Ook voert WUR aan dat CSD heeft aangegeven dat trainen in een bosrijke omgeving in zichzelf risico’s met zich brengt.
Ook ten aanzien van deze omstandigheden is nader feitenonderzoek noodzakelijk. De beantwoording van de vraag in welke mate de toestand van het terrein van belang is voor de zorgplicht van WUR vergt immers eerst vaststelling van de feitelijke situatie ter plaatse.
Niet geschikt voor deelgeschil
4.11.
De hiervoor genoemde geschilpunten raken rechtstreeks aan de vraag of WUR heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht van artikel 7:658 BW. Voor beantwoording daarvan is nadere bewijslevering nodig over onder meer de inhoud van de gegeven instructies, de wijze waarop deze zijn verstrekt, de omstandigheden waaronder de simulatieoefening plaatsvond en de aard van het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Een dergelijk onderzoek gaat het kader van een deelgeschilprocedure te buiten. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor een relatief eenvoudige en afgebakende beoordeling die kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
Voor nadere bewijslevering is geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Dergelijke bewijslevering verdraagt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt moet zijn.
4.12.
Hoewel [verzoeker] daarom wel kan worden ontvangen in haar verzoek, is het geschil naar het oordeel van de kantonrechter niet geschikt voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verzoek zal daarom worden afgewezen op grond van artikel 1019z Rv.
Kosten deelgeschil
4.13.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.14.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.15.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 5.757,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. WUR heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren heeft WUR aangevoerd dat 23,5 uur bovenmatig is. Volgens WUR is een aantal van 15 uren redelijk.
4.16.
De door [verzoeker] verzochte kostenbegroting komt de kantonrechter niet onredelijk voor. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 23,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 5.757,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en WUR niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door WUR te worden betaald als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan. Rechtbank Gelderland 14 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6740
