Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBAMS 291220 Aanrijdingsschade bestelbus. Manier waarop omvang schade ogv polisvoorwaarden moet worden vastgesteld

RBAMS 291220 Aanrijdingsschade bestelbus. Manier waarop omvang schade ogv polisvoorwaarden moet worden vastgesteld.

Feiten
1.
Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.
Heuvelink was eigenaresse van een bestelbus: een Mercedes Benz Vito 109. De bestelbus is door een aanrijding op 30 maart 2019 beschadigd geraakt.

1.2.
De bestelbus was door Heuvelink, via haar verzekeringstussenpersoon E.N.E., (hierna: E.N.E.) verzekerd bij Reaal.
- Artikel 32.3 van de toepasselijke polisvoorwaarden bepaalt dat bij schade door Reaal een deskundige kan worden benoemd die in overleg met de reparateur voor rekening van Reaal de schade vaststelt. Bij gebreke van overeenstemming omtrent de grootte van de schade heeft de verzekerde het recht tegenover de door Reaal aangewezen deskundige op eigen kosten een deskundige aan te wijzen. Bij verschil van mening tussen beide deskundigen zullen zij een derde deskundige benoemen, wiens schadevaststelling binnen de grenzen van beide taxaties moet blijven en die bindend zal zijn. De kosten voor de derde deskundige worden door elk van de partijen voor de helft gedragen. Indien een verzekerde door de derde deskundige geheel in het gelijk wordt gesteld, zijn de kosten van alle deskundigen voor rekening van Reaal.
- Op grond van artikel 26.1.1. behoren de kosten van berging en vervoer van de bestelbus, na het ongeval, naar een door Heuvelink aan te wijzen reparateur, tot de omvang van de dekking.
- Op grond van artikel 29.1 komen de kosten hiervan alleen voor rekening van Reaal indien daarvoor contact is opgenomen met en opdracht is gegeven door “de Hulporganisatie”. Indien de verzekerde aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was “de Hulporganisatie” te waarschuwen, worden de gemaakte kosten vergoed alsof de dienstverlening via “de Hulporganisatie” had plaatsgevonden.

1.3.
Reaal heeft schade-expertisebureau C.E.D. Nederland B.V. (hierna: C.E.D.) aangewezen om de schade aan de bestelbus vast te stellen. In haar rapport van 29 april 2019 heeft C.E.D. de dagwaarde van de bestelbus vastgesteld op€ 7.250,--. Met aftrek van de restantenopbrengst (€ 2.082,64) bedroeg de schade€ 5.167,36. Omdat de restwaarde lager was dan de herstelkosten heeft C.E.D. gerapporteerd dat de schade moest worden afgewikkeld op basis van “totaal verlies”. Begin mei 2019 heeft Reaal, na aftrek van € 250,-- aan eigen risico, een schadebedrag van € 4.917,36 aan Heuvelink uitgekeerd.

1.4.
Heuvelink kon zich niet vinden in het rapport van C.E.D. en de wijze van afwikkeling van de schade, met name niet omdat volgens Heuvelink bij het bepalen van de dagwaarde van de bestelbus de meeverzekerde reclame-belettering op de bestelbus niet, althans niet op juiste wijze in aanmerking was genomen.

1.5.
Heuvelink heeft op 18 oktober 2019 opdracht gegeven tot het uitbrengen van een rapport door schade-expert Johan Snippe-Kiers (hierna: Snippe-Kiers) omdat zij “zich niet schadeloos gesteld [achtte] door verzekeraar” en omdat zij ook “niet tevreden [is] over de begeleiding bij het expertiseproces”, aldus het rapport van Snippe-Kiers. Het rapport van Snippe-Kiers houdt in dat de schade niet afgewikkeld had moeten worden op basis van “totaal verlies”, maar op basis van herstelkosten, door Snippe-Kiers begroot op € 5.950,--. Het waarderingsverschil van de schade door C.E.D. en Snippe-Kiers bedraagt€ 1.249,76. Het rapport van Snippe-Kiers is op 12 december 2019 door Reaal van E.N.E. ontvangen.

1.6.
Verder debat tussen Reaal en E.N.E. (namens Heuvelink) heeft niet tot overeenstemming geleid.

Vordering en verweer

2.
Heuvelink vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Reaal te veroordelen tot betaling van € 3.443,89, te vermeerderen met wettelijke rente, en met veroordeling van Reaal in de kosten.

3.
De vordering van Heuvelink is als volgt samengesteld:
€ 1.249,76 schade aan de bestelbus, ten onrechte niet uitgekeerd;
€ 106,-- nodeloos betaalde motorrijtuigenbelasting;
€ 223,13 geleden verlies op de restant opbrengst van de bestelbus;
€ 565,-- bergingskosten;
€ 350,-- nodeloos gemaakte stallingskosten;
€ 950,-- kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

4.
Heuvelink stelt, samengevat, dat Reaal € 1.249,76 te weinig heeft betaald ter vergoeding van de schade aan de bestelbus. De wijze waarop Reaal het schadeafwikkelingstraject heeft laten verlopen, heeft ertoe geleid dat Heuvelink additionele schade heeft geleden (motorrijtuigenbelasting, minderopbrengst van de beschadigde bestelbus en stallingskosten). Verder heeft Reaal ook niet de bergingskosten vergoed, hoewel zij daartoe op grond van de verzekeringsovereenkomst verplicht is. Ten slotte is Reaal volgens Heuvelink aansprakelijk voor de kosten die zij heeft gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

5. Reaal heeft de vordering betwist. Op hetgeen zij naar voren heeft gebracht, zal hierna worden ingegaan voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

Beoordeling

Schade aan de bestelbus, volgens Heuvelink ten onrechte niet uitgekeerd: € 1.249,76

6.
Tussen partijen is overeengekomen, hetgeen in de polisvoorwaarden is vastgelegd, op welke manier de schadevergoeding wordt vastgesteld. Die manier van vaststelling van de schade houdt in, kort gezegd, dat Reaal een deskundige benoemt en dat indien Heuvelink zich niet met de bevindingen en conclusies van die deskundige kan verenigen, zij vervolgens ook een deskundige aanwijst. Bij verschil van mening tussen beide deskundigen wijzen zij daarna zo nodig een derde deskundige aan die bindend beslist. Reaal heeft een deskundige aangewezen: C.E.D. Heuvelink kon zich niet vinden in de schadevaststelling door C.E.D. Discussie daarover met Reaal bood geen soelaas. Heuvelink heeft vervolgens Snippe-Kiers verzocht om een rapport uit te brengen. Ook daarna is vruchteloos tussen partijen verder gedebatteerd over de schadeomvang. Heuvelink heeft vervolgens onderhavige rechtsvordering aanhangig gemaakt om onder meer vergoeding van de door haar gestelde schade aan de bestelbus te verkrijgen. Daarmee is Heuvelink, gelet op het voorgaande, afgeweken van hetgeen partijen ten aanzien van de manier van vaststelling van de schade aan de bestelbus zijn overeengekomen: hetzij omdat Heuvelink eerst een eigen deskundige had moeten aanwijzen om een contra-expertiserapport te laten uitbrengen (het rapport van Snippe-Kiers is volgens Heuvelink niet als zodanig aan te merken), hetzij omdat (voor zover het rapport van Snippe-Kiers wél een contra-expertiserapport is zoals bedoeld in artikel 32.3 van de polisvoorwaarden) daarna niet door C.E.D. en Snippe-Kiers een derde deskundige is aangewezen die bindend zou beslissen.

7.
Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat gerechtvaardigd is dat Heuvelink door het instellen van onderhavige rechtsvordering afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de manier van vaststelling van de schade aan de bestelbus zijn niet gesteld of gebleken.

8.
Na het verschijnen van het rapport van Snippe-Kiers was Heuvelink van mening dat Reaal, gelet op de manier waarop zij en/of C.E.D. te werk waren gegaan, ook nog additionele schadevergoeding (waarover hierna) diende te betalen. Dat laatste maakt echter niet dat het Heuvelink vrij stond om het geschil over de omvang van de schade aan de bestelbus, in afwijking van de overeengekomen bindend advies regeling, in rechte voor te leggen.

9.
Gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de manier waarop vaststelling van de schade aan de bestelbus dient plaats te vinden, dient Heuvelink niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering tot veroordeling van Reaal om € 1.249,76 te betalen.

Nodeloos betaalde motorrijtuigenbelasting, geleden verlies op de restant opbrengst van de bestelbus, nodeloos gemaakte stallingskosten

10.
Het betreft kosten waarvan Heuvelink stelt, naar de kantonrechter begrijpt, dat die ten onrechte voor haar rekening zijn gekomen. De beschadigde bestelbus is namelijk pas in juli 2019 verkocht omdat Reaal volgens Heuvelink ten onrechte bleef vasthouden aan het onjuiste expertiserapport van C.E.D. en/of omdat Heuvelink niet adequaat door Reaal is geïnformeerd of zij wel/niet gebruik zou maken van de mogelijkheid om de beschadigde bestelbus aan haar te laten overdragen en te verkopen aan een derde, aldus Heuvelink.

10.
In het rapport van C.E.D. wordt de schade aan de bestelbus, althans in de visie van Heuvelink, op onjuiste wijze berekend. Anders dan Heuvelink doet, kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat additionele kosten zijn ontstaan omdat Reaal ten onrechte bleef volharden in haar standpunt dat de schade afgewikkeld moest worden op basis van het expertiserapport van C.E.D. Om vastgesteld te krijgen dat het rapport van C.E.D. onjuist is, had Heuvelink hetzij een eigen deskundige moeten aanwijzen of na het verkrijgen van het rapport van Snippe-Kiers het ertoe moeten leiden dat een derde deskundige werd aangewezen. Dat heeft zij – zoals hiervoor is overwogen – ten onrechte nagelaten. De stelling van Heuvelink dat zij additionele schade heeft geleden omdat de beschadigde bestelbus pas in juli 2019 is verkocht doordat Reaal in de tussentijd ten onrechte vasthield aan het onjuiste expertiserapport van C.E.D. kan dus niet voor gegrond worden gehouden en kan dan ook niet leiden tot veroordeling van Reaal om die additionele schade te vergoeden.

10.
De stelling dat Reaal haar niet adequaat heeft geïnformeerd over de verkoop van de beschadigde bestelbus en dat zulks additionele schade tot gevolg heeft gehad, kan Heuvelink evenmin baten. Vooropgesteld wordt dat Heuvelink in het schadeafwikkelingstraject werd bijgestaan door E.N.E. die geacht moet worden op dat gebied deskundig te zijn. E.N.E. heeft voor het eerst op 21 juni 2019 aan Reaal de vraag voorgelegd of de beschadigde bestelbus niet verkocht kon worden “omdat niet nodig [is] het schadevoertuig nog langer (betaald) bij de garage te laten staan” (productie 5 antwoord). Reaal heeft op 28 juni 2019 geantwoord dat contact kon worden opgenomen “met CED om het restant te verkopen” (productie 6 antwoord). Op een e-mail van 1 juli 2019 van Heuvelink heeft C.E.D. op dezelfde dag geantwoord dat Heuvelink de opkoper zelf kon benaderen (productie 10 dagvaarding). De beschadigde bestelbus is vervolgens in juli 2019 door een kennelijk aan Heuvelink gelieerde vennootschap aan een opkoper verkocht (productie 23 repliek). Niet duidelijk is welk verwijt, tot schadevergoeding verplichtend, in deze constellatie aan Reaal valt te maken over het feit dat verkoop van de beschadigde bestelbus niet eerder plaatsvond.

Bergingskosten, € 565,--

13.
Heuvelink heeft de beschadigde bestelbus na de aanrijding laten bergen door Semtex Autobedrijf. De kosten daarvan waren € 565,-- (productie 11 antwoord). Heuvelink stelt dat Reaal ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van dat bedrag.

13.
De bergingskosten vallen op grond van artikel 26.1.1. van de polisvoorwaarden onder de omvang van de dekking. Het betreft kosten van dienstverlening als bedoeld in artikel 29.1. Op grond van die bepaling geldt bij hulpverlening aan de verzekerde, zoals bij berging van een beschadigde auto, dat de kosten daarvan alleen voor rekening van Reaal komen indien inschakeling van het bergingsbedrijf via Reaal is gelopen. Uit hetgeen Heuvelink naar voren heeft gebracht blijkt niet dat zij daartoe redelijkerwijs niet in staat was. Dat leidt ertoe dat de door Heuvelink gevorderde bergingskosten op grond van de polisvoorwaarden niet toewijsbaar zijn.

Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, € 950,--

13.
Het betreft de kosten voor het vervaardigen van het rapport van Snippe-Kiers. Uit de e-mails tussen E.N.E. en Reaal, overgelegd als productie 6 tot en met 10 bij antwoord, blijkt dat zij gecorrespondeerd hebben over het uitbrengen van een “contra-expertise”. In productie 12 bij antwoord vraagt Reaal of Heuvelink inmiddels over een “contra rapport” beschikt. In de e-mail die als productie 13 bij antwoord is overgelegd van E.N.E. aan Reaal wordt geschreven: “als bijlage stuur ik het contra-expertiserapport van Mobiel Expertise & Advies”. Dat betrof het rapport van de hand van Snippe-Kiers. Het rapport van Snippe-Kiers vermeldt dat het een “contra-expertise” betreft. Op grond hiervan is evident dat Heuvelink door inschakeling van Snippe-Kiers gebruik beoogde te maken van haar recht om, nu zij zich niet kon vinden in de schadevaststelling door C.E.D., tegenover de door Reaal aangewezen deskundige, zelf een deskundige aan te wijzen. Dat gebeurt blijkens de tekst van artikel 32.3 van de polisvoorwaarden op “eigen kosten”, dat wil zeggen: voor rekening van Heuvelink zelf. Dit onderdeel van de vordering van Heuvelink is daarom niet toewijsbaar.

Ten slotte

16.
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de volgende beslissing.

16.
Heuvelink zal als in het ongelijk in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten worden belast. ECLI:NL:RBAMS:2020:7006

 

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies