Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 130323 wn-er valt van (bordes)trap; wg-er heeft voldaan aan zorgplicht

RBROT 130323 wn-er valt van (bordes)trap; wg-er heeft voldaan aan zorgplicht
- kostenbegroting niet passend vanwege (proces)houding gemachtigde, ook al m.b.t. regeling zonder erkenning aansprakelijkheid

(zie voor het vervolg: https://letselschademagazine.nl/beoordeling-in-beroep-en-bodemgeschil/rbrot-250823-hoger-beroep-toegestaan-na-deelgeschil-waarin-wg-er-niet-aansprakelijk-werd-geacht-voor-val-wn-er-van-bordestrap)

2.
De beoordeling

samenvatting en conclusie

2.1.
[verzoeker01] wil dat wordt vastgesteld dat Cloetta als werkgever (het bedrijf maakt en verkoopt snoep) en Chubb als verzekeraar van Cloetta aansprakelijk zijn voor schade die [verzoeker01] heeft geleden en nog zal lijden. Dit is volgens [verzoeker01] gekomen door een arbeidsongeval op 1 december 2019 waarbij hij zijn pols heeft bezeerd. [verzoeker01] wil ook dat de kosten voor dit deelgeschil worden begroot op € 6.862,-. Cloetta en Chubb zijn het hier niet mee eens. Zij betwisten enige aansprakelijkheid. Het staat volgens Cloetta en Chubb niet vast dat [verzoeker01] zijn pols op de werkvloer heeft bezeerd. Als dat wel zo is, dan is het niet duidelijk hoe dat is gebeurd. Als [verzoeker01] de tweede trede van de bordestrap heeft gemist, dan vinden Cloetta en Chubb dat Cloetta aan haar zorgplicht heeft voldaan. Als er bewijslevering nodig blijkt te zijn over de toedracht, dan vinden zij dat het verzoek niet kan worden behandeld in deze procedure. In alle gevallen vinden Cloetta en Chubb dat de kosten van het deelgeschil niet moeten worden begroot of in ieder geval veel lager moeten zijn. Cloetta en Chubb krijgen gelijk. Uitgegaan wordt van de eerste drie lezingen van het ongeval. In ieder geval voor die scenario’s heeft Cloetta voldaan aan haar zorgplicht. Daarom is zij niet aansprakelijk voor de schade van [verzoeker01] . Er wordt geen bewijsopdracht gegeven voor het vierde scenario. Er worden geen kosten begroot. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.

toegelaten tot deelgeschilprocedure

2.2.
Het verzoek van [verzoeker01] kan worden behandeld als deelgeschil (artikel 1019w Rv). [verzoeker01] stelt dat hij schade door letsel heeft. Partijen hebben voor deze procedure contact met elkaar gehad, maar van onderhandelen is het niet gekomen – onder andere – omdat Cloetta en Chubb aansprakelijkheid afwijzen. Dat betekent dat een oordeel van de rechter over de vraag of Cloetta en Chubb aansprakelijk zijn voor schade die [verzoeker01] heeft geleden door het door hem gestelde arbeidsongeval op de werkvloer onderhandelingen tussen partijen op gang zou kunnen brengen en dus (theoretisch) zou kunnen leiden tot de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

arbeidsongeval staat vast

2.3.
[verzoeker01] stelt dat hij op 1 december 2019 tijdens zijn werk bij Cloetta een arbeidsongeval heeft gehad waarbij hij zijn pols heeft bezeerd. Cloetta en Chubb betwisten dat. Volgens hen staat dat niet vast, omdat het nergens uit blijkt. Het klopt dat er van het ongeval geen getuigen zijn en dat er op de plek van het ongeval niets was te zien. Dat heeft [verzoeker01] toegelicht. Er werken niet veel mensen (een stuk of 6) in de (hele grote) bedrijfshal en iedereen heeft oordoppen in tijdens het werk. De val heeft geen schade aan de trap of de vloer veroorzaakt. Er was ook geen bloed. Daarom waren er geen zichtbare aanwijzingen dat er een ongeval had plaatsgevonden. Maar, het staat wel vast dat [verzoeker01] op 1 december 2019 tijdens zijn werk aan zijn leidinggevende heeft gemeld dat hij zijn pols heeft bezeerd door – kort gezegd – een val van de bordestrap. Ook blijkt uit het medisch dossier van [verzoeker01] dat hij diezelfde avond naar de huisarts is geweest en is doorverwezen naar de Spoedeisende Hulp. In het verslag van de artsen staat dat [verzoeker01] polsklachten ervaart. Er is geen breuk geconstateerd. [verzoeker01] heeft wel onderarmgips en een mitella aangemeten gekregen en pijnmedicatie voorgeschreven gekregen. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat [verzoeker01] op 1 april 2019 een arbeidsongeval is overkomen. Dat is door Cloetta en Chubb met het volgende onvoldoende gemotiveerd betwist.

2.4.
Cloetta en Chubb wijzen op het grote verschil in de verklaringen van [verzoeker01] over de gebeurtenis op 1 december 2019:
- Na het nemen van een monster uit een gietbak bij het afdalen van de bordestrap de tweede trede gemist (aan leidinggevende verklaard op 1 december 2019);
- Na het plaatsen van een gietbak bovenop de stapel waarbij hij moest manoeuvreren van het bordes (bovenste plateau van de bordestrap) gevallen toen hij zich omdraaide (in ongevallenrapportage twee weken na het ongeval);
- Van een ladder gevallen nadat deze begon te wankelen (in aansprakelijkheidsstelling door toenmalige gemachtigde van 27 april 2021);
- Na het plaatsen van bakken op de pallet met trap en al gevallen nadat die begon te wankelen, waarna hij de trap weer heeft recht gezet (verklaring van [verzoeker01] op 1 september 2021 aan expert die in opdracht van Chubb onderzoek heeft gedaan).

2.5.
[verzoeker01] betwist niet dat hij al deze verklaringen heeft gegeven. Dat mogelijk verklaringen niet aan hem ter goedkeuring zijn voorgelegd maakt niet dat de verklaringen niet kloppen. Vraagtekens zetten bij de juistheid van verklaringen zonder toelichting geldt niet als (gemotiveerde) betwisting van die verklaringen.

2.6.
De grote verschillen tussen de eerste verklaringen en (vooral) de laatste verklaring zorgen niet voor voldoende twijfel over het plaatsvinden van het ongeval. De eerste drie verklaringen passen voldoende bij elkaar en de stelling dat [verzoeker01] ‘van de bordestrap is gevallen’. Dat geldt in ieder geval niet voor de laatste verklaring, maar die is pas twee jaar na het ongeval (in)gegeven door (de gemachtigde van) [verzoeker01] . Gelet op dat tijdsverloop levert die latere afwijkende verklaring geen twijfel op over het plaatsvinden van het ongeval op zich in 2019. Over wat er precies is gebeurd op 1 december van dat jaar gaat het hierna nog uitgebreid.

2.7.
Cloetta en Chubb hebben ook twijfels over het plaatsvinden van het ongeval omdat in de medische stukken melding wordt gemaakt van: ‘de derde keer dat hij op deze pols viel de afgelopen weken’ (verslag SEH arts op 1 december 2019) en ‘herhaalde val op pols’ (voor 1 december 2019, in verslag specialist chirurgie op 12 februari 2020). [verzoeker01] heeft hiervoor weliswaar geen duidelijke verklaring gegeven, maar ten aanzien van het wel of niet plaatsvinden van een ongeval op 1 december 2019 zaait deze informatie geen twijfel.

Cloetta heeft voldaan aan haar zorgplicht

juridisch kader werkgeversaansprakelijkheid

2.8.
Het staat vast dat [verzoeker01] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden; in ieder geval zorgkosten (eigen risico). De hoogte van de schade staat nog niet vast, maar dat is in deze procedure ook nog niet aan de orde. Cloetta is als werkgever aansprakelijk voor de schade van [verzoeker01] , behalve als Cloetta aantoont dat de werkomgeving van [verzoeker01] veilig was of dat de schade de eigen schuld was van [verzoeker01] (artikel 7:658 lid 2 BW). Cloetta stelt zich niet op het standpunt dat er sprake is van eigen schuld van [verzoeker01] . Cloetta noemt wel een keer dat [verzoeker01] gewaarschuwd is om niet onvoorzichtig te werken, maar uit de stukken en wat er op de zitting is besproken blijkt niet dat zij zich daarom beroept op eigen schuld van [verzoeker01] .

Cloetta moet daarom aantonen dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [verzoeker01] in de uitoefening van zijn functie schade lijdt (artikel 7:658 lid 1 BW).

2.9.
Cloetta wijst op het ‘probleem’ dat er vier verschillende lezingen zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis. [verzoeker01] stelt zich op het standpunt dat die onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval tot aansprakelijkheid van Cloetta lijdt. Dat is niet zo. Het betekent volgens de hoofdregel ‘alleen’ dat Cloetta ten aanzien van alle scenario’s moet aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Van de werknemer wordt immers in beginsel niet verlangd aan te tonen wat de toedracht is van het ongeval of wat de oorzaak ervan is (HR 4 mei 2001, ECLI:HR:2001:AB1430). Dat betekent dat als Cloetta niet voor alle vier de scenario’s ‘wil’ aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, zij in beginsel eerst zelf moet bewijzen wat de exacte toedracht is van het ongeval. (HR 29 juni 2001, ECLI:HR:2001:AB2432). Dat ligt hier echter anders.

bewijslast toedracht niet bij Cloetta

2.10.
De lezingen die in 2019 door [verzoeker01] zijn gegeven zijn duidelijk en volledig. Het ongevallenrapport is twee weken na het ongeval opgemaakt. Het doel daarvan is onder andere om zo kort mogelijk na het ongeval de toedracht ervan vast te leggen. De verklaringen van 1 december en die in het ongevallenrapport zijn niet precies hetzelfde, maar een werknemer die tijdens werktijd valt en schade lijdt wordt beschermd door de hiervoor genoemde bewijsregels in de wet. De werknemer hoeft niet precies uit te leggen wat er is gebeurd. Dat er tussen de eerste drie verklaringen verschillen zitten, maakt de bewijslastverdeling daarom niet anders. Het grote verschil met de laatste verklaring zorgt daar gelet op alle omstandigheden in deze zaak wel voor. Die laatste verklaring gaat over een heel ander soort ongeval. Daarbij gaat het dan niet over hoe iets precies is gebeurd, maar wat er is gebeurd. De laatste verklaring gaat niet meer over ‘van de (bordes)trap vallen’, maar over het ‘met trap en al vallen.’ Het is onwaarschijnlijk dat als dat laatste daadwerkelijk is gebeurd, [verzoeker01] dat op de dag zelf en in de weken erna niet heeft benoemd, terwijl er wel naar is gevraagd. Gelet op de gedetailleerde – andersluidende – uitleg die [verzoeker01] op de dag zelf en in de weken erna heeft gegeven, kan het niet zo zijn dat hij dit eigenlijk wel bedoelde. Het letsel van [verzoeker01] (beperkt letsel aan de pols) verhoudt zich – zonder nadere toelichting – ook niet goed tot de ernst van het met trap en al omvallen. Bij deze lezing is verder van belang dat [verzoeker01] stelt dat hij de trap, zonder dat iemand dat heeft opgemerkt, zelf weer recht heeft gezet. De trap (zie plaatjes) weegt 31,8 kilo en het bordes zit op 96 centimeter hoog. Daarboven zitten aan drie kanten van het bordes nog leuningen die ook ongeveer een meter hoog zijn. [verzoeker01] is een grote man en ongetwijfeld ook sterk, maar gelet op de specificaties van de trap is het niet eenvoudig om die alleen rechtop te zetten, nota bene met polsletsel.

bordestrap1

bordestrap2

Gelet op deze bijzondere omstandigheden, wordt geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat toepassing van de bijzondere bewijslastverdeling van artikel 7:658 lid 2 BW niet geldt voor de vierde ‘verklaring’.

geen bewijsopdracht [verzoeker01]

2.11.
Het voorgaande betekent dat [verzoeker01] zou moeten bewijzen dat hij met trap en al is gevallen. Een bewijsopdracht daartoe wordt echter niet gegeven, omdat dit scenario gelet op alle hiervoor- en na besproken omstandigheden zo onaannemelijk is dat wordt vastgesteld dat het zo niet is gegaan. De trap geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke val überhaupt mogelijk is, zonder bijkomende omstandigheden. Bijkomende omstandigheden zijn niet gesteld en daar zijn ook geen aanwijzingen voor. Ook als dit wel zo was, geldt dat de ratio van de deelgeschillenprocedure is om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen. Daarom is er weinig ruimte voor bewijslevering, gelet op de investering in tijd, geld en moeite die dat meebrengt. In dit geval is niet aannemelijk dat bewijslevering wel snel, eenvoudig en goedkoop zou zijn, zodat aan bewijslevering ook om die reden niet zou zijn toegekomen.

juridisch kader zorgplicht

2.12.
Het voorgaande betekent dat Cloetta voor de eerste drie scenario’s moet aantonen dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. De zorgplicht van Cloetta schept geen absolute waarborg voor bescherming van werknemers tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Welke veiligheidsmaatregelen de werkgever moet treffen en op welke manier hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op dat kader wordt geoordeeld dat Cloetta heeft voldaan aan haar zorgplicht. Hierna wordt toegelicht welke omstandigheden daarvoor in aanmerking zijn genomen.

voldoende algemene maatregelen

2.13.
Uit de RI&E en de stellingen van Cloetta blijkt dat Cloetta uitzendmedewerkers (zoals [verzoeker01] ) een instructie, inwerkprogramma en een kantinepresentatie over safety topics geeft (veiligheidsfilm). Dat [verzoeker01] niet meer weet of hij dit ook heeft gekregen, is een onvoldoende gemotiveerde betwisting. [verzoeker01] stelt dat hij op 1 december 2019 voor het eerst een nieuwe functie op de gietafdeling uitoefende. Cloetta betwist dat, maar gelet op het volgende is dat niet van belang. Het staat vast dat [verzoeker01] al vanaf oktober 2018 op die afdeling werkzaam was en hij verklaart zelf dat hij op 1 december 2019 de hele dag door een ervaren medewerker werd begeleid. Het is niet duidelijk wat Cloetta nog meer had moeten doen als het (wel) zijn eerste werkdag in een nieuwe functie was. Dat de begeleider tijdens het ongeval een pauze had, kan Cloetta niet worden verweten. In het algemeen is constant toezicht (op naleving van instructies) namelijk niet nodig (HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260). Dat geldt in dit geval helemaal, omdat het geen ingewikkeld (het was ongeschoold werk) of gevaarlijk werk betreft en [verzoeker01] al meer dan een jaar op de afdeling werkte.

Er wordt wel toezicht gehouden door de teamleiders en het MT door middel van ‘Gembawalks’, ‘Safety Conversations’ en ‘Quality Conversations’, maar dat kan niet op ieder moment op iedere plek en dat hoeft ook niet. Het dragen van veiligheidsschoenen en het gebruiken van overige beschermingsmiddelen is verplicht. Door [verzoeker01] wordt ook niet betwist dat hij op 1 december 2019 veiligheidsschoenen aan had. Als er onverhoopt wel ongevallen op de werkvloer gebeuren, dan zijn er acties vastgelegd om herhaling te voorkomen in het document ‘Escalatie Health, Safety of Environmental incident.’ Dat dit ook daadwerkelijk wordt toegepast blijkt uit het ongevallenrapport dat is opgemaakt naar aanleiding van het ongeval van [verzoeker01] .

Hiermee heeft Cloetta voldoende aangetoond dat zij in algemene zin voldoende maatregelen heeft getroffen om het gevaar van vallen op de werkvloer tegen te gaan.

tweede trede gemist

2.14.
De eerste lezing is dat [verzoeker01] de tweede trede heeft gemist na het nemen van een monster uit de gietbak (die staat op enige hoogte). Daarbij wordt er vanuit gegaan dat hij dus bezig was om de trap af te lopen. Traplopen kwalificeert in beginsel als een alledaagse activiteit. Daarvoor geldt als uitgangspunt dat er geen maatregelen (anders dan algemene maatregelen) hoeven te worden getroffen (Hof A’dam 1 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2389). Ook voor niet gewaarschuwde mensen is het duidelijk dat je van een trap kan vallen (HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423). Daarom hoefde Cloetta voor het traplopen in beginsel geen nadere instructies te geven of specifiek voorzieningen te treffen. De trap stond niet op een locatie waardoor er sprake was van een meer dan alledaags risico. De trap heeft ook geen eigenschappen die daarvoor zorgen. De trap heeft geen smalle treden, de treden waren niet glad en er was aan beide kanten een leuning. Zonder nadere toelichting valt ook niet in te zien dat het starten met traplopen vanaf een plateau aanzienlijk anders is dan starten vanaf bijvoorbeeld de gang van een verdieping in een woonhuis. De trappen worden jaarlijks gekeurd en de betreffende trap had in oktober 2019 een nieuw certificaat ter goedkeuring gekregen.

van bordes gevallen

2.15.
De tweede lezing is dat [verzoeker01] na het plaatsen van een gietbak bovenop de stapel – waarbij hij moest manoeuvreren – van het bordes (bovenste plateau van de bordestrap) is gevallen toen hij zich omdraaide. Al het bovenstaande geldt hier ook, in het bijzonder dat de trap recent was goedgekeurd. Aan drie kanten heeft het bordes opstaande randen (zodat je er niet ‘af kan schuiven’) en leuningen van ongeveer een meter hoog met een tussenleuning halverwege (op zo’n 50 centimeter hoogte van het bordes). De trap moet telkens op- en af worden geklommen, zodat het plaatsen van een vierde leuning niet kan worden verlangd. De betreffende werkzaamheden werden voorheen uitgevoerd met een gewone trap, zonder plateau. Na een onderzoek waarbij alternatieve mogelijkheden zijn onderzocht is het werken met een bordestrap als beste optie uit de bus gekomen. Een vast bordes is niet mogelijk, want de trap moet één à twee keer per dag worden verplaatst. Een andere inrichting van de werkzaamheden waardoor een vast bordes wel haalbaar zou zijn, is ook niet mogelijk. De machines hebben standaard hoogtematen, waardoor de invoer ook op die hoogte moet gebeuren. Lager werken kan daarom niet.

Er is geen sprake van valgevaar zoals bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 3.16). Het bordes zit op een hoogte van slechts 96 centimeter. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de kans op vallen groot maken. Daarom is er geen extra valbeveiliging vereist. Het is niet aannemelijk dat een grotere oppervlakte van het bordes het ongeval had kunnen voorkomen. Immers, ook als het bordes groter was geweest, kan je er vanaf vallen. En er is niet gesteld of gebleken dat het bordes op zich te klein was om op te staan of om de werkzaamheden vanaf te kunnen verrichten. Dat verhoudt zich ook niet tot het feit dat de werkzaamheden voorheen werden verricht vanaf de bovenste trede van een trap.

van een ladder gevallen

2.16.
[verzoeker01] noemt het ‘van een ladder gevallen’, maar partijen zijn het erover eens dat het hier gaat om de bordestrap waarvan Cloetta en Chubb een afbeelding in het geding hebben gebracht (zie plaatjes). Onder verwijzing naar wat er in de vorige twee alinea’s is overwogen, geldt hier (ook) dat er geen bijzondere maatregelen vereist waren en dat de trap was goedgekeurd. Voor zover [verzoeker01] bedoelt te stellen dat de trap wankel was door wieltjes heeft, blijkt uit de hiervoor bedoelde afbeeldingen dat de trap geen wieltjes heeft.

geen andere concrete verwijten

2.17.
Met al het voorgaande heeft Cloetta naar het oordeel van de kantonrechter aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. [verzoeker01] heeft niet concreet gesteld in welke andere zin Cloetta niet aan haar zorgplicht zou hebben voldaan.

geen begroting kosten

2.18.
De hoofdregel in een deelgeschil is dat de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de kant van de persoon die schade door letsel lijdt begroot (artikel 1019aa Rv) en daarbij de redelijke kosten in aanmerking neemt als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. De omstandigheid dat [verzoeker01] een toevoeging heeft maakt dat niet anders. Het is wel anders als de deelgeschilprocedure onnodig of onterecht is ingesteld. Van die uitzondering is naar het oordeel van de kantonrechter sprake.

2.19.
De doelstelling van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De starre houding van de gemachtigde van [verzoeker01] in die fase past daar niet bij. Daarom is een vergoeding van kosten volgens het kostenregime van het deelgeschil ook niet passend. De gemachtigde van [verzoeker01] maakt Cloetta en Chubb veel verwijten, maar de juistheid daarvan wordt betwist en blijkt niet (zoals [verzoeker01] aanvoert) uit de stukken. Het is juist de gemachtigde van [verzoeker01] die een (proces)houding aanneemt die niet past bij het regime van het deelgeschil. Het belang van onderling overleg zou voorop moeten staan en daar hoort ook een zekere mate van welwillendheid en openheid bij. Die heeft de gemachtigde van [verzoeker01] niet getoond. Door de zeer afwijkende verklaring over de toedracht in september 2021 en het uitblijven van enige toelichting daarover van de kant van [verzoeker01] was in de buitengerechtelijke fase een zinvolle discussie over de toedracht vrijwel onmogelijk. Dat Cloetta en Chubb hebben aangestuurd op of aangespoord tot het voeren van een deelgeschil blijkt ook niet uit de stukken. Alleen dat [verzoeker01] aankondigt dat een procedure zal worden opgestart als Cloetta en Chubb geen aansprakelijkheid erkennen. Cloetta en Chubb hebben de aansprakelijkheid niet erkend, maar dat is natuurlijk ook niet verplicht. Zij hebben in de buitengerechtelijke fase aangegeven dat er desondanks te praten viel over een regeling. Van die mogelijkheid heeft [verzoeker01] toen geen gebruik gemaakt. Wellicht is daar gelet op het belang van het slachtoffer na deze uitspraak alsnog gelegenheid voor? ECLI:NL:RBROT:2023:2137