GHAMS 131026 Verjaring vordering tot schadevergoeding voor arbeid die van 1951 t/m 1979 in kloosters is verricht
- Meer over dit onderwerp:
GHAMS 131026 Verjaring vordering tot schadevergoeding voor arbeid die van 1951 t/m 1979 in kloosters is verricht
in vervolg op
RBNHO 290323 dwangarbeid Zusters van de Goede Herder; verjaring kan niet door groep worden doorbroken
- belangen vrouwen niet gelijksoortig genoeg; collectieve actie niet geschikt voor beoordeling van geval tot geval
6Beoordeling
Een woord vooraf
6.1.
Appellantes verbleven in hun jeugd enige tijd in kloosters van De Goede Herder. Het gaat om de periode van 1951 tot in 1979. Tijdens het verblijf in de kloosters moesten appellantes arbeid voor De Goede Herder verrichten. Appellantes hebben bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep indringend verklaard over de werk- en leefomstandigheden in de kloosters. Zij hebben ook verwoord hoe het verblijf hun verdere leven heeft getekend.
6.2.
Naar de arbeid en de omstandigheden waaronder die is verricht, is onderzoek gedaan door de hoogleraren [naam 7] en [naam 8] . Deze onderzoekers zijn in hun rapport tot de conclusie gekomen dat de arbeid die moest worden verricht, valt onder de internationaal aanvaarde definitie van dwangarbeid. De onderzoekers hebben daarbij vermeld dat zij hebben gekeken naar normen die ook destijds golden. Klooster Euphrasia weerspreekt echter dat De Goede Herder anders handelde dan was toegestaan volgens normen die destijds breed in de samenleving werden gedeeld.
6.3.
Wat de uitkomst van deze procedure ook is, aan het leed van appellantes doet de uitkomst niets af. Het hof ziet wat het verblijf in de kloosters bij appellantes teweeg heeft gebracht. Erkenning daarvan kan worden gevonden in de rapporten die over het verblijf in de kloosters zijn uitgebracht. Ook Klooster Euphrasia heeft herhaaldelijk spijt betuigd en met een groot aantal van de toenmalige bewoonsters een verzoeningstraject gevolgd.
Wat de uitkomst in deze zaak bepaalt
6.4.
De uitkomst in deze procedure wordt bepaald door de juridische vragen die het hof moet beantwoorden. Deze juridische vragen vloeien voort uit het feit dat appellantes in deze procedure vorderingen hebben ingesteld om schadevergoeding te verkrijgen, met name wegens de arbeid die zij tijdens hun verblijf in de kloosters hebben moeten verrichten en die zij als dwangarbeid kwalificeren. Tot deze juridische vragen behoort ook de vraag of de rechtsvorderingen van appellantes zijn verjaard en of de verjaring kan worden doorbroken.
De rechtsvorderingen van appellantes zijn verjaard
6.5.
De rechtsvorderingen zijn volgens de wet verjaard. Klooster Euphrasia heeft hierop een beroep gedaan en appellantes ontkennen dit op zichzelf niet.
6.6.
De verjaring volgt uit art. 3:306 en art. 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Art. 3:310 lid 1 BW luidt:
‘Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.’
Onder het tot 1992 geldende recht was de lange verjaringstermijn van art. 3:306 BW en art. 3:310 lid 1 BW niet twintig, maar dertig jaar.
6.7.
De lange verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter.
Volgens de Hoge Raad moet hieraan in het belang van de rechtszekerheid strikt de hand worden gehouden, hoe moeilijk dit ook te aanvaarden kan zijn uit het oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van wie schade heeft geleden (HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649). Het belang van de rechtszekerheid verlangt dat het aanvangsmoment van deze lange verjaringstermijn volgens objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.
Dat aanvangsmoment is niet afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de schuldeiser. De termijn gaat dus ook niet pas lopen wanneer een benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering in te stellen. Het aanvangsmoment is het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond, in dit geval het verrichten van de arbeid in de kloosters. De objectieve verjaringstermijn is voor iedere appellante dus in elk geval begonnen direct nadat zij voor het laatst arbeid in de huizen hadden verricht. Voor alle appellantes geldt dat deze objectieve verjaringstermijn is verstreken.
6.8.
Appellantes hebben in hoger beroep uitvoerig beargumenteerd dat bij hen ‘agency’ ontbrak, wat hen belette om in een eerder stadium de rechtsvorderingen in te stellen.
Dit ontbreken van agency is volgens hen voortgekomen uit het destijds heersende beeld van meisjes en vrouwen die behoorden tot de economisch- en sociaalmaatschappelijk achtergestelde laag van de samenleving en de wijze waarop het dwangarbeidsregime bij De Goede Herder hen psychisch heeft ondermijnd. Appellantes voeren aan dat het kloosterregime hen monddood heeft gemaakt. Het negatieve stigma dat zij opgespeld hebben gekregen, heeft hen gedepersonaliseerd en zij hebben dit negatieve stigma geïnternaliseerd, waardoor hun zelfredzaamheid en het vermogen om voor zichzelf op te komen definitief is ondermijnd.
Het hof is zich ervan bewust dat al deze factoren van betekenis zijn voor de vraag of en wanneer appellantes in staat waren rechtsvorderingen tegen De Goede Herder (Klooster Euphrasia) in te stellen. Het zijn echter wel omstandigheden die de appellantes persoonlijk betreffen. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen niet het moment veranderen waarop de lange verjaringstermijn van twintig jaar (of dertig jaar) begon te lopen. Als dit anders was, zou het karakter van deze verjaringstermijn veranderen van objectief naar subjectief.
6.9.
Het verjaren van de rechtsvorderingen brengt in beginsel mee dat het hof de vorderingen van appellantes niet meer inhoudelijk mag behandelen en zal moeten afwijzen. Dit is het uitgangspunt in deze zaak.
6.10.
Van het uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als Klooster Euphrasia geen beroep op de verjaring mag doen. Daarvoor is nodig dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad heeft in verschillende uitspraken uiteengezet wanneer dit het geval kan zijn. In de eerste plaats moet sprake zijn van een uitzonderlijk geval. Een dergelijk uitzonderlijk geval kan zich volgens de Hoge Raad voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken, inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven, terwijl de schade vervolgens daadwerkelijk is ontstaan, en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn al was verstreken. Er is in zo’n situatie feitelijk nooit een gelegenheid geweest om een rechtsvordering in te stellen en dat wringt met het recht op toegang tot de rechter, dat art. 6 EVRM beschermt.
6.11.
Is sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval, dan zal vervolgens met inachtneming van alle concrete omstandigheden moeten worden beoordeeld of het toepassen van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij die beoordeling moet de rechter de zeven gezichtspunten betrekken die de Hoge Raad in zijn uitspraken heeft geformuleerd. De Hoge Raad heeft deze rechtspraak bevestigd in het arrest van 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649 (rov. 3.1.2-3.1.3).
6.12.
Het hof moet dus eerst nagaan of in deze zaak sprake is van een uitzonderlijk geval, zoals de Hoge Raad bedoelt. Het hof is tot de conclusie gekomen dat dit niet zo is. Hierna licht het hof toe waarom het tot deze conclusie is gekomen.
6.13.
Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval, speelt het in art. 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de rechter een belangrijke rol. Een geval is uitzonderlijk in de hier bedoelde betekenis, als het tijdens de objectieve verjaringstermijn feitelijk onmogelijk is geweest om een vordering in te stellen. Dat is zo bij schade die tijdens de verjaringstermijn naar haar aard verborgen is gebleven. De schade waarvan appellantes vergoeding vorderen, was echter niet naar haar aard verborgen. Appellantes wisten dat zij niet of weinig voor het werk in de kloosters betaald kregen en zij hebben uiteengezet hoezeer zij in de jaren na het verblijf in de kloosters te lijden hebben gehad van de gevolgen van de arbeid, althans van dat verblijf. Voor appellantes is het ongetwijfeld een uitzonderlijke situatie waarin zij zich bevonden en zich nog bevinden, maar het hof kan niet concluderen dat er wat betreft de schade ook sprake is van een uitzonderlijk geval zoals de Hoge Raad bedoelt.
6.14.
Appellantes hebben verder aangevoerd dat het onrechtmatige karakter van de arbeid die zij moesten verrichten, lang verborgen is gebleven en zelfs door De Goede Herder verborgen is gehouden. Zij menen dat ook deze omstandigheid kan maken dat sprake is van een uitzonderlijk geval. Appellantes verwijzen in dit opzicht naar de conclusie van 27 oktober 2023 van advocaat-generaal Snijders (ECLI:NL:PHR:2023:958).
6.15.
Het hof volgt appellantes niet in dit standpunt. De kernvraag is of het feitelijk onmogelijk was om een vordering in te stellen tijdens de objectieve verjaringstermijn. Als er in het verleden iets is gedaan of nagelaten wat de benadeelde niet wist en kon weten, maar dat wel onrechtmatig was en schade heeft veroorzaakt, kan onder omstandigheden worden gesproken van een ‘verborgen onrechtmatige daad’. Het gaat dan niet om onbekendheid met de onrechtmatigheid – en nog minder de juridische kwalificatie daarvan – maar om onbekendheid met het handelen of nalaten dat onrechtmatig was en de schade heeft veroorzaakt. Deze onbekendheid is er in deze zaak niet. Het handelen van De Goede Herder dat volgens appellantes de schade heeft veroorzaakt en waar het in deze zaak om gaat, is het laten verrichten van arbeid door appellantes onder de specifieke omstandigheden in de kloosters. Dat handelen was appellantes bekend. Dat de arbeid pas later is gekwalificeerd als dwangarbeid, maakt niet dat het handelen verborgen was.
6.16.
Het hof voegt hieraan het volgende toe. Het gaat erom of het handelen van De Goede Herder bekend was bij appellantes, niet of dit handelen in de samenleving breed bekend was. In dat opzicht speelt geen rol of, zoals appellantes stellen, De Goede Herder voor de samenleving verborgen hield hoe het er in de kloosters aan toeging en dan met name wat betreft de dwang, opgelegd door een ‘centraal gedreven dwangarbeidsregime dat decennialang in alle instellingen van de Goede Herder werd toegepast’ (memorie van grieven nr. 224). Datzelfde geldt voor de stelling van appellantes dat De Goede Herder het benoemen en bespreken van misstanden afhield. Overigens geven appellantes in hun processtukken voorbeelden waaruit blijkt dat het ook buiten de kloostermuren bekend was wat de situatie in de kloosters was. Appellantes hebben deze voorbeelden ook vermeld in paragraaf 4.3 van hun spreekaantekeningen in hoger beroep.
6.17.
De conclusie die het hof op basis van de feiten en de geldende rechtspraak trekt, is dat hier niet een uitzonderlijk geval aanwezig is waarin de objectieve verjaringstermijn buiten toepassing mag worden gelaten. Het hof beseft dat dit voor appellantes moeilijk te aanvaarden is vanwege hun verlangen dat alsnog, na al die jaren, recht zal worden gedaan.
6.18.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van appellantes zijn verjaard en de verjaring niet kan worden doorbroken. Dit brengt mee dat de zeven gezichtspunten die het hof heeft genoemd in 6.11, niet aan de orde kunnen komen. Verjaring brengt mee dat de vorderingen van appellantes niet kunnen worden toegewezen.
Conclusie
6.19.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 2 en 3 van appellantes niet kunnen leiden tot een andere beslissing dan de rechtbank heeft gegeven. Dit brengt mee dat het hof het bewijsaanbod van appellantes niet honoreert, en evenmin een deskundige zal benoemen.
Er zijn immers geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, als ze worden bewezen of nader onderzocht, een andere uitkomst van deze procedure kunnen bewerkstelligen.
Het verstrekken van documenten
6.20.
Grief 4 van appellantes betreft de eis van appellantes om Klooster Euphrasia te bevelen bepaalde documenten over te leggen (de exhibitievordering). Appellantes stellen dat zij deze documenten nodig hebben om aan te tonen, kort gezegd, hoe de zeggenschap binnen de congregatie was geregeld en wie de rechtsopvolger is van de kloosters waarin appellantes hebben verbleven.
6.21.
Veel van de informatie die appellantes met de documenten hoopten te krijgen, is in de loop van de procedure boven tafel gekomen. Over de rechtsopvolging bestaat inmiddels duidelijkheid. Er is voor de uitkomst van deze procedure geen (voldoende) belang om nog meer informatie van Klooster Euphrasia te verkrijgen. De uitkomst kan door nog meer informatie immers niet anders worden. Grief 4 slaagt op dit onderdeel daarom niet.
6.22.
Grief 4 houdt ook een bezwaar in tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten voor het uitvoeren van het exhibitievonnis van 13 oktober 2021 tot een maximum van € 2.500,- voor rekening van appellantes komen. Het gaat om de kosten van het verstrekken van afschriften van documenten door Klooster Euphrasia, behalve kosten van het zwartlakken van bepaalde passages.
6.23.
Klooster Euphrasia heeft in hoger beroep verklaard dat zij afziet van de kostenvergoeding die de rechtbank heeft vastgesteld. Daarmee is het belang bij een beslissing over deze kosten ontvallen. Grief 4 hoeft op dit onderdeel dus niet verder te worden besproken.
De slotsom
6.24.
De grieven leiden niet tot het vernietigen van het bestreden vonnis van de rechtbank.
Dit vonnis blijft dus in stand. Gerechtshof Amsterdam 13 oktober 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2902
