Proefschrift Coen Hoekstra 240926 Grip op doorwerking
Proefschrift Coen Hoekstra 240926 Grip op doorwerking
Samenvatting:
In dit proefschrift is de juridische doorwerking van maatschappelijke regulering – zoals gedragscodes, richtlijnen en protocollen – bij de invulling van open normen in zowel het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht als het gezondheidsrecht onderzocht. De centrale vraag is welke rol maatschappelijke regulering speelt bij de invulling van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm (art. 6:162 lid 2 BW) en de medisch-professionele standaard (art. 7:453 BW en art. 47 Wet BIG), en hoe die rol in de rechtspraak kan worden verklaard.
In zowel het algemeen aansprakelijkheidsrechtelijk domein als het medisch domein is met behulp van (systematisch) empirisch-juridisch onderzoek een groot aantal gepubliceerde civielrechtelijke en medische (tucht)rechtelijke uitspraken geanalyseerd. Daarbij is gekeken naar de frequentie waarin maatschappelijke regulering doorwerkt, naar de motivering van het rechterlijk oordeel, het gewicht dat aan maatschappelijke regulering wordt toegekend, en de theoretische en praktische rechtvaardiging daarvan.
Uit het algemene domein blijkt dat maatschappelijke regulering in de overgrote meerderheid van de zaken waarin zij wordt aangevoerd, daadwerkelijk doorwerkt in het oordeel van de rechter. In 90% van de onderzochte uitspraken viel het rechterlijk oordeel samen met de aangebrachte maatschappelijke norm; in 59% van de gevallen was die norm zelfs doorslaggevend. Rechters motiveren de toepassing hiervan meestal summier of helemaal niet, terwijl afwijking van een maatschappelijke norm doorgaans expliciet en uitgebreid gemotiveerd wordt. Het in de juridische doctrine vaak benadrukte democratisch legitimiteitstekort van maatschappelijke normvorming blijkt in de rechtspraktijk nauwelijks van gewicht. In plaats daarvan leunen rechters op maatschappelijke regulering vanwege de expertise die eraan ten grondslag ligt, bestaande partijconsensus of maatschappijbrede aanvaarding van de regel in kwestie.
Binnen het gezondheidsrechtelijk domein speelt maatschappelijke regulering, zoals medische richtlijnen en protocollen, zo mogelijk een nog dominantere rol. In vrijwel alle (94%) relevante civielrechtelijke en tuchtrechtelijke uitspraken geldt een richtlijn, protocol of standpunt als belangrijke of zelfs leidende invulling van de medisch-professionele standaard. De rechtspraak – in het bijzonder vanaf het Trombose-arrest van de Hoge Raad – bepaalt dat artsen in beginsel richtlijnen dienen te volgen, waarbij van afwijking alleen sprake kan zijn als de goede zorg aan de patiënt dat vereist en deze afwijking gemotiveerd is. In de praktijk wordt het gezag van medische regulering door partijen vrijwel nooit betwist; discussies zijn zelden fundamenteel (bijvoorbeeld over de legitimiteit van de normsteller), maar richten zich meestal op de vraag of een bepaalde richtlijn evidence-based of nog actueel is.
Aan de hand van twee actuele casestudies uit het gezondheidsrecht – transgenderzorg aan kinderen (Dutch Protocol (2018)) en euthanasie bij dementie (KNMG Standpunt bij beslissingen rondom het levenseinde) – wordt duidelijk dat juridische doorwerking geen automatisme zou moeten zijn. De casestudies illustreren dat wanneer de medische norm onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of in strijd is met de wil van de wetgever, doorwerking problematisch wordt.
In dit proefschrift wordt geconcludeerd dat maatschappelijke regulering, zowel binnen het civiele als het gezondheidsrechtelijke domein, doorgaans een effectieve bron is voor de invulling van de onderzochte open normen. In de verhouding tussen doctrine en praktijk bestaat een meer praktijkgerichte, pragmatische benadering. Daarbij staan expertise, consensus en maatschappelijke aanvaarding centraal. Uit de casestudies blijkt echter wel dat men bedacht moet blijven op probleemgevallen en blijkt dat nagedacht kan worden over aanvullende toetsingskaders. Research.vu.nl
