Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 240822 val van fiets door vastgrijpen aan schouder bij burgerarrestatie; proportioneel gehandeld door de bewaker

RBROT 240822 val van fiets door vastgrijpen aan schouder bij burgerarrestatie; proportioneel gehandeld door de bewaker

2.
De feiten

2.1.
Op 5 mei 2017 was [eiseres] in de Albert Heijn aan de [adres delict] in Rotterdam, alwaar [gedaagde] op dat moment als beveiliger werkzaam was. [eiseres] heeft op enig moment een zwarte handtas die te koop werd aangeboden meegenomen.

2.2.
Op camerabeelden zag [gedaagde] dat [eiseres] de papieren vulling uit de zwarte handtas haalde en deze vulling in een rek bij de wasmiddelen achterliet. Zij ging vervolgens met de tas naar de kassa.

2.3.
Bij de kassa sprak [gedaagde] [eiseres] aan. Hij zei haar dat zij mee moest komen naar het kantoor. [eiseres] weigerde en stelde aan [gedaagde] voor zo nodig ter plekke een en ander af te handelen. [gedaagde] heeft aangegeven dat hij dat niet wilde en nogmaals [eiseres] gezegd mee te komen naar het kantoor.

2.4.
[eiseres] is vervolgens de winkel uitgegaan, terwijl haar vriend – die zich ook bij de kassa bevond – woorden had met [gedaagde] .

2.5.
Op enig moment is [gedaagde] gaan rennen achter [eiseres] aan. Tijdens de achtervolging belde [gedaagde] met de meldkamer van 1-1-2.

2.6.
Terwijl [gedaagde] achter [eiseres] aan rende, passeerde een fietser het tweetal. Deze fietser – wiens naam niet bekend is bij partijen – bood [eiseres] aan dat zij achterop kon gaan zitten op de bagagedrager van de fiets. Dat deed [eiseres] en samen fietsten zij weg van [gedaagde] .

2.7.
[gedaagde] heeft al rennend (en bellend) het tweetal op de fiets bijgehaald. Hij pakte vervolgens [eiseres] die achterop de fiets zat vast bij één schouder.

2.8.
[eiseres] is van de bagagedrager van de fiets afgevallen.

2.9.
Na de val van de fiets had [eiseres] pijn aan haar been. Zij is met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd waar er een crurisfractuur (breuk) aan haar rechterbeen werd waargenomen. [eiseres] is inmiddels twee keer geopereerd in verband met deze beenbreuk. Zij is nog steeds onder behandeling en zal nog een (of meer) operaties aan haar rechterbeen moeten ondergaan.

2.10.
Op 10 mei 2017 heeft supermarktmanager [persoon A] samen met getuigen [gedaagde] en [persoon B] , teamleider bij de betreffende Albert Heijn, en opsporingsambtenaar [persoon C] een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal ondertekend waarin – voor zover van belang – staat:

( ... ) Ik zag dat de verdachte1 [ [eiseres] , toev. Rechtbank] richting de wasmiddelen afdeling liep en daar het papier uit de tas haalde en in het schap gooide. Ik zag dat de verdachte1 richting de kassa liep met de Shopper. Ik zag dat de verdachte 1 en 2 samen met een kind waren. Derhalve wilde ik verdachte1 een winkelverbod aanzeggen en het op deze manier afhandelen. Ik ben gelijk met de teamleider naar de kassa gegaan en de verdachte wilde voorbij de kassa lopen met de tas maar zag mijn en gooide de tas tussen de mandjes. Ik heb de verdachte1 toen aangesproken en wilde haar meenemen naar kantoor maar verdachte2 (de man) hielp verdachte1 om weg te komen. Verdachte2 zei tegen verdachte1 'Ren weg, loop weg' en zei nog iets tegen verdachte1 in een buitenlandse taal. Verdachte2 kwam dreigend op mij af en duwde mij en hield mij tegen met zijn handen en verdachte2 zei als je mijn vrouw pakt dan maak ik je af ik heb toen besloten 112 te bellen ivm veiligheid van het aanwezige personeel en andere klanten. De teamleider probeerde verdachte2 nog tegen te houden bij de uitgang. Ik ben achter verdachte1 aan gegaan en heb ondertussen contact gekregen met de meldkamer. Ik ben achter verdachte1 aan gegaan die rende vervolgens weg richting Metrostation Slinge. Onderweg kwamen twee jongens op een fiets (een rode en een zwarte fiets) verdachte1 te hulp. Zij hielden mij tegen door voor mij te gaan fietsen en af te snijden. Verdachte1 rende de Middelharnisstraat in en de daar kwamen de jongens op de fiets weer tegen en zij sprong achterop de fiets. Ik ben erachteraan gerend en heb vervolgens de verdachte bij de schouder vastgepakt. Direct hierna heb ik de verdachte op woensdag 10 mei 2017 omstreeks [niet leesbaar, rechtbank] uur te Rotterdam, aangezegd dat zij was aangehouden. De fietser reed door waardoor verdachte1 op de grond ten val kwam.( ... )

2.11.
Op 11 mei 2017 heeft [gedaagde] namens Albert Heijn aangifte gedaan van diefstal met geweld. De politie heeft [eiseres] (tot op heden) niet vervolgd voor de gebeurtenissen in de Albert Heijn op 10 mei 2017.

2.12.
[eiseres] heeft op 18 juli 2017 aangifte gedaan van zware mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte staat, voor zover van belang:

( ... ) In de winkel zag ik een handtas. Dit artikel kon ik kopen. Ik heb de tas aan mijn arm gehangen. Ik liep door de winkel heen. Ik was toen alleen. Toen ik bij de kassa kwam waren mijn vriend en mijn zoontje weer samen. Ik zette de handtas op een rek voor de kassa. Toen ik daar stond zag ik een beveiliger naar mij toekomen. ( ... ) Ik hoorde de beveiliger aan mij vragen of ik mee wilde komen. Ik zei tegen de beveiliger dat ik niet mee hoefde te komen. Ik kon het ter plekke ook wel afhandelen. Ik hoorde de beveiliger mij met klem vragen of ik mee wilde komen. Ik hoorde dat de beveiliger met harde en strenge stem tegen mij sprak. Ik accepteerde deze toon niet. Ik liep langs de kassa richting de uitgang. Mijn vriend en zoontje stonden toen nog bij de kassa. Ik zag de beveiliger toen van rechts komen en rennen naar de uitgang. Ik voelde toen dat de beveiliger mij tegen mijn schouder duwde. Ik wankelde een beetje, maar viel niet. Ik zag toen dat mijn vriend naar mij toekwam. Ik hoorde hem tegen de beveiliger zeggen dat hij mij niet mocht aanraken. De beveiliger en mijn vriend raakte in een woordenwisseling. Ik ben toen naar buiten gegaan. Ik realiseerde mij toen dat mijn zoontje nog in de Albert Heijn was. Ik liep terug naar de ingang en ik zag de beveiliger en mijn vriend aan komen lopen. Mijn zoontje was bij hen. Ik heb mij omgedraaid en ik ben verder gaan lopen in de richting van de Middelharnisstraat te Rotterdam. Net voorbij de parkeergarage draaide ik mij om. Ik zag dat de beveiliger rennend naar mij toekwam. Toen ben ik gaan rennen. Ik raakte in paniek. Ik wist niet wat de beveiliger van mij wilde en ik was bang dat hij mij wat zou aandoen.

Ik zag voor mij twee jongens met hun twee fietsen staan. Ik hoorde een van deze jongens tegen mij zeggen ‘Spring achterop dan ben je van hem af’. Ik sprong achter op een fiets en de jongen fietste met mij weg ( ... ) Ik zag dat de beveiliger mij was genaderd. Ik voelde dat de beveiliger aan mijn jas trok. Omdat hij aan mijn jas trok bewoog ik naar achteren. Ik voelde dat de beveiliger mij vast had en ik voelde dat de beveiliger mij van de fiets trok. Ik viel op de grond, hoe weet ik niet meer. Ik voelde gelijk pijn aan mijn rechterbeen. ( ... )

2.13.
Bij brief van 22 februari 2018 heeft het Openbaar Ministerie [gedaagde] geïnformeerd dat de zaak tegen hem werd geseponeerd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [eiseres] heeft zich in een artikel 12 Strafvordering-procedure beklaagd over deze beslissing van de officier van justitie. In de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2019 naar aanleiding van het beklag staat, voor zover van belang:

( ... )Na bestudering van de stukken constateert het hof dat klaagster weigerde mee te werken aan haar aanhouding wegens een poging tot diefstal. Klaagster voldeed niet aan beklaagdes verzoek om met hem mee te lopen, maar ontvluchtte de winkel. Beklaagde zette hierop de achtervolging in en heeft klaagster vastgepakt waarna zij is gevallen. ( ... ) Met het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat het opzet van beklaagde bij het vastpakken van klaagster echter was gericht op het aanhouden van klaagster en niet op het toebrengen van pijn en letsel. Na het oordeel van de het hof is er geen sprake van door beklaagde toegepast disproportioneel geweld. ( ... ) Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.( ... )

3.
Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] , op gronden als in het lichaam van de dagvaarding genoemd, gehouden is alle ten deze geleden en nog te lijden schade te vergoeden aan [eiseres] ;
- [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat;
- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.
Aan haar vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] zich onrechtmatig jegens haar heeft gedragen door aan haar schouder te trekken, terwijl zij achterop de bagagedrager van een fiets zat. Omdat [gedaagde] aan haar schouder trok is [eiseres] ten val gekomen. Bij de val heeft [eiseres] letsel aan haar been opgelopen. [eiseres] heeft schade geleden als gevolg van het opgelopen letsel waaronder schade wegens verlies aan arbeidsvermogen. Omdat nog geen sprake is van een medische eindtoestand is de schade nu nog niet te begroten en wordt verwijzing naar een schadestaatprocedure gevorderd.

3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist de door [eiseres] geschetste toedracht van het ongeval. Daarnaast beroept [gedaagde] zich op een rechtvaardigingsgrond en op eigen schuld van [eiseres] . [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.
De beoordeling

4.1.
Voor aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW is vereist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] ; dat dit handelen [gedaagde] kan worden toegerekend en dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van dit handelen.

4.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in strijd met hetgeen maatschappelijk betamelijk is haar van de fiets af te trekken. [gedaagde] wist of kon weten dat er een aanmerkelijke kans zou bestaan dat [eiseres] door zo te handelen van de bagagedrager van de fiets zou kunnen vallen en hierbij ernstig letsel zou kunnen oplopen, wat uiteindelijk ook is gebeurd.

4.3.
Over de precieze toedracht van de val van de fiets verschillen partijen van mening. [eiseres] stelt dat zij - terwijl zij met twee benen aan één kant van de fiets zat - door [gedaagde] van de bagagedrager van de fiets is getrokken. In het aangifteformulier winkeldiefstal (r.o. 2.10) en in de conclusie van antwoord voert [gedaagde] aan dat hij [eiseres] bij haar schouder heeft gepakt en dat, omdat de fietser doorfietste terwijl [gedaagde] de schouder van [eiseres] vasthad, [eiseres] van de bagagedrager van de fiets is gevallen. Tijdens de zitting van 11 juli 2022 heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij eerst de schouder van [eiseres] had vastgepakt en deze vervolgens weer heeft losgelaten. De fietser zou daarna nog enkele meters verder zijn gefietst terwijl [eiseres] achterop bleef zitten. De fietser was echter uit balans gebracht en begon te slingeren waardoor [eiseres] uiteindelijk ten val kwam. Volgens [gedaagde] zat [eiseres] achterop de bagagedrager van de fiets met aan weerszijde één been. [gedaagde] betwist dat hij heeft getrokken aan de schouder van [eiseres] .

4.4.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [eiseres] , als de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van het bestaan van aansprakelijkheid van [gedaagde] , om voldoende onderbouwd te stellen en zo nodig te bewijzen dat het incident heeft plaatsgevonden zoals zij stelt. In de dagvaarding heeft [eiseres] een (algemeen) bewijsaanbod gedaan. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod, omdat zelfs als vast zou komen te staan dat het incident zich heeft voorgedaan zoals [eiseres] stelt dit niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] (en daarmee tot toewijzing van de vorderingen van [eiseres] ) leidt.

maatschappelijk onbetamelijk gedrag van [gedaagde]

4.5.
Ter beoordeling van het handelen van [gedaagde] (uitgaande van de toedracht van het incident zoals door [eiseres] is gesteld) heeft de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of sprake is van handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, gelet op de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen.

4.6.
Gelet op de omstandigheden waaronder het incident zich (volgens [eiseres] ) heeft voorgedaan is de kans aanzienlijk dat [eiseres] van het bagagerek van de fiets zou afvallen en letsel zou oplopen toen er door [gedaagde] werd getrokken aan haar schouder terwijl zij achterop een fiets zat. Hierbij is niet alleen het trekken aan de schouder van belang, maar ook de omstandigheid dat [eiseres] met twee benen aan één kant van de fiets niet stabiel zat en de fiets met snelheid probeerde weg te komen van [gedaagde] . De aard van de gedraging, in dit geval het trekken aan de schouder, is in dat geval een handeling die bewust door [gedaagde] is verricht en waarvan [gedaagde] zich eenvoudig had kunnen onthouden. [eiseres] heeft als gevolg van dit (gestelde) handelen van [gedaagde] letsel opgelopen. Haar onderbeen is gebroken en zij is hiervoor nog steeds onder behandeling, ondanks dat het incident inmiddels vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. [eiseres] heeft onbetwist gesteld nog twee operaties aan haar onderbeen te zullen moeten ondergaan. [gedaagde] had kunnen nalaten om aan de schouder van [eiseres] te trekken, maar in zijn beroep op een rechtvaardigingsgrond voert [gedaagde] juist aan een goede reden te hebben om dit te doen, namelijk de burgeraanhouding van [eiseres] .

4.7.
Gelet op het bovenstaande merkt de rechtbank dan ook op dat als het incident heeft plaatsgevonden zoals [eiseres] stelt (hetgeen gelet op de betwisting door [gedaagde] niet vaststaat) dit een maatschappelijk onbetamelijk handelen van [gedaagde] oplevert.

rechtvaardigingsgrond

4.8.
[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat hij een rechtvaardiging heeft voor zijn gedraging, zoals bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. [gedaagde] beroept zich hierbij op het feit dat hij ten tijde van het vastpakken van ( [eiseres] stelt trekken aan) de schouder van [eiseres] bezig was met een burgeraanhouding zoals bedoeld in artikel 53 Sv. Artikel 53 lid 1 Sv luidt: “In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit is een ieder bevoegd de verdachte aan te houden.”

4.9.
Voor de vraag of aan [gedaagde] een beroep op een rechtvaardigingsgrond toekomt zal de rechtbank wederom uitgaan van de feiten zoals gesteld door [eiseres] , zonder hiermee enig oordeel te willen geven over de juistheid van deze stellingen.

4.10.
Tussen partijen staat niet (langer) ter discussie dat [eiseres] op het moment dat [gedaagde] haar aan haar schouder trok, werd verdacht van een poging tot diefstal. Ook staat tussen partijen niet ter discussie dat [gedaagde] als beveiliger werkzaam was bij de Albert Heijn. Daarmee was het juist de taak van [gedaagde] om (pogingen tot) diefstal te voorkomen en bij waarnemen van een (poging tot) diefstal over te gaan tot actie, al dan niet gevolgd door een burgeraanhouding. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft geprobeerd om zijn taak uit te voeren zonder daarbij fysiek contact met [eiseres] aan te gaan. Zo heeft [gedaagde] in eerste instantie geprobeerd om met [eiseres] te spreken over wat hij op de camerabeelden had waargenomen met betrekking tot de zwarte handtas, maar [eiseres] wenste niet mee te komen naar het kantoor. [eiseres] was vervolgens degene die als eerste de winkel uitging en later weer terugkwam voor haar zoontje. In de periode dat [eiseres] de winkel uit was gelopen en weer terugkwam voor haar zoontje heeft [gedaagde] woorden gehad met de vriend van [eiseres] . Ook dit door [eiseres] waargenomen contact tussen de vriend van [eiseres] en [gedaagde] heeft er niet toe geleid dat [eiseres] vrijwillig meewerkte aan haar aanhouding. Volgens [eiseres] is [gedaagde] toen naar haar toe gerend, waardoor zij is weggerend. Ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd aangegeven dat zij niet weet waarom zij is weggerend voor [gedaagde] . In haar vlucht voor [gedaagde] is het tot slot [eiseres] die achterop een langsrijdende fiets is gaan zitten.

4.11.
Tegen de hiervoor weergegeven achtergrond, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] minimaal ingrijpend heeft gehandeld door [eiseres] aan haar schouder te trekken terwijl zij achterop de rijdende fiets zat. Ook volgens het gerechtshof Den Haag (r.o. 2.13) is er door [gedaagde] geen disproportioneel geweld toegepast. Dat [gedaagde] door een andere - minder ingrijpende - handeling tot aanhouding van [eiseres] had kunnen overgaan is door [eiseres] niet als verweer gevoerd en is de rechtbank ook niet gebleken. Als [gedaagde] [eiseres] niet aan haar schouder zou hebben getrokken, dan zou [eiseres] achterop de fiets er vandoor zijn gegaan en had [gedaagde] de verdachte moeten laten lopen. Immers, duidelijk is dat [eiseres] niet uit eigen beweging van de fiets afkwam om zich door [gedaagde] te laten aanhouden. Dit blijkt ook wel uit het feit dat [eiseres] ter zitting nog heeft aangevoerd dat [gedaagde] inderdaad de achtervolging had moeten staken in plaats van haar aan haar schouder te trekken.

4.12.
[eiseres] heeft nog aangevoerd dat uit het aangifte formulier winkeldiefstal (r.o. 2.10) volgt dat [gedaagde] haar ‘slechts’ een winkelverbod wilde aanzeggen en dat daarom fysiek ingrijpen niet gerechtvaardigd was. [gedaagde] heeft echter, onbetwist door [eiseres] , gesteld dat hij gedurende de achtervolging contract had met de meldkamer van 1-1-2 en dat het zijn bedoeling was om [eiseres] aan de politie over te dragen. Mogelijk heeft [gedaagde] aanvankelijk gedacht te kunnen volstaan met het aanzeggen van een winkelverbod, maar tegen de tijd dat hij [eiseres] buiten de winkel achtervolgde en zo ook op het moment van fysiek contact, was [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank bezig met een burgeraanhouding. Ook het gerechtshof Den Haag is in de beschikking van 8 april 2019 tot het oordeel gekomen dat de opzet van [gedaagde] gericht was op het aanhouden van [eiseres] (r.o. 2.13).

4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank en gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.12 is geoordeeld rechtvaardigt de burgeraanhouding van [eiseres] het fysieke contact als zou komen vast te staan dat [gedaagde] [eiseres] aan haar schouder van de fiets af heeft getrokken.

4.14.
De rechtbank zal om deze reden voorbijgaan aan het (algemene) bewijsaanbod dat door [eiseres] is gedaan. Zelfs als de rechtbank uitgaat van de feiten zoals door [eiseres] gesteld zullen haar vorderingen worden afgewezen.

4.15.
[eiseres] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] als volgt vastgesteld:

- griffierecht 86  
- salaris advocaat 1.126,00 (2,00 punten × € 563,00)
Totaal 1.212,00  

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiseres] af, ECLI:NL:RBROT:2022:7945