Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Limburg 220114 vaststellingsovereenkomst niet tot stand gekomen

Rb Limburg 220114 vaststellingsovereenkomst niet tot stand gekomen; verzocht voorschot ter grootte van aangeboden slotbetaling afgewezen;
- kosten gevorderd en toegewezen obv 17 uur en 18 minuten x € 215,00 + 21% BTW + griffierecht, totaal € 4.774,60

Is er een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen?

5.4.
De vraag ligt voor of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de als gevolg van het ongeval door [eiser] geleden en nog te lijden schade. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

5.5.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Niet in geschil is dat Reaal aan [eiser] een aanbod heeft gedaan zoals dit is vastgelegd in de herhaalde malen aan mr. Delescen ter tekening (door [eiser]) toegezonden concept-vaststellingsovereenkomst. De rechtbank stelt voorop dat het sluiten van een vaststellingsovereenkomst vormvrij is en dat, nu gesteld noch gebleken is dat daarover tussen partijen een andere afspraak is gemaakt, aan het enkele niet ondertekenen van de concept-vaststellingsovereenkomst door [eiser] geen zelfstandige betekenis toekomt. Aanvaarding van het aanbod kan immers ook zijn geschied door een niet schriftelijke uitdrukkelijke of stilzwijgende verklaring die ook in een gedraging besloten kan liggen. Het ontbreken van de handtekening betekent wel dat het op de weg ligt van Reaal, die zich op het bestaan van de overeenkomst beroept, om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan worden geconcludeerd dat de overeenkomst tot stand is gekomen althans dat [eiser] gehouden kan worden aan de inhoud van de niet getekende concept-vaststellingsovereenkomst.

5.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat mr. Delescen de belangenbehartiger van [eiser] was en in die hoedanigheid ook gesprekspartner was van Reaal. Dat mr. Delescen daarbij een mandaat had van [eiser] om een vaststellingsovereenkomst voor een slotbedrag van € 15.000,00 te sluiten is niet gebleken. Nadat het aanbod van een slotbetaling van € 15.000,00 door Reaal was gedaan, heeft Delescen aan Reaal bij brief van 14 april 2011 laten weten dit aanbod met [eiser] te hebben besproken en dat [eiser] zich wil beraden. Reeds hieruit volgt dat Delescen geen mandaat had om [eiser] te binden en dat het door Delescen bereikte onderhandelingsresultaat niet als een instemmingsverklaring van [eiser] kan worden aangemerkt. Hetgeen Reaal hierover heeft aangevoerd wordt daarom verworpen.

5.7.
Reaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat hetgeen mr. Delescen, als belangenbehartiger van [eiser], richting Reaal heeft verklaard overeenkomstig de wil van [eiser] is. In beginsel kan Reaal in dat standpunt worden gevolgd. Daarmee is echter nog niet gezegd dat uit de brief van mr. Delescen van 6 oktober 2011, zoals Reaal stelt, onomstotelijk volgt dat [eiser] het aanbod van een slotbetaling van € 15.000,00 heeft aanvaard, althans dat Reaal daarop mocht vertrouwen. Mr. Delescen geeft in die brief antwoord op de vraag van Reaal of [eiser] al weet wat hij wil met het aanbod. Mr. Delescen schrijft in de brief: “In bovengemeld dossier is cliënt te rade om, zij het met de nodige aarzeling, akkoord te gaan met het voorstel om de zaak op pragmatische gronden af te wikkelen tegen betaling van een slotuitkering ad € 15.000,00 exclusief bgk.”. Deze bewoordingen en in het bijzonder “is cliënt te rade” (neemt cliënt in overweging) alsmede de formulering “akkoord te gaan” (hetgeen duidt op toekomstige tijd), bezien in samenhang met de vraag van Reaal of [eiser] er al uit is, kunnen in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat [eiser] nog steeds geen definitieve beslissing had genomen maar er toe neigde om het aanbod te accepteren. Van een onvoorwaardelijke acceptatie van het aanbod door [eiser] zoals door Reaal wordt gesteld, blijkt uit deze bewoordingen in ieder geval niet. Het aan het eind van de brief gedane verzoek om de concept-vaststellingsovereenkomst op te sturen duidt naar het oordeel van de rechtbank evenmin op het aanvaarden van het aanbod en sluit aan bij het in overweging nemen om het in de concept-vaststellingsovereenkomst neergelegde aanbod te aanvaarden. Dit geldt temeer nu deze werkwijze in lijn ligt met de in een eerdere fase van de onderhandelingen gevolgde werkwijze. Reaal heeft toen immers ook een concept-vaststellingsovereenkomst met destijds een slotbetaling ter hoogte van € 10.000,00, aan mr. Delescen toegezonden. Dat aanbod is toen door mr. Delescen aan [eiser] voorgelegd en door laatstgenoemde geweigerd.
Het verzoek van mr. Delescen (begin 2012) aan Reaal om de concept-overeenkomst nogmaals op te sturen, volgt op de vraag van Reaal hoe het zit met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door [eiser]. Anders dan Reaal beoogt te stellen, kan in de gegeven omstandigheden in dit verzoek evenmin een aanvaarding van het aanbod worden gelezen. Ten aanzien van de stelling van Reaal dat mr. Delescen mondeling heeft verklaard dat Reaal er vanuit mag gaan dat de vaststellingsovereenkomst in goed overleg en na instemming van [eiser] tot stand is gekomen, overweegt de rechtbank als volgt. Deze verklaring is niet door mr. Delescen zelf opgesteld, maar verwoord door de medewerker die namens Reaal de onderhandelingen met mr. Delescen heeft gevoerd, op een moment dat [eiser] het bestaan van de overeenkomst had betwist, zodat deze verklaring niet meer aan [eiser] kan worden toegerekend. Tegenover deze verklaring staat de door [eiser] ter mondelinge behandeling afgelegde verklaring dat hij nooit tegen mr. Delescen heeft gezegd in te stemmen met het aanbod en steeds heeft aangegeven te twijfelen.

5.8.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Reaal onvoldoende heeft gesteld en aangetoond om vast te kunnen stellen dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen althans dat [eiser] aan de inhoud daarvan kan worden gehouden. De door [eiser] gevraagde verklaring voor recht dat geen rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, is daarom toewijsbaar. Bij de constatering dat het inhoudelijke verzoek van [eiser] voor inwilliging vatbaar is, verliest de rechtbank overigens niet uit het oog dat in principe in het kader van een verzoekschriftenprocedure geen plaats is voor het uitspreken van een verklaring voor recht. In het onderhavige geval, waarin de beslissing op een deelgeschil aan de orde is, leidt deze regel evenwel uitzondering, mede gelet op de (beperkte) status van de onderhavige beslissing in het raam van een eventuele bodemprocedure tussen partijen.
De subsidiair geformuleerde verzoeken tot vernietiging en ontbinding van de vaststellingsovereenkomst behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

ECLI:NL:RBLIM:2014:692

Deze website maakt gebruik van cookies