Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBDHA 091019 Vernietiging van VSO na dienstongeval militair; wederzijdse dwaling ondanks aan beide kanten betrokkenheid van juristen bij de totstandkoming

RBDHA 091019 Vernietiging van VSO na dienstongeval militair; wederzijdse dwaling ondanks aan beide kanten betrokkenheid van juristen bij de totstandkoming.

De feiten

2.1.
Op 29 september 1992 is [eiser] gedurende de vervulling van zijn militaire dienstplicht een dienstongeval overkomen. Hij is daarbij door een vuurwapen in de rug geschoten en heeft daardoor een dwarslaesie opgelopen.

2.2.
[eiser] is door het ongeval arbeidsongeschikt geraakt. Hij kreeg met ingang van 28 september 1993 een uitkering op de voet van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het recht op AAW eindigde per 1 januari 1998 met het vervallen van de AAW.

2.3.
Met ingang van 3 december 1999 werd aan [eiser] een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (verder: Wamil-uitkering) op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Daarnaast ontving [eiser] met ingang van 1 maart 1994 een Militair invaliditeitspensioen (verder: invaliditeitspensioen). Omdat het invaliditeitspensioen hoger was dan de Wamil-uitkering en de Wamil-uitkering met het invaliditeitspensioen werd gekort, kwam de Wamil-uitkering niet tot uitbetaling. Dat is sindsdien zo gebleven.

2.4.
[eiser] is ondanks zijn beperkingen in 1998 gaan werken en heeft vervolgens gedurende langere tijd inkomen uit arbeid gegenereerd.

2.5.
Bij besluit van 23 april 1999 heeft de Staat aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de afwikkeling van de schade. [eiser] werd hierbij bijgestaan door een advocaat.

2.6.
In het kader van deze onderhandelingen heeft Bureau Pals op 11 april 2001 een berekening van de schade van [eiser] opgesteld, onder meer als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen. Hierbij is voor wat betreft de situatie met ongeval aan de inkomstenkant uitgegaan van het invaliditeitspensioen en van inkomen uit arbeid tot aan de pensioengerechtigde leeftijd op basis van het bruto jaarinkomen dat [eiser] toen ontving. In het rapport van Bureau Pals is opgenomen:

XI. Voorbehoud

Zowel ten aanzien van de duurzaam veronderstelde inkomensvormende aanwending van de restcapaciteit, als ten aanzien van mogelijke negatieve consequenties van toekomstige wijzigingen van het sociaal zekerheidsstelsel, wordt geadviseerd een voorbehoud te reserveren.

2.7.
Bij brief van 25 augustus 2003 heeft de Staat aan de advocaat van [eiser] laten weten:

Het is gebruikelijk dat een WAO-uitkering wordt verrekend met het MIP [rechtbank: militair invaliditeitspensioen]. Dit is verwoord in artikel 5 van het Besluit aanvullende invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen (hierna: Besluit AO/IV). Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering. In artikel 19 lid 2 onder 4e Besluit AO/IV is bepaald dat verrekening van inkomsten met het AOP en MIP van een militair die is ontslagen voor 1 januari 1998 verrekend wordt naar de regels van het oude recht. In de Algemene Militaire Pensioenwet was in artikel V4 (met de invoering van de OOW vernummerd tot V4a) bepaald dat in afwijking van de hoofdregel (verrekenen van een WAO-uitkering met het AOP en MIP) geen verrekening plaats vindt bij een militaire dienstgeïnvalideerde die na verloop van tijd arbeidsongeschikt wordt vanuit een nieuwe functie. De alsdan toe te kennen WAO-uitkering wordt dan niet gekort op het MIP.

Het vorenstaande is kort verwoord in bijgaande vaststellingsovereenkomst.

2.8.
Op 14 oktober 2003 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van hun geschil over de aard en de ernst van de medische en financiële gevolgen van het dienstongeval (verder: de vaststellingsovereenkomst). Partijen zijn overeengekomen dat de Staat aan [eiser] een slotbetaling doet ter zake materiële en immateriële schade tegen finale kwijting.

Artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst luidt aldus:

Mocht gelaedeerde [rechtbank: [eiser] ] werkloos of arbeidsongeschikt worden uit een nieuwe functie dan zal de alsdan toe te kennen WW-uitkering of WAO-uitkering niet worden gekort op het Militaire Invaliditeitspensioen en de daaraan gerelateerde invaliditeitsverhoging.

2.9.
Tot en met juni 2012 heeft [eiser] in loondienst gewerkt. Daarna heeft hij nog enige tijd als zelfstandige (zzp-er) gewerkt. In het najaar van 2016 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geraakt, waardoor hij sindsdien geen inkomen uit arbeid meer heeft. Zijn inkomen bestaat sindsdien alleen nog uit het invaliditeitspensioen.

2.10.
Vanwege het verlies van zijn inkomen uit arbeid heeft [eiser] het UWV verzocht om de korting op de Wamil-uitkering te beëindigen, zodat ook deze laatste weer tot uitbetaling zou komen. Het UWV heeft dit bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2017 geweigerd, omdat niet de inkomsten uit arbeid op de Wamil-uitkering werden gekort maar het invaliditeitspensioen. Het UWV verwierp het beroep van [eiser] op artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst, omdat hetgeen daar is overeengekomen geen betrekking heeft op het Wamil-recht maar op het pensioenrecht.

2.11.
Zowel in de WIA als de in WAO is een zogenoemde anticumulatiebepaling opgenomen om samenloop van een WIA- of WAO-uitkering met een Wamil-uitkering te voorkomen. Dat betekent dat wanneer een recht op een Wamil-uitkering bestaat er niet ook een recht op een WIA- of WAO-uitkering is.

2.12.
[eiser] heeft zich tot de Staat gewend met het verzoek hem schadeloos te stellen voor het feit dat hij niet in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering naast het invaliditeitspensioen. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvoor geen grondslag bestaat. Partijen zijn, ondanks pogingen daartoe, het niet eens geworden over een oplossing.

3
Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren
I. primair dat de vaststellingsovereenkomst als vernietigd moet worden beschouwd op grond van dwaling op de voet van artikel 6:228 lid 1 onder c BW;
II. subsidiair dat de vaststellingsovereenkomst als vernietigd moet worden beschouwd op grond van dwaling op de voet van artikel 6:228 lid 1 onder a BW;
III. meer subsidiair dat de Staat gehouden is na te komen wat tussen partijen rechtens heeft te gelden, te weten dat de Staat [eiser] aanvullend schadeloos dient te stellen tot de hoogte van het bedrag dat [eiser] netto zou hebben genoten uit hoofde van een WAO/WIA-uitkering wanneer deze wel aan zou zijn toegekend, dit nader op te maken bij staat;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Primair stelt hij daartoe dat (blijkens artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst) beide partijen in de veronderstelling verkeerden dat [eiser] naast het invaliditeitspensioen aanspraak zou kunnen maken op een WAO/WIA-uitkering indien hij vanuit een nieuwe functie weer arbeidsongeschikt zou raken. Subsidiair stelt hij dat hij daarover heeft gedwaald als gevolg van een onjuiste mededeling van de Staat in de brief van 25 augustus 2003. Hij zou de vaststellingsovereenkomst niet hebben gesloten als hij had geweten dat hij die aanspraak niet zou hebben. Voor het geval het beroep op dwaling niet slaagt betoogt [eiser] dat de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid met zich meebrengt dat de Staat het gemis van de inkomsten uit een WAO/WIA-uitkering aan hem dient te vergoeden. Het was namelijk de bedoeling van partijen bij de vaststellingsovereenkomst dat [eiser] daarop indien nodig zou kunnen terugvallen.

3.3.
De Staat concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij betwist dat aan (artikel 5 van de) vaststellingsovereenkomst of de brief van 25 augustus 2003 een misverstand ten grondslag lag over de samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met een Wamil-uitkering. Er is alleen bedoeld duidelijk te maken dat een eventuele WAO/WIA-uitkering niet zou worden verrekend met het invaliditeitspensioen. Dat was een juist uitgangspunt. Over het Wamil-recht is niets gezegd. Partijen hebben niet bedoeld of beoogd om voor [eiser] een recht op een inkomensvervangende voorziening vast te leggen in geval van latere arbeidsongeschiktheid. De Staat heeft dat ook niet toegezegd. Zo sprake was van dwaling, dan behoort die voor rekening van [eiser] te blijven, volgens de Staat. De Staat betwist dat hij op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet instaan voor het bestaan van een inkomensvervangende voorziening.

4
De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst sprake is geweest van een misvatting over het antwoord op de vraag of [eiser] recht zou hebben op een inkomensvervangende uitkering naast het invaliditeitspensioen in geval hij op enig moment na het sluiten van de overeenkomst vanwege zijn beperkingen niet meer zou kunnen werken. Dit vertaalt zich primair en subsidiair in een beroep van [eiser] op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst vanwege dwaling (artikel 6:228 BW).

4.2.
Het staat vast dat de vaststellingsovereenkomst een overeenkomst is als bedoeld in artikel 7:900 lid 1 BW, bedoeld om een einde te maken aan onzekerheid of onenigheid over wat tussen partijen rechtens geldt. In geval van een dergelijke vaststellingsovereenkomst moet artikel 6:228 BW met terughoudendheid worden toegepast. Dat betekent dat partijen in beginsel geen beroep kunnen doen op dwaling ten aanzien van punten waarover werd getwist of onzekerheid bestond en waaraan de vaststellingsovereenkomst juist een einde beoogde te maken. Als het gaat om een misvatting ten aanzien van wat partijen als vaststaand aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, is een beroep op dwaling mogelijk wel gerechtvaardigd. Relevant kan zijn dat de wederpartij bij de dwaling is betrokken op een manier als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a of b BW.

4.3.
Het beroep op dwaling slaagt. De rechtbank neemt aan dat zowel [eiser] als de Staat ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst er ten onrechte van zijn uitgegaan dat [eiser] zou kunnen terugvallen op een inkomensvervangende voorziening (WAO, thans WIA) naast het invaliditeitspensioen, wanneer hij op enig moment zijn verdienvermogen alsnog zou verliezen en dus zou uitvallen voor loonvormende arbeid. Beide partijen hebben daarbij niet op het netvlies gehad dat de belemmering van deze samenloop niet was gelegen in het invaliditeitspensioen, maar in het bestaan van een Wamil-recht, dat in de praktijk nooit tot uitkering was gekomen. Daartoe geldt het volgende.

4.4.
Vast staat dat [eiser] ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst in het kader van de sociale zekerheidswetgeving 80-10% arbeidsongeschikt was. Ten behoeve van de schadeafwikkeling heeft Bureau Pals een schadeberekening gemaakt door onder meer het inkomen van [eiser] in de situatie met ongeval te vergelijken met die waarin het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Onbestreden is dat partijen deze berekening en het rapport waarin die is opgenomen, tot uitgangspunt hebben genomen bij hun onderhandelingen die tot de vaststellingsovereenkomst hebben geleid. Bureau Pals is bij de berekening van het inkomen na ongeval uitgegaan van het invaliditeitspensioen plus het inkomen dat [eiser] destijds verdiende als telesales-representative tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Daarbij heeft Bureau Pals geadviseerd om een voorbehoud te reserveren voor de in de berekening betrokken veronderstelling dat de restverdiencapaciteit van [eiser] duurzaam zou worden aangewend, met andere woorden, dat hij blijvend in staat zou zijn om te werken en daarmee een inkomen te verwerven. Dit wist de Staat ook.

4.5.
Het is zonder meer aannemelijk dat [eiser] tegen deze achtergrond aan de Staat de vraag heeft voorgelegd of samenloop van een WAO-uitkering met het invaliditeitspensioen mogelijk was. Het was immers voor hem evident van belang te weten of er naast het invaliditeitspensioen een vorm van inkomen zou zijn indien eigen loonvormende arbeid niet meer mogelijk zou blijken in toekomst. Dit zou anders – zoals ook is gebleken – een grote inkomensval teweegbrengen waartegen hij zich zou hebben willen wapenen. Een risico op definitieve uitval uit arbeid was immers een reëel scenario, gelet op de dwarslaesie en de volledige rolstoelafhankelijkheid van [eiser] . Voor de bepaling van de omvang van de in een vaststellingsovereenkomst tegen finale kwijting overeen te komen schadevergoeding was dit dus een belangrijke factor.

4.6.
In deze context is de brief van de Staat van 25 augustus 2003 (zie 2.7) niet anders te duiden dan als een verduidelijking van de financiële uitgangspunten waaronder een vaststellingsovereenkomst zou worden gesloten. Meer in het bijzonder was het een antwoord op de vraag of [eiser] zou kunnen terugvallen op een inkomensvervangende voorziening naast het inkomen (het invaliditeitspensioen) dat hij sowieso genoot ten gevolge van het ongeval. Dat dit voor [eiser] van groot belang was en dat de Staat dit wist, blijkt wel uit het feit dat de Staat heeft voorgesteld om de inhoud van de brief van 25 augustus 2003 in verkorte vorm als artikel 5 in de vaststellingsovereenkomst op te nemen.

4.7.
Uit deze gang van zaken blijkt dat niemand – noch [eiser] en zijn advocaat, noch de Staat en zijn jurist(en) – zich heeft gerealiseerd dat los van de vraag naar de samenloop van het invaliditeitspensioen met een WAO-uitkering, het (slapende) Wamil-recht hoe dan ook in de weg stond aan de toekenning van een WAO-uitkering. Uit niets blijkt dat partijen in de periode voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op het netvlies hebben gehad dat [eiser] een Wamil-recht had. Dit was immers vanwege de korting met het invaliditeitspensioen nooit tot uitkering gekomen. Het heeft er alle schijn van dat beide partijen dat uit het oog hebben verloren.

4.8.
Het standpunt van de Staat dat met de brief niet meer of minder is bedoeld dan te communiceren wat er staat, namelijk dat een WAO-uitkering niet zou worden gekort op het invaliditeitspensioen, kan niet worden gevolgd. Niet valt in te zien waarom de Staat dit aan [eiser] zou berichten, wanneer hij wist dat het Wamil-recht een WAO-uitkering wel in de weg zou staan. Dan zouden de brief van 25 augustus 2003 en artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst immers zonder feitelijke betekenis zijn voor de situatie waarin [eiser] weer zou uitvallen. De omvang van het inkomen tot aan het pensioen was voor [eiser] van groot belang voor het bepalen van de omvang van een schadevergoeding. De Staat wist dit.

4.9.
Daarmee is, anders dan [eiser] suggereert, niet gezegd dat partijen in de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd af te spreken dat [eiser] hoe dan ook recht zou houden op een inkomensvervangende voorziening naast het invaliditeitspensioen. Evenmin kan worden aangenomen dat de Staat [eiser] heeft gegarandeerd dat hij aanspraak op een dergelijk inkomen zou hebben tot aan de pensioengerechtigde leeftijd of dat de Staat heeft bedoeld om dat te garanderen. Voor beide scenario’s bestaan geen aanknopingspunten en ook de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid strekt niet zover dat dit in de vaststellingsovereenkomst zou moeten worden ingelezen. Beide partijen zijn eenvoudigweg van een onjuiste aanname op dit punt uitgegaan. Partijen hebben dus gedwaald bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst.

4.10.
Het verweer van de Staat dat de dwaling voor rekening van [eiser] moet blijven, slaagt niet. De Staat was immers aansprakelijk voor het ongeval van [eiser] en was daarom gehouden de schade die daarvan het gevolg was volledig te vergoeden. Partijen hebben daarover overeenstemming bereikt. Er is geen reden om de onjuiste aanname die beide partijen daarbij hebben gedaan voor risico van [eiser] als het slachtoffer van het dienstongeval te laten komen. Ook het feit dat [eiser] in de onderhandelingen werd bijgestaan door een advocaat leidt er niet toe dat de dwaling voor zijn rekening blijft. De advocaat van [eiser] heeft het belang van het Wamil-recht voor een toekomstige WAO-uitkering inderdaad niet onderkend. Datzelfde geldt echter voor de jurist(en) van de Staat.

4.11.
Dit betekent dat de vaststellingsovereenkomst voor vernietiging in aanmerking komt. Nu is gesteld noch gebleken dat een buitengerechtelijke vernietiging heeft plaatsgevonden, is de primair gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. De rechtbank zal de subsidiaire vordering zo begrijpen dat bedoeld is te vorderen dat de rechtbank de vaststellingsovereenkomst vernietigt.

4.12.
Ter zitting is stilgestaan bij de verstrekkende implicaties en complicaties van deze beslissing voor partijen. De vernietiging heropent immers het debat over de omvang van de schadevergoeding ten gevolge van het dienstongeval dat 27 jaar geleden plaatsvond. Partijen hebben na de zitting geprobeerd om tot een oplossing te komen en dat is tot op heden niet gelukt. Daarom rest nu niets anders dan de gevorderde vernietiging uit te spreken. De vraag of het gegeven – waarop de Staat heeft gewezen – dat [eiser] uiteindelijk uitviel vanuit een situatie als zelfstandige en daarom toen hoe dan ook geen WAO-/WIA-recht meer had, een relevante factor is, zullen partijen bij het vervolgtraject kunnen betrekken. ECLI:NL:RBDHA:2019:14806

Deze website maakt gebruik van cookies