Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 240315 zware mishandeling door buurman; verhuiskosten incl overdrachtsbelasting naar gelijkwaardige woning vergoed

Hof 's-Hertogenbosch 240315 zware mishandeling door buurman; beoorderling diverse schadeposten; medische kosten onvoldoende onderbouwd;
- geen blijvende arbeidsongeschiktheid; geen verlies arbeidsvermogen; 
- verhuiskosten incl overdrachtsbelasting naar gelijkwaardige woning vergoed; 

- gedeeltelijke gevoelloosheid in gelaat, hoofdpijnen en PTSS, tijdelijke arbeidsongeschiktheid en gedwongen verhuizing; € 8.000 smartengeld;

3.8. Kosten verhuizing (grief 7), gevorderd:

- kosten bemiddeling verkoop € 5.243,02;
- advertentiekosten € 240,--;
- taxatierapport [straatnaam] € 225,--;
- kosten aankoop [straatnaam] € 1.250,--;
- overdrachtsbelasting 6% € 28.950,--;
- hypotheekadvies € 2.750,--;
- notariskosten en kosten registratie € 812,40;
- kosten inzake hypotheek € 667,40;
- BTW € 117,81;
- afsluitprovisie € 1.325,00,
totaal € 41.580,63 minus € 931,14 wegens fiscale aftrekbaarheid van de taxatiekosten, de kosten inzake hypotheek en de afsluitprovisie (42% van € 2.217,--), resteert € 40.649,49. [appellant] heeft zijn vordering in hoger beroep tot laatstgenoemd bedrag verminderd.

[appellant] stelt dat hij vanwege angsten na de mishandeling niet langer naast [geïntimeerde] kon blijven wonen. De gedwongen verhuizing heeft de bovenstaande kosten mee gebracht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het vereiste causaal verband tussen de mishandeling en de verhuizing onvoldoende nader is onderbouwd, in de eerste plaats omdat [appellant] al twee jaar voorafgaande aan de mishandeling van plan was om zijn huis te verkopen in verband met het langlopende conflict met [geïntimeerde] en in de tweede plaats omdat onvoldoende onderbouwd is waarom de gevorderde posten schade zijn in de zin van artikel 6:95 BW.
[appellant] stelt in de toelichting op de grief dat juist is dat vóór de mishandeling al duidelijk was dat hij niet langer naast [geïntimeerde] wilde wonen. Daarmee bedoelde [appellant] echter naar zijn zeggen dat hij wilde dat [geïntimeerde] zou vertrekken. [appellant] wilde in zijn geboortedorp en in zijn opgeknapte huis blijven wonen. Vanaf de mishandeling was het voor [appellant] niet langer mogelijk om nog in zijn huis te blijven wonen vanwege zijn grote angsten. De verhuizing houdt direct verband met de mishandeling. Er is sprake van vermogensschade als bedoeld in artikel 6:95 BW, aldus [appellant].
Het hof is van oordeel dat gezien de zware mishandeling door [geïntimeerde] en de gevolgen van de mishandeling voor [appellant], redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd dat hij naast [geïntimeerde] bleef wonen en dus dat hij zijn huis te koop zette en een ander huis kocht. Dat [geïntimeerde] tot 14 december 2010 niet in zijn eigen huis heeft gewoond kan daaraan niet afdoen. Evenmin kan daaraan afdoen dat [geïntimeerde] zelf wilde verhuizen, aangezien hij daarvan heeft afgezien toen [appellant] zijn woning te koop had gezet. Uit de bij de politie afgelegde verklaring door [appellant] als aangever (prod. 4 cva in het incident), waarop [geïntimeerde] een beroep doet, blijkt wél dat [appellant] vóór de mishandeling van [geïntimeerde] af wilde als buurman, hij hoopte dat [geïntimeerde] zou vertrekken, maar niet dat [appellant] na een eerdere mislukte poging nog steeds bereid was zelf te verhuizen. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] reeds twee jaar voor de mishandeling een bod heeft gedaan op een woning in [woonplaats 1] is in het geheel niet onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is er gelet op het voorgaande sprake van causaal verband tussen de mishandeling en de verhuizing.
Dat betekent dat de kosten van de verhuizing voor zover het betreft bemiddeling verkoop, advertentiekosten, taxatiekosten, notariskosten en btw toewijsbaar zijn, te weten totaal € 7.888,23. De noodzaak voor de aanschaf van een veel duurdere woning (€ 482.500,--, zie prod. 29 inl. dagv.) heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat niet een woning voor een prijs vergelijkbaar met de verkoopprijs van de woning in [woonplaats 2] (€ 252.000,--), waaraan niets of niet veel opgeknapt behoefde te worden, had kunnen worden gekocht. Om die reden acht het hof de kosten van de overdrachtsbelasting slechts toewijsbaar over laatstgenoemd bedrag, te weten € 15.120,--. De kosten voor het afsluiten van een hypotheek van € 265.000,-- wijst het hof af. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant], indien hij een woning had gekocht van om en nabij de € 252.000,--, een (extra) hypotheeklening had moeten afsluiten.
Als vermogensschade is met betrekking tot de verhuiskosten op de voet van artikel 6:95 jo. artikel 96 lid 1 BW een bedrag van € 23.008,23 toewijsbaar. Grief 7 slaagt in zoverre.

ECLI:NL:GHSHE:2015:1061

Deze website maakt gebruik van cookies