Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 241106 brief waarin staat dat aan aansprakelijkheid niet te tornen valt stuit verjaring

HR 24-11-06 brief waarin staat dat aan aansprakelijkheid niet te tornen valt en die suggereert een schaderegelaar in te schakelen stuit verjaring
3.2 [Eiseres] heeft aan haar hiervoor onder 1 weergegeven vordering ten grondslag gelegd dat Noordhollandsche als verzekeraar van de motor op grond van art. 6 lid 1 WAM de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ongeval met de motor heeft geleden dient te vergoeden. Noordhollandsche heeft zich op verjaring beroepen, stellende dat ingevolge art. 10 lid 1 WAM de rechtsvordering verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf het feit waaruit de schade is ontstaan. De rechtbank heeft het betoog van [eiseres] dat de verjaring is gestuit door de hiervoor in 3.1 genoemde brieven van 5 juni 1997 en 10 augustus 1997 niet gehonoreerd en heeft de vordering afgewezen.
In hoger beroep, waar [eiseres] in het kader van haar betoog dat de verjaring is gestuit zich voorts heeft beroepen op de hiervoor onder 3.1 genoemde brief van 15 december 1997, heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe, kort gezegd, dat de zojuist bedoelde brief niet voldoet aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen. Die brief gaf geen toereikende indicatie dat mogelijk in de toekomst ook werkelijk een vordering zou worden ingesteld en behoefde redelijkerwijs niet anders te worden begrepen dan als een verzoek aan Noordhollandsche het nodige te doen, bijvoorbeeld een schaderegelaar inschakelen, opdat partijen in overleg zouden kunnen treden over het regelen van het schadegeval, aldus het hof in rov. 4.7.
3.3 Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 4 juni 2004, nr. C03/221, NJ 2004, 603).
Het hof heeft deze maatstaf in rov. 4.5 met zoveel woorden tot uitgangspunt genomen. De eerste klacht van het middel, die van het tegendeel uitgaat, kan dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
Het middel klaagt voorts dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 over de brief van 15 december 1997 onbegrijpelijk is. Deze klacht slaagt. In genoemde brief wordt met zoveel woorden gesteld dat aan de aansprakelijkheid van de bestuurder van de bij Noordhollandsche verzekerde motorfiets niet valt te tornen, dat de klachten van [eiseres] afkomstig zijn van het ongeval en dat Noordhollandsche wordt verzocht het nodige te doen om tot regeling van de schade te kunnen overgaan. In het licht van de eerdere correspondentie laat de brief van 15 december 1997 geen andere uitleg toe dan dat [eiseres] zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Noordhollandsche heeft laatstgenoemde brief blijkens haar reactie van 13 januari 1998 ook in deze zin begrepen. (...)
LJN AZ0418

Deze website maakt gebruik van cookies