Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 090507 strikte toep. 3-jaars termijn art. 10 lid 1 WAM3 bij onbekend gebleven bestuuurder

Rb Arnhem 09-05-07 strikte toepassing 3-jaars termijn art. 10 lid 1 WAM3 bij onbekend gebleven bestuurder
4.1.  Het meest verstrekkende verweer van het Waarborgfonds luidt dat de vordering van Sterpolis is verjaard. Dit verweer zal dan ook als eerste worden beoordeeld.

4.2.  Ter staving van zijn beroep op verjaring heeft het Waarborgfonds aangevoerd dat de rechtsvordering van Sterpolis, die noodzakelijkerwijs is gebaseerd op de WAM, ingevolge het bepaalde in de artikelen 26 lid 8 en 10 lid 1 WAM onderhevig is aan een verjaringstermijn van drie jaar, te rekenen vanaf het feit waaruit de schade is ontstaan. Aangezien het ongeval heeft plaatsgevonden op 14 mei 2001 en vóór 14 mei 2004 geen geldige stuitingshandeling is verricht, is de rechtsvordering van Sterpolis op laatstgenoemde datum verjaard, aldus het Waarborgfonds. Volgens het Waarborgfonds is hij pas ná het intreden van de verjaring door Sterpolis over het ongeval en de (eventuele) aanspraken geïnformeerd, bij brief van 18 januari 2005.

4.3.  Sterpolis heeft zich tegen het beroep op verjaring verweerd met de stelling dat weliswaar in beginsel art. 10 WAM van toepassing is, maar dat het onredelijk zou zijn als de vordering van Sterpolis zou zijn verjaard. Zij meent dat de verjaringstermijn redelijkerwijs pas is aangevangen op 25 januari 2002, het moment waarop zij het proces-verbaal van het ongeval heeft ontvangen van de Stichting Processen-Verbaal te Zoetermeer. Pas toen is zij immers bekend geworden met de betrokkenheid van de onbekend gebleven vrachtwagenchauffeur en pas toen was zij in staat het Waarborgfonds aan te spreken, aldus Sterpolis, hetgeen zij vervolgens ook binnen drie jaar ná 25 januari 2002 - namelijk op 18 januari 2005 - heeft gedaan. Zou de verjaringstermijn op het moment van het ongeval aanvangen, dan zou het zich volgens Sterpolis kunnen voordoen dat zij lukraak het Waarborgfonds na ieder ongeval aansprakelijk moet stellen om de korte verjaringstermijn van drie jaar niet te laten verlopen. Daarnaast heeft Sterpolis nog aangevoerd dat een strikte toepassing van art. 10 WAM ook onredelijk is als in ogenschouw wordt genomen dat bij wel bekende bestuurders met gebruikmaking van art. 6:162 en art. 3:310 BW de driejaarstermijn van art. 10 WAM kan worden omzeild door de bestuurder/verzekerde aan te spreken zodat een vijfjarige verjaringstermijn (die van art. 3:310 BW) geldt. Verder is een verjaringstermijn volgens Sterpolis ‘rekkelijk’, zoals onder andere blijkt uit een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de verjaringstermijn van art. 3:310 BW (HR 31 oktober 2003, RvdW 2003, 169). Overigens is Sterpolis van mening dat het Waarborgfonds niet in zijn verweer zou worden benadeeld bij afwijzing van het beroep op verjaring, aangezien het over hetzelfde dossier beschikt als Sterpolis.

4.4.  Tussen de partijen is niet in geschil dat, zoals in art. 26 lid 8 WAM ook is bepaald, art. 10 lid 1 WAM op de rechtsvordering van Sterpolis jegens het Waarborgfonds van toepassing is. De aanvang van de verjaringstermijn van drie jaar is in art. 10 lid 1 WAM uitdrukkelijk gekoppeld aan het schadeveroorzakende feit. In de wetsgeschiedenis van de WAM, in het bijzonder in de memorie van toelichting op de artikelen 10 en 26, is tot uitdrukking gebracht dat het recht dat een benadeelde op grond van art. 6 WAM tegen de verzekeraar van een ander (of onder bepaalde omstandigheden, subsidiair, tegen het Waarborgfonds) kan uitoefenen een bijzonder karakter heeft en dat het daarom niet wenselijk is de verzekeraar (of het Waarborgfonds, ingeval dat subsidiair aansprakelijk is) nog lange tijd na het ongeval aan rechtsvorderingen van de benadeelde bloot te stellen. De keuze voor een korte verjaringstermijn is dus een bewuste. Daarbij is onder ogen gezien en aanvaard, zoals blijkt uit het als bijlage aan de memorie van toelichting gehechte ‘Verslag van de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse Studiecommissie tot eenmaking van het recht’, dat de rechtsvordering tegen de WAM-verzekeraar (en dus ook de subsidiaire tegen het Waarborgfonds) kan zijn verjaard terwijl de rechtsvordering tegen de verzekerde dat nog niet is. Verder geldt dat art. 10 WAM in het huidige lid 2 inmiddels één, nauwkeurig omschreven uitzondering maakt op het aanvangstijdstip van de driejarige verjaringstermijn: in geval van een rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 1210, onderdeel b, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, verjaart deze door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde bekend was of redelijkerwijze bekend had behoren te zijn met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Ook hieruit moet worden afgeleid dat het ‘bekendheidscriterium’ dus niet geldt voor de aan de werking van art. 10 lid 1 WAM onderhevige rechtsvorderingen.

4.5.  De argumenten die Sterpolis heeft aangevoerd ter staving van haar visie op het aanvangstijdstip alsmede de ‘rekkelijkheid’ van de verjaringstermijn en de onredelijkheid van onverkorte toepassing van art. 10 lid 1 WAM stuiten reeds op het voorgaande af. Ten overvloede wordt opgemerkt dat Sterpolis ruimschoots binnen de driejaarstermijn van art. 10 lid 1 WAM de beschikking had over het proces-verbaal van het ongeval, zodat zij binnen drie jaar na het ongeval haar rechtsvordering tegen het Waarborgfonds veilig had kunnen stellen. De situatie die het volgens haar onredelijk maakt dat art. 10 lid 1 WAM strikt wordt toegepast - die waarin haar rechtvordering zou zijn verjaard voordat zij van het bestaan van de rechtsvordering op de hoogte was/had kunnen zijn - heeft zich dus niet voorgedaan. Hoe dit ook zij, uitgangspunt met betrekking tot de vordering van Sterpolis is dat de verjaringstermijn op 14 mei 2001 is aangevangen en dat pas op 18 januari 2005 - dus méér dan drie jaar daarna - een eerste (mogelijke) stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. Voor het slagen van een beroep op verjaring is niet méér nodig dan het aanvangen van de verjaringstermijn en het verstrijken zonder stuitingshandeling van die termijn. Een nadere inhoudelijke toets, zoals de vraag of de aangesprokene in zijn verdedigingsbelangen is geschaad door dat tijdsverloop, mag daarbij niet worden aangelegd. Geconcludeerd moet worden dat de rechtsvordering van Sterpolis ter zake van aanspraken jegens het Waarborgfonds uit hoofde van het ongeval van 14 mei 2001 is verjaard.

4.6.  Aangezien het beroep van het Waarborgfonds op verjaring slaagt en aan Sterpolis daarom haar vorderingen - ongeacht de uitkomst van de hoofdzaak - moeten worden ontzegd, behoeft hetgeen de partijen overigens nog hebben aangevoerd geen (verdere) bespreking.
LJN BA5813

Deze website maakt gebruik van cookies