Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 240993 De bestuurder van auto die tegen andere auto botst is alleen aansprakelijk indien hij schuld heeft aan die botsing

HR 240993 De bestuurder van auto die tegen andere auto botst is alleen aansprakelijk indien hij schuld heeft aan die botsing
 

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(1) Op 15 augustus 1980 heeft op de zuidelijke rijbaan van de Rijksweg 20 te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen:

- een vrachtauto (trekker met oplegger) DAF, bestuurd door Maasland en tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Winterthur;

- een personenauto Citroën-2CV, bestuurd door [verweerder] en tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij OVVM;

- een personenauto Peugeot, bestuurd door [betrokkene 1].

(2) [betrokkene 1] had geen schuld aan de aanrijding en Winterthur heeft aan [betrokkene 1] als zogenaamde schuldloze derde, tegen cessie van alle rechten die deze tegenover derden te gelde kan maken, als schadevergoeding een bedrag van f 88.000, -- betaald.

(3) OVVM heeft de helft van dat bedrag aan Winterthur vergoed.

(4) Noch OVVM noch Winterthur hebben aansprakelijkheid van hun verzekerde erkend.

(5) a. Maasland heeft blijkens een proces-verbaal van de gemeentepolitie te Rotterdam verklaard dat hij bij zijn afslagmanoeuvre richting Ommoord/Alexanderpolder "op het laatste moment" via de rechterdeurbuitenspiegel zag dat er rechts naast hem - ter hoogte van de bestuurscabine - een Citroën reed, waarna hij (Maasland) naar links gereden is, en dat daarna de Citroën opeens dwars voor zijn DAF terechtkwam.

b. [verweerder] heeft in datzelfde proces-verbaal verklaard dat de DAF hem begon in te halen maar plotseling naar rechts uitweek en met de voorbumper de 2CV raakte bij het linkerachterspatbord, waarop [verweerder] - door de schok van de aanrijding - de macht over het stuur verloor en dwars voor de DAF terechtkwam.

c. De getuige Suurd heeft verklaard dat de DAF plotseling en onnodig naar rechts ging zonder richting aan te geven en "zonder goed te kijken wat rechts voor hem zat of was".

4.2 Winterthur heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat [verweerder] schuld heeft aan de aanrijding zodat deze of diens WA-verzekeraar de gehele door [betrokkene 1] geleden schade ad f 88.000, -- moet dragen. Als cessionaris van [betrokkene 1] heeft Winterthur daarom nog een bedrag van f 44.000, -- van [verweerder] te vorderen.

De Rechtbank en het Hof hebben Winterthur belast met het bewijs van haar stelling dat [verweerder] schuld heeft aan de aanrijding. Het Hof heeft daartoe overwogen dat er voorshands blijkens de verklaringen als hiervoor onder 4.1 sub (5) weergegeven, belangrijke indicaties zijn dat alleen Maasland schuldig is aan het ongeval zodat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de onschuldige [betrokkene 1] een vordering ex art. 1401 (oud) BW geldend kon maken jegens [verweerder], hetgeen ook geldt voor Winterthur als cessionaris van die beweerde vordering.

4.3 Onderdeel 1 van het middel bevat geen klacht. Onderdeel 2 bestrijdt 's Hofs hiervoor weergegeven overweging. Het betoogt - kort samengevat - dat, nu vaststaat dat [verweerder] tegen de auto van [betrokkene 1] is gebotst, doch heeft aangevoerd dat hij door een buiten zijn macht staande omstandigheid de macht over het stuur heeft verloren en dientengevolge plotseling uit de koers is geraakt, zodat hij geen schuld heeft aan het ongeval, hij ([verweerder]) die omstandigheid dient te bewijzen en de bewijslast in dat opzicht niet op Winterthur als cessionaris van de vorderingen van [betrokkene 1] rust.

4.4 Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De bestuurder van een auto die tegen een andere auto botst, is alleen dan voor de door de botsing veroorzaakte schade aansprakelijk, indien hij schuld heeft aan die botsing. Het was derhalve aan Winterthur om feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] schuld heeft aan de botsing met [betrokkene 1]. Nu [verweerder] gemotiveerd heeft betwist dat hij schuld heeft aan de botsing, was het ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv. aan Winterthur om de feiten te bewijzen waaruit die schuld kan worden afgeleid. [verweerder] kan slechts met het bewijs van de door hem gestelde feiten worden belast op de feitelijke grond dat Winterthur haar stellingen, behoudens tegenbewijs, reeds afdoende heeft bewezen, dan wel op een van de gronden, vermeld in de slotzinsnede van art. 177 (vgl. HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813).

In cassatie is niet bestreden dat Winterthur haar stellingen niet afdoende heeft bewezen. Voorts volgt uit 's Hofs hiervoor weergegeven overweging dat naar zijn oordeel geen van de zoëven bedoelde gronden zich voordoet.

De bewijslastverdeling waartoe het Hof is gekomen, geeft blijkens het vorenstaande niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt derhalve.

4.5 Onderdeel 3 verwijt het Hof dat het op onvolledige en onbegrijpelijke wijze is ingegaan op de stelling van Winterthur "dat [verweerder], rijdend op de in- uitvoegstrook zowel jegens [betrokkene 1] alsook jegens Maasland voorrangsplichtig was", door slechts de stelling te behandelen dat [verweerder] verzuimd heeft aan Maasland voorrang te verlenen.

Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld omdat het feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft overwogen dat het feitencomplex voorshands onvoldoende grondslag biedt voor het aannemen van het verzuim om aan Maasland voorrang te verlenen. Mede gelet op de verwijzing naar het feitencomplex - waaruit immers blijkt dat de botsing van [verweerder] met [betrokkene 1] een direkt gevolg is van de botsing van [verweerder] met Maasland - ligt in 's Hofs overweging besloten dat het Hof, op gelijke gronden als ten aanzien van Maasland, evenmin aanneemt dat [verweerder] op verwijtbare wijze heeft verzuimd aan [betrokkene 1] voorrang te verlenen. Het Hof was niet tot een nadere motivering gehouden.

4.6 Ook het vierde onderdeel faalt omdat, anders dan het onderdeel veronderstelt, het Hof in het bestreden arrest niet een beslissing heeft gegeven in enig ander geding dan het onderhavige tussen Winterthur en [verweerder]. Hoge Raad 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1071