Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 030726 Van Peursem, na prejudiciële verwijzing HvJ EU; bestuurder verliest hoedanigheid niet doordat inzittende plotseling aan handrem trok

PHR 030726 Van Peursem, na prejudiciële verwijzing HvJ EU; bestuurder verliest hoedanigheid niet doordat inzittende plotseling aan handrem trok

in vervolg op: 
HvJ EU 120226 WAM-bestuurder blijft bestuurder als een inzittende aan de handrem trekt, inzittende kan wel naar nationaal recht aansprakelijk zijn

Deze zaak komt na prejudiciële verwijzing terug uit Luxemburg. De zaak gaat over de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM). Volgens art. 4 lid 1 WAM, waarmee de Nederlandse wetgever heeft voorzien in de thans in art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103/EG voorziene uitzondering, behoeft schade van de bestuurder van het motorrijtuig niet te worden gedekt. De vraag in deze zaak is of een slachtoffer dat bij een ernstig auto-ongeval achter het stuur zat ([eiser]), de hoedanigheid van bestuurder heeft verloren doordat een inzittende tijdens het rijden plotseling de handrem aantrok en daardoor het ongeval veroorzaakte.

De rechtbank heeft deze vraag bevestigend antwoord (ECLI:NL:RBNNE:2020:3725) en het hof ontkennend (ECLI:NL:GHARL:2022:10711). Het cassatiemiddel van de Stichting betoogt in de kern dat het oordeel van het hof dat [eiser] ten tijde van het ongeval nog bestuurder was van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is.

In mijn eerste conclusie voor verwijzing (ECLI:NL:PHR:2023:1166) heb ik betoogd dat [eiser] door het voorval met de handrem abrupt veranderde van bestuurder in verkeersslachtoffer en volgens mij onder de bescherming van de WAM viel. In die conclusie onderkende ik dat de in deze zaak te beantwoorden vraag nog niet met zoveel woorden is beantwoord door het Benelux Gerechtshof of het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), dat indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat over deze vraag gerede twijfel mogelijk is het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU mij het meest praktisch lijkt, maar dat ik, mede gelet op recente Belgische cassatierechtspraak, geen aanleiding zag tot prejudiciële verwijzing.

Bij tussenarrest is vervolgens het voornemen geuit om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat de uitleg van de uitzondering die naar Unierecht ten aanzien van de bestuurder geldt niet buiten redelijke twijfel uit het Unierecht valt af te leiden (ECLI:NL:HR:2024:726). Partijen konden daar nog op reageren, maar hebben daarvan afgezien, waarna de zaak is geschorst en prejudiciële vragen zijn gesteld. De Hoge Raad heeft onder meer gevraagd of het Unierecht (genoemd art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103) zo uitgelegd moet worden dat de verplichte verzekering aansprakelijkheid moet dekken voor de schade van de (aanvankelijke) bestuurder in een geval waarin een inzittende ingrijpt in de besturing van het motorrijtuig en zich door dat ingrijpen een ongeval voordoet (ECLI:NL:HR:2024:1022).

Daarop heeft het HvJEU voor recht verklaard dat art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103 zo uitgelegd moet worden dat de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan (ECLI:EU:C:2026:89).

Na dit antwoord kan mijn nadere conclusie kort zijn; het cassatieberoep faalt.

1Feiten en procesverloop

1.1

Voor de in cassatie vaststaande feiten verwijs ik naar de al genoemde twee tussenarresten in deze zaak uit 20241.

1.2

Voor het procesverloop in feitelijke instanties en in cassatie tot aan mijn eerste conclusie in deze zaak volstaat verwijzing naar mijn eerdere conclusie2. Het verdere procesverloop is als volgt.

1.3

Bij Borgersbrief van 11 januari 2024 heeft de advocaat van Nationale Nederlanden op mijn eerste conclusie gereageerd3.

1.4

Bij het al aangehaalde tussenarrest van 17 mei 2024 heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het stellen van de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU (rov. 5-7):

‘1. Dient art. 12 lid 1 gecodificeerde Richtlijn 2009/103 zo te worden uitgelegd dat de verplichte verzekering aansprakelijkheid moet dekken voor de schade van de (aanvankelijke) bestuurder in een geval waarin een inzittende ingrijpt in de besturing van het motorrijtuig en zich door dat ingrijpen een ongeval voordoet?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vloeien uit het Unierecht dan bepaalde eisen voort die de nationale rechter in acht moet nemen bij de vaststelling of een bestuurder als bedoeld in art. 12 lid 1 gecodificeerde Richtlijn 2009/103 de hoedanigheid van bestuurder in de omstandigheden van het geval heeft verloren en in aanmerking komt voor de inzittendenbescherming volgens de algemene regel?’

1.5

De advocaten van partijen hebben laten weten geen op- of aanmerkingen te hebben en de Hoge Raad heeft ook overigens geen aanleiding gezien tot wijziging of aanvulling van de te stellen vragen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen4.

1.6

Bij het al aangehaalde tussenarrest van 5 juli 2024 heeft de Hoge Raad het HvJEU verzocht over de hiervoor in 1.4 geciteerde vragen uitspraak te doen, iedere verdere beslissing aangehouden en het geding geschorst tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

1.7

Op 12 juli 2024 is het verzoek om een prejudiciële beslissing door de Hoge Raad ingediend bij het HvJEU5.

1.8

Nationale Nederlanden, de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt en op 12 juni 2025 is er bij het HvJEU een zitting geweest6.

1.9

Op 25 september 2025 heeft A-G Biondi vervolgens conclusie genomen7. De A-G heeft het HvJEU in zijn conclusie onder 46 in overweging gegeven art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103 aldus uit te leggen dat ‘de schade die de bestuurder van een voertuig bij een verkeersongeval lijdt, niet wordt gedekt door de verplichte verzekering waarin deze richtlijn voorziet, zelfs niet indien een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van het voertuig waardoor het ongeval zich heeft voorgedaan.’

1.10

Bij het al aangehaalde arrest van 12 februari 2026 is door het HvJEU dienovereenkomstig geoordeeld met de volgende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag (punt 46; zie ook punt 44):

Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

moet aldus worden uitgelegd dat

de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan.

Daarmee werd aan de tweede vraag niet toegekomen (punt 45).

1.11

Na deze uitspraak van het HvJEU hebben partijen de zaak weer opgebracht, waarbij beide partijen hebben afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.

2Nadere bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Ik breng in herinnering dat het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.8-4.13 en de daarop voortbouwende rov. 4.14, 5.1, 5.2 en het dictum van het bestreden arrest8 waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] ten tijde van het ongeval doordat een inzittende aan de handrem trok nog steeds als bestuurder kon worden aangemerkt, zodat de uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade aan de bestuurder in de zin van art. 4 lid 1 WAM van toepassing is en het door [eiser] (althans de Stichting) gevorderde door het hof is afgewezen voor zover dat is gebaseerd op de WAM-dekking.

2.2

Het middel betoogt in de kern dat het oordeel van het hof dat [eiser] ten tijde van het ongeval nog bestuurder was, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is. Volgens het middel kon [eiser] niet langer als bestuurder worden aangemerkt nadat een inzittende de handrem had aangetrokken en [eiser] daardoor niet meer in staat was om de auto zelf nog feitelijk te besturen9.

2.3

Het HvJEU motiveert in de punten 25-43 hoe tot het oordeel wordt gekomen dat [eiser] hier bestuurder is gebleven. Daarbij is in de eerste plaats gelet op de bewoordingen van art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103/EG (punt 25: gedekt is aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van ‘de inzittenden van een voertuig (…), met uitzondering van de bestuurder’ ten gevolge van deelneming aan het verkeer; punt 28: er kunnen in een voertuig meerdere ‘inzittenden, met uitzondering van de bestuurder’ zijn, maar in beginsel maar één bestuurder tegelijkertijd). In de tweede plaats wijst het HvJEU op de context van deze bepaling (punten 29-30: met uitzondering van zelfrijdende voertuigen heeft elk voertuig in het verkeer in beginsel een bestuurder die op de bestuurdersstoel achter het stuur zit en die de mechanische kracht van het voertuig in werking stelt of kan stellen om te laten rijden en punt 31: de samenhang van art. 12 lid 1 en art. 3 vierde alinea van de Richtlijn leert dat het gaat om lichamelijk letsel van ‘de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder’ en punten 32-33: art. 12 leden 2 en 3 en art. 13 lid 3 onderscheiden net als art. 12 lid 1 van de Richtlijn tussen enerzijds de bestuurder en anderzijds andere personen/inzittenden en andere weggebruikers die zich niet in het voertuig bevinden, maar slachtoffer kunnen worden van een verkeersongeval waar dat voertuig bij betrokken is, gevolgd door punt 34: art. 12 van de Richtlijn doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid en het schadebedrag, dus de rol die de handremtrekker heeft gehad bij het ontstaan van de schade kan volgens het nationale aansprakelijkheidsrecht bepalend zijn voor de civiele aansprakelijkheidsvraag en de omvang van de schade, aspecten die verschillen van de persoonlijke reikwijdte van de dekking door de verplichte verzekering waarin de Richtlijn voorziet). Dat culmineert in punt 36:

’36. Al deze tekstuele en contextuele elementen geven aldus aan dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het ingrijpen van een inzittende in de besturing van een voertuig waardoor zich een ongeval voordoet, niet tot gevolg kan hebben dat de bestuurder van dat voertuig zijn hoedanigheid van bestuurder verliest, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan zowel het fundamentele onderscheid tussen bestuurder en derden die slachtoffer zijn, dat kenmerkend is voor het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel van verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, als het onderscheid tussen de verplichting tot dekking door die verzekering en de omvang van de vergoeding van schade uit hoofde van de door het nationale recht geregelde wettelijke aansprakelijkheid voor het ongeval.’

Vervolgens overweegt het HvJEU dat deze uitleg steun vindt in de doelstellingen van de Richtlijn (slachtofferbescherming, punt 38). Daaraan zou volgens punt 39 (onder verwijzing naar punt 40 van de conclusie van de A-G) afbreuk worden gedaan als de persoon achter het stuur op grond van toevallige feitelijke omstandigheden zijn hoedanigheid van bestuurder zou kunnen verliezen door ingrijpen in de besturing door een inzittende: dat zou afbreuk doen aan de slachtofferbeschermingsgedachte met betrekking tot de betreffende inzittende, die door dat ingrijpen dan immers bestuurder wordt en de daaraan inherente rechtsonzekerheid is op zichzelf al onverenigbaar met de slachtofferbeschermingsdoelstelling (punt 40). Onder verwijzing naar de conclusie onder 38 en rechtspraak memoreert het HvJEU in punt 41 dat de door de bestuurder geleden schade sinds Richtlijn 90/232 ‘voortdurend en expliciet was uitgesloten’, waarbij altijd het enige toegestane onderscheid werd gemaakt tussen enerzijds de bestuurder en anderzijds inzittenden/derden-slachtoffers. Daarbij wijst niets erop dat de bedoeling van de Uniewetgever was om tot verdere harmonisatie te komen van verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van gemotoriseerde verkeersdeelname dan dekking van aan derden toegebrachte schade (punt 42). Verplichte verzekeringsdekking van schade geleden door de bestuurder bij een eenzijdig verkeersongeval blijft bij de huidige stand van het Unierecht geregeld door het nationale recht van de lidstaten (punt 43).

2.4

Het zal duidelijk zijn dat hiermee het doek valt voor de cassatiepoging van de Stichting. Het hofoordeel in het arrest a quo geeft in het licht van deze beantwoording van de eerste prejudiciële vraag in deze zaak geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting: [eiser] is na het handremtrekincident door een inzittende bestuurder in de zin van art. 4 lid 1 WAM gebleven. Het hof is dan ook terecht tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting (de bewindvoerder van [eiser]) gekomen voor zover die zijn gebaseerd op de WAM-dekking.

2.5

De motiveringsklachten zie ik evenmin slagen. Die zijn gestoeld op Benelux Gerechtshof-rechtspraak10, een conclusie van A-G Machielse in een strafzaak11, literatuur12 en feitenrechtspraak13, maar niet valt in te zien hoe de gegeven motivering tekort kan schieten nu de betreffende hofuitleg inmiddels is bevestigd door het HvJEU: [eiser] is bestuurder gebleven, zelfs na het aan de handrem trekken door een inzittende. Voor zover al juist zou zijn dat het hofoordeel de conclusie van A-G Machielse in een strafzaak verkeerd zou verstaan, ontbreekt bij die klachten belang, gelet op het in het licht van de prejudiciële uitspraak inmiddels juist gebleken oordeel van het hof dat de bestuurdersuitzondering uit de WAM hier toepassing vindt. Ook afwijkende eerdere rechtspraak en literatuur kan hier niet aan afdoen.

2.6

Het cassatiemiddel zie ik dan ook geen doel treffen.

1HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:726, NJ 2024/220, rov. 2.2 onder (i)-(viii) en HR 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1022, NJ 2024/221, rov. 2.2 onder (i)-(viii).

2Conclusie van 15 december 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:1166), onder 3.1-3.6.

3Het al aangehaalde tussenarrest van 17 mei 2024, rov. 1.

4Het al aangehaalde tussenarrest van 5 juli 2024, rov. 1.2.

5Zie https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0490-24-00000000RP-01-P-01/DDP/289853-NL-1-pdf en https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0490-24-00000000RP-01-P-01/DDP_COMM/291322-NL-1-html.

6Kenbaar uit HvJ EU 12 februari 2026, ECLI:EU:C:2026:89.

7ECLI:EU:C:2025:735, https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document?source=document&text=&docid=304571&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=21465235.

8Hof Arnhem-Leeuwarden 13 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10711, VR 2023/76 m.nt. N.E. Vellinga, JA 2023/29 m.nt. R.S.M. Bosch. De relevante rechtsoverwegingen zijn ook geciteerd in mijn al aangehaalde eerste conclusie in deze zaak, onder 3.5.

9Zie ook de al aangehaalde tussenarresten van 17 mei 2024 en 5 juli 2024, beide in rov. 3.1. Zie voor een uitgebreidere weergave van de onderdelen (1-10) van het middel mijn eerste conclusie onder 4.34.

10BenGH 8 december 1994, ECLI:NL:XX:1994:AD648, NJ 1995/529 m.nt. M.M. Mendel, rov. 17 en 18.

11Vóór HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7292, NJ 2005/542.

12H.J.J. de Bosch Kemper en R. Gruben, De WAM in werking 2015/I.3.4.

13Rb. Limburg 12 februari 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:11513, VR 2014/178.

 

Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2026, ECLI:NL:PHR:2026:668