RBNHO 150726 bedrijfsongeval barman; wg-er aansprakelijk; voorschot € 2.500; aandeel fooienpot afgewezen: barman valt niet onder bedienend personeel
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 150726 wg-er aansprakelijk voor bedrijfsongeval barman; voorschot € 2.500; verwijzing naar schadestaat
- vakantiegeld toegewezen; all-in loon niet schriftelijk overeengekomen; aandeel fooienpot afgewezen: barman valt niet onder bedienend personeel
2. De feiten
2.1.
[eiser] is in oktober 2024 in dienst getreden bij [naam 2] als algemeen horecamedewerker (barman) voor drie dagen per week op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst. Het uurloon bedraagt € 10,50 netto.
2.2.
Op 28 mei 2025 heeft [eiser] een bedrijfsongeval gehad. Hij is sindsdien arbeidsongeschikt.
2.3.
De verzekeraar van [naam 2] heeft de aansprakelijkheid erkend.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert na akte rectificatie eis en akte vermeerdering van eis – samengevat – een verklaring voor recht dat [naam 2] aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval dat hem is overkomen en de materiële en immateriële schade die hij daardoor lijdt en geleden heeft, dient te dragen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarnaast vordert [eiser] betaling van een voorschot van € 2.500,00. [eiser] vordert verder een verklaring voor recht dat [naam 2] bovenop het hem toekomende loon van € 10,50 per uur vakantiegeld aan [eiser] dient te voldoen in de daarvoor bestemde maanden mei of juni en daarover de verschuldigde loonbelasting en sociale premies zelf afdraagt aan de Belastingdienst. [eiser] vordert ook betaling van de wettelijke verhoging, betaling van vakantiegeld en betaling van € 3.943,78 netto aan fooien.
3.2.
[naam 2] voert verweer. [naam 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak met name om de vraag of [naam 2] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft opgelopen vanwege een bedrijfsongeval en veroordeeld moet worden tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding. Verder verschillen partijen van mening wat het loon is van [eiser] en of hij recht heeft op een deel van de fooienpot.
De kantonrechter wijst de verklaring voor recht ten aanzien van het bedrijfsongeval toe
4.2.
De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht toe en motiveert dat als volgt.
4.3.
Vast staat dat [eiser] op 28 mei 2025 een bedrijfsongeval heeft gehad en in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Ook al is de aansprakelijkheid (inmiddels) erkend door de verzekeraar van [naam 2] dan nog kan [eiser] de aansprakelijkheid door de rechter laten vaststellen. Daar heeft [eiser] voldoende belang bij.
De kantonrechter verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure
4.4.
Ook de verwijzing naar de schadestaatprocedure wijst de kantonrechter toe. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is.1 Daaraan is voldaan. [eiser] heeft namelijk schade geleden en de omvang van de schade is in deze procedure niet vast te stellen. Dat betekent dat er grond is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Het voorschot van € 2.500,00 wijst de kantonrechter toe
4.5.
Het in deze procedure door [eiser] gevorderde voorschot van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente wijst de kantonrechter toe. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] lichamelijk letsel heeft opgelopen, behandelingen heeft gehad en daardoor kosten heeft moeten maken. Bovendien gaat [eiser] ook schade lijden door een inkomensdaling. [eiser] heeft verder voldoende onderbouwd waar het bedrag van € 2.500,00 op is gebaseerd en de kantonrechter acht dit ook een reëel bedrag.
Er is geen sprake van een all-in loon
4.6.
[eiser] vordert betaling van niet ontvangen vakantietoeslag. [eiser] stelt daartoe dat geen all-in loon is overeengekomen. [naam 2] voert aan dat wel degelijk een all-in loon is overeengekomen. Volgens [naam 2] zijn partijen uitdrukkelijk mondeling overeengekomen dat in het bedrag van € 10,50 netto het vakantiegeld was ingesloten. De kantonrechter geeft [naam 2] hierin geen gelijk en motiveert dat als volgt.
4.7.
Op grond van artikel 17 lid 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag kan een werkgever met een werknemer schriftelijk een all-in loon overeenkomen zodanig dat de werkgever maandelijks, tegelijk met de loonbetaling, de vakantiebijslag betaalt. Vast staat dat zo’n afspraak niet schriftelijk is vastgelegd. De door [naam 2] gestelde, en door [eiser] betwiste, mondelinge afspraak is daarmee ongeldig. Dat betekent dat er in de maand juni vakantietoeslag moet worden uitbetaald en dat de eerder uitbetaalde bedragen niet als vakantietoeslag aangemerkt kunnen worden. [naam 2] is dus aan [eiser] uitbetaling van vakantietoeslag verschuldigd over de gehele duur van het dienstverband. Hierop wordt hierna ingegaan.
4.8.
De gemachtigde van [eiser] heeft bij dagvaarding gevraagd om uitbetaling van het vakantiegeld van € 483,39. Naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, begrijpt de kantonrechter dat het om een nettobedrag gaat en ziet op vakantiegeld over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 mei 2025. Uitgaande van een maandsalaris van € 840,00, betwist [naam 2] niet dat het vakantiegeld over die periode een bedrag van € 483,39 netto bedraagt. De kantonrechter wijst dit bedrag daarom toe.
4.9.
De kantonrechter ziet aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging te matigen2 tot 25% omdat niet is gebleken van kwade opzet.
4.10.
Bij akte vermeerdering van eis vordert [eiser] veroordeling van [naam 2] tot betaling van het vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. De kantonrechter wijst deze vordering toe als na te melden.
De wettelijke verhoging over het bedrag van € 600,39 wijst de kantonrechter toe
4.11.
Vast staat dat [naam 2] op 12 januari 2026 het achterstallige salaris van € 600,39 netto aan [eiser] heeft betaald. Dat is te laat gebeurd. [eiser] heeft daarom recht op betaling van de wettelijke verhoging. De kantonrechter ziet ook hier aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging te matigen tot 25% omdat niet is gebleken van kwade opzet.
De betaling van fooien wijst de kantonrechter af
4.12.
Partijen hebben tot slot een geschil over de betaling van fooien. [eiser] vordert betaling van € 3.043,78 netto wegens verschuldigde fooien. De kantonrechter wijst deze vordering af en motiveert dat als volgt.
4.13.
[naam 2] voert aan dat de fooienpot onder de bedieningsmedewerkers wordt verdeeld. Volgens [naam 2] is dat binnen haar onderneming gebruikelijk omdat de bedieningsmedewerkers minder salaris ontvangen dan de rest van het personeel en omdat het bedienend personeel ook verantwoordelijk is voor eventuele kastekorten.
4.14.
De kantonrechter stelt voorop dat fooi geen loon is omdat dit niet door [naam 2] als werkgever wordt betaald, maar door derden. Vast staat dat partijen niets hebben afgesproken over de afdracht van fooi. Ook staat vast dat [eiser] de functie van barman heeft en dat hij dus niet onder het bedienend personeel valt. Dat [eiser] incidenteel, bij drukte, door [naam 2] is ingezet in de bediening, maakt hem, anders dan hij zelf stelt, geen onderdeel van het bedienend personeel. [eiser] was daarnaast ook nooit verantwoordelijk voor eventuele kastekorten.
4.15.
Het bovenstaande betekent dat er geen grond is om op grond van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW) [naam 2] als werkgever te verplichten [eiser] deel te laten nemen in de fooi.
Rechtbank Noord-Holland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8141
