Overslaan en naar de inhoud gaan

Overheid.nl 240326 Reactie op verzoek Dwarslaesie Organisatie Nederland o.m. over onbedoelde fiscale en vermogensgevolgen bij letselschade

Overheid.nl 240326 Reactie op verzoek Dwarslaesie Organisatie Nederland o.m. over onbedoelde fiscale en vermogensgevolgen bij letselschade  

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in de  procedurevergadering van 27 januari 2026 verzocht om een reactie op de brief  van de Dwarslaesie Organisatie Nederland over knelpunten binnen het huidige  stelsel van sociale zekerheid. Hierbij reageer ik mede namens de staatssecretaris  van Financiën op de gestelde punten en verbetervoorstellen in de brief. 
Ik wil de afzender van de brief allereerst bedanken. In de brief worden ervaren knelpunten binnen het stelsel van sociale zekerheid en ondersteuning onder de  aandacht gebracht die met name mensen raken die op jonge leeftijd ernstig  lichamelijk beperkt raken. Op basis daarvan worden ook verbetervoorstellen  gedaan. Ik realiseer me hoeveel impact deze situatie kan hebben voor mensen die  hiermee te maken hebben. Het ontvangen van deze signalen en ervaringen is van  grote waarde. Zij bieden inzicht hoe beleid kan uitwerken en benadrukken het  belang om bij wijzigingen en verbeteringen van het stelsel oog te hebben voor  deze doelgroep.  
De brief bevat onderwerpen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de  ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) 
(arbeidsongeschiktheid), Financiën (fiscale behandeling van  letselschadevergoeding) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) (Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz)). In deze reactiebrief wordt ieder afzonderlijk punt uit de brief in cursief herhaald en  wordt er een reactie gegeven. 

WIA – Structurele bestaansonzekerheid bij jonge, duurzaam  arbeidsongeschikten 
Wanneer iemand op jonge leeftijd door aantoonbare medische oorzaken duurzaam  niet of nauwelijks belastbaar raakt, blijkt het in de praktijk vrijwel onmogelijk om  boven bijstandsniveau uit te komen. Tegelijkertijd is deze groep sterk afhankelijk  van aanvullende ondersteuning, zoals Wmo voorzieningen, die vaak beperkt of  niet worden toegekend. (...) Het huidige stelsel zet deze jongeren onder druk om  (gedeeltelijk) te participeren op de arbeidsmarkt, terwijl dit veelal leidt tot  overbelasting, terugval en frustratie, zowel voor henzelf als voor werkgevers.  

Voorstel:  
Introduceer een structurele uitkering boven bijstandsniveau voor mensen die  aantoonbaar en duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn geraakt door  lichamelijke of medische oorzaken, zonder reëel perspectief op herstel of  arbeidsparticipatie. 

Het is niet de bedoeling dat mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt  zijn verklaard, druk voelen om te participeren naar werk. Voor hen, bestaan er  uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening  jonggehandicapten (Wajong) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen  (WIA).  
De Wajong-uitkering dient als vangnet voor mensen die al op jonge leeftijd – nog  vóór hun start op de arbeidsmarkt – duurzaam geen arbeidsvermogen hebben  door een ziekte of handicap. Deze uitkering biedt hen een inkomensvoorziening op  het sociaal minimum, waarbij de hoogte 75% van het bruto wettelijk  minimumloon bedraagt. Ook komen zij in aanmerking voor de  jonggehandicaptenkorting. Het totale inkomen van deze doelgroep komt daardoor  boven het netto sociaal minimum terecht.  
Voor degenen die wel al op de arbeidsmarkt actief waren, maar dit wellicht nog  maar kort waren of tegen een (relatief) laag loon, is er de WIA-uitkering. Deze  uitkering biedt, bij volledige arbeidsongeschiktheid een IVA-uitkering van 70% of  75% van het (gemaximeerde) oude loon.1 Wanneer de inkomsten uit deze  uitkeringen en daarmee het gezinsinkomen minder zijn dan het geldend sociaal  minimum (bijstandsniveau), kan een aanvulling vanuit de Toeslagenwet en/of de  Participatiewet worden verstrekt.  
Kenmerk van de UWV-uitkeringen (zoals Wajong, WIA en Toeslagenwet), is dat er  geen sprake is van een partnerinkomens- of vermogenstoets, zoals de  Participatiewet kent. Voorts kunnen mensen met een Wajong- of WIA-uitkering in  aanmerking komen voor aanvullende inkomensregelingen zoals fiscale toeslagen  of gemeentelijk minimabeleid. Er zijn geen voornemens om een andere uitkering  voor deze doelgroep te creëren.

IVA – Behoud van een vangnet voor aantoonbaar blijvend letsel  
Op 12 december jl. verscheen in het Algemeen Dagblad een artikel waarin wordt  geadviseerd de hogere IVA-uitkering af te schaffen. Daarbij werd expliciet  benoemd dat mensen met terminale kanker en mensen met een dwarslaesie  hierdoor ernstig zouden worden benadeeld.  
1 In het Coalitieakkoord 2026-2030 is besloten om de nieuwe instroom in de IVA-uitkering  met een uitkering van 75% van het dagloon per 2030 af te sluiten. Dit betekent dat vanaf  2030 de WIA-uitkering voor volledig arbeidsongeschikten 70% van het dagloon bedraagt. 

Voorstel:  
Voer herbeoordelingen uit waarbij uitsluitend mensen met aantoonbaar en  blijvend lichamelijk letsel, zonder arbeidsmogelijkheden, voor 100% in de IVA  blijven. Voor mensen met psychische klachten kan een andere WIA-vorm worden  ingericht, waarin re-integratie en herstel centraal staan. Hiermee wordt de IVA  weer een gericht vangnet voor wie dit daadwerkelijk nodig heeft. Een vangnet,  geen hangmat. 

In het coalitieakkoord2 is afgesproken om de toegang tot de IVA-uitkering voor  volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers af te sluiten voor nieuwe  instroom. Dit betekent dat werknemers die na 2029 aan de criteria voldoen geen  IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering krijgen die 70% van het (gemaximeerde)  oude loon bedraagt. Hiermee wordt de WIA vereenvoudigd en worden de  wachtlijsten, complexiteit en uitvoeringsproblemen bij het UWV verminderd. Het  voorstel om de IVA voor een groep te behouden is begrijpelijk, maar een  onderscheid naar de ziekteoorzaak, zoals door de Dwarslaesie Organisatie  Nederland wordt voorgesteld, past niet in het huidige  
arbeidsongeschiktheidsstelsel dat in Nederland geldt. Iedere werknemer die ziek  wordt kan recht krijgen op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, ongeacht de  oorzaak ervan of het type ziekte. Hierdoor wordt aan iedere werknemer een gelijk  vangnet geboden bij langdurige arbeidsbeperkingen. Mensen die op het moment  van inwerkingtreding al recht op een IVA-uitkering hebben, houden recht op een  IVA-uitkering.

Letselschade – Onbedoelde fiscale en vermogensgevolgen  
Letselschadevergoedingen worden momenteel aangemerkt als belastbaar  vermogen, terwijl deze vergoedingen in de praktijk vaak slechts een beperkte  compensatie vormen voor levenslange extra kosten.  

Voorstel: 
Introduceer een geblokkeerde letselschaderekening waarop vergoedingen worden  gestort. Het vermogen op deze rekening valt buiten belastingheffing en  vermogenstoetsen; opnames zijn uitsluitend mogelijk door de betrokkene zelf. 

Naar aanleiding van de vraagstelling wordt ervan uitgegaan dat het voorstel  gericht is op de belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting en op  inkomensafhankelijke regelingen. Gepleit wordt voor de introductie van een  geblokkeerde letselschaderekening die voor de vermogensrendementsheffing in  box 3 en voor de vermogenstoetsen voor toeslagen is vrijgesteld. Wij hebben  begrip voor het verzoek. De vergoeding is voor deze personen geen ‘extraatje’,  maar vaak noodzakelijk om te kunnen voorzien in bepaalde kosten. 
Daarom is het belangrijk om duidelijk op het netvlies te hebben dat in box 3 niet  over het bedrag van de letselschadevergoeding zelf wordt geheven, maar alleen  over het daarmee behaalde rendement. Uitgaande van een bankrekening zal het om rente gaan. In het huidige stelsel van box 3 wordt over banktegoeden een  forfaitair rendement van 1,28% (voorlopige percentage voor 2026) tot het box 3- inkomen gerekend. Dat forfaitaire percentage ligt dicht bij de rente die banken op  dit moment op spaarrekeningen vergoeden. In gevallen waar het werkelijke  rendement lager is dan het wettelijke forfait, bestaat de mogelijkheid om gebruik  te maken van de wettelijke tegenbewijsregeling. Is het werkelijke rendement  lager dan het forfaitair berekende rendement, dan vormt alleen het lagere  werkelijke rendement de grondslag voor de box 3-heffing van 36% (2026).  

Wij zien geen goede reden waarom dergelijke rendementen uitgezonderd zouden  moeten worden in box 3, terwijl het rendement alleen een uitvloeisel is uit het  bedrag dat als schadevergoeding is ontvangen en geen onderdeel uitmaakt van de  eigenlijke schadevergoeding. Ook met het oog op bijvoorbeeld een  derdengeldenrekening van een notaris, die vergelijkbaar is met een geblokkeerde  rekening en waarvan het rendement eveneens in de box 3-heffing van de  gerechtigde tot dat tegoed wordt betrokken, ligt een afwijkende behandeling van  een geblokkeerde letselschaderekening niet voor de hand.  

Daarnaast is het gebruikelijk dat bij het bepalen van de omvang van de schade  rekening wordt gehouden met gevolgschade. De ingeschatte belastingheffing als  gevolg van de te ontvangen schadevergoeding is een gevolgschade waardoor de  schadevergoeding hoger zal worden vastgesteld. In het geval er door een  vrijstelling geen belastingheffing wordt verwacht zal de schadevergoeding  dientengevolge ook lager worden vastgesteld.3 

Dit geldt eveneens voor inkomensafhankelijke regelingen. Het kabinet gaat ervan  uit dat bij het vaststellen van de hoogte van een vergoeding voor letselschade  rekening wordt gehouden met het feit dat het ontvangen van een hoog bedrag  kan betekenen dat burgers hun aanspraak verliezen op een regeling, zoals een  toeslag.4 Deze werkwijze zorgt ervoor dat slachtoffers niet nog apart een verzoek  bij de Dienst Toeslagen hoeven in te dienen of met andere administratieve lasten  die horen bij het aanvragen van een toeslag te maken krijgen. Een ander  belangrijk voordeel is dat slachtoffers aan de voorkant zekerheid hebben over het  te ontvangen bedrag en aan de hand daarvan geplande uitgaven kunnen doen.  Daarom is voor de toeslagen geen specifieke vermogenstoetsuitzondering voor  letselschadevergoedingen nodig. 

Naast deze beleidsmatige overwegingen dienen ook administratieve en  uitvoeringstechnische aspecten meegewogen te worden. De toenmalige  Staatssecretaris van Financiën heeft een vergelijkbare vraag begin 2020 grondig  onderzocht. Ik verwijs voor de uitgebreide onderbouwing naar de Kamerbrief van  21 februari 20205 en geef hier in het kort de belangrijkste overwegingen weer. De  belangrijkste conclusie uit dat onderzoek was dat “een aparte rekening voor de  schadevergoeding geen oplossing biedt. Een voorwaarde voor een vrijstelling in  box 3 is weliswaar dat bepaalbaar moet zijn wat onder de vrijstelling valt. De  schadevergoeding is echter vrij besteedbaar en een slachtoffer kan zelf bepalen  van welke rekening hij uitgaven betaalt. Bij een afname van het vermogen als  gevolg van uitgaven in verband met de schade zou dit vanaf de aparte rekening  moeten worden gedaan. Het is echter niet traceerbaar of deze uitgaven van de  aparte rekening worden gedaan of op andere wijze.” Ook een geblokkeerde  rekening zou dus niet kunnen voorkomen dat de gerechtigde zijn kosten in  verband met de geleden schade uit andere geldmiddelen betaalt die op niet  vrijgestelde bankrekeningen staan en de geblokkeerde rekening juist vanwege de  daarop toe te kennen vrijstelling niet aantast. Dat is niet de bedoeling en zou  oneigenlijk gebruik van een fiscale regeling – de vrijstelling – bevorderen. 

Een geblokkeerde letselschaderekening zou het inregelen van een  ‘volgsystematiek’ noodzakelijk maken.  
Dat betekent dat de ontvanger van een schadevergoeding een administratie moet  bijhouden en zich steeds bewust moet zijn van welke rekening hij uitgaven doet.  Een volgsysteem is ook noodzakelijk om een dergelijke uitzondering voor de  Belastingdienst uitvoerbaar te laten zijn. Bij een volgsysteem is bijvoorbeeld te  denken aan opnamevoorwaarden, geen mogelijkheid hebben tot het doen van  stortingen en een renseigneringsverplichting.6 Dit zou veel vragen van het  slachtoffer, de banken en financiële instellingen die met een hierop gerichte  controletaak zouden moeten worden belast, en van de Belastingdienst. 

Wmo – Ongelijkheid, gebrek aan deskundigheid en beperkte  keuzevrijheid  
De uitvoering van de Wmo verschilt sterk per gemeente en leidt tot grote  ongelijkheid. Beslissingen worden vaak genomen door beleidsmedewerkers zonder  ervaringskennis van leven met een (ernstige) lichamelijke beperking, terwijl deze  beslissingen langdurige en ingrijpende gevolgen hebben voor de zelfstandigheid  van aanvragers. Daarnaast leidt gemeentelijke autonomie tot schrijnende situaties  bij verhuizingen, waarbij mensen hun hulpmiddelen moeten inleveren of opnieuw  moeten aanvragen. Ook de huidige inkoopstructuur, met langdurige contracten  met enkele grote leveranciers, leidt in de praktijk tot beperkte keuzevrijheid en  een focus op kostenbeheersing boven kwaliteit van leven.  

Voorstellen:  
- Verplicht de inzet van een ervaringsdeskundige (bij voorkeur een  rolstoelgebruiker) bij Wmo-beoordelingen.  
- Overweeg hercentralisatie van de Wmo op landelijk niveau om rechtsgelijkheid  te waarborgen.  
- Herzie de inkoopstructuur van hulpmiddelen om keuzevrijheid, kwaliteit en  maatwerk te verbeteren. 

De Wmo is een voorzieningenwet die is gedecentraliseerd naar gemeenten.  Daarmee bestaat de ruimte voor gemeenten om lokaal maatwerk te kunnen  bieden en zijn verschillen tussen bijv. de toegang en het voorzieningenaanbod van  gemeenten te verklaren. Gemeenten beoordelen per burger (via het  keukentafelgesprek) de persoonlijke ondersteuningsbehoefte en doen een passend  ondersteuningsaanbod. 

Bij het in kaart brengen van een ondersteuningsbehoefte is de gemeente volgens  de Wmo verplicht om de burger met een ondersteuningsbehoefte desgewenst  onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden. Deze cliëntondersteuning mag in de  vorm van een ervaringsdeskundige worden ingezet, maar kan ook een  maatschappelijk werker of een specialistische ondersteuner zijn die alles weet van  het Wmo-voorzieningenaanbod in betreffende gemeenten en het aanvraagproces.  Een cliëntondersteuner kan helpen bij het in kaart brengen van de situatie en de  specifieke behoeften en dat omzetten naar een duidelijke hulpvraag aan  gemeente. Ook kan een cliëntondersteuner meegaan naar gesprekken met de  gemeente of zorgaanbieder. Een cliëntondersteuner helpt ook Wmo-cliënten die  ontevreden zijn over het aangeboden Wmo-hulpmiddel of ondersteuning.  

Het benoemde knelpunt rondom verhuizen wordt herkend en is inmiddels aangepakt door de VNG. Er is een convenant meeverhuizen van individuele  mobiliteitshulpmiddelen afgesloten. Daardoor kunnen hulpmiddelen meeverhuizen  naar een nieuwe gemeente bij verhuizing hun hulpmiddel behouden bij verhuizing.  Ook aanbieders zijn hierbij betrokken.  

Dit convenant betekent een grote verbetering voor Wmo-cliënten met een op  maat-gemaakt hulpmiddel (bijvoorbeeld door een dwarslaesie) die naar een  andere gemeente verhuizen. 
Het ministerie van VWS (h)erkent ook de signalen dat de Wmo in specifieke  gevallen niet goed uitwerkt, VWS heeft de afgelopen jaren een uitgebreide  houdbaarheidsstudie gedaan en heeft op dit moment in overweging welke  aanpassingen het in de kaders kan doen om zorg en ondersteuning ook in de  toekomst beschikbaar en houdbaar te houden. De aanbeveling van Dwarslaesie  Organisatie Nederland om de Wmo als geheel weer te centraliseren wordt op dit  moment niet overwogen. 

Wlz – Oneigenlijk gebruik en verdringing van zorg  
Binnen de Wlz bestaat een groep cliënten die naast een WIA-uitkering  gebruikmaakt van langdurige zorg zonder dat hier altijd een reële medische  noodzaak voor is, met name in de persoongebonden budget (pgb) vorm.  Oneigenlijk gebruik leidt tot druk op budgetten, waardoor aanscherpingen juist de  mensen treffen die de Wlz wél dringend nodig hebben, zoals mantelzorgende  partners en ouders van meervoudig gehandicapte kinderen.  
Voorstel:  
Versterk controle, herbeoordeling en medische objectivering binnen de WLZ om  middelen doelgericht en rechtvaardig in te zetten 

Het signaal van onnodig zorggebruik binnen de Wlz wordt niet herkend door het  ministerie van VWS. De Wlz is bedoeld voor de meest kwetsbare mensen die  blijvend zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg of toezicht. Toegang tot de Wlz is  uitsluitend mogelijk na een onafhankelijke indicatiestelling door het Centrum  indicatiestelling zorg (CIZ), dat vaststelt of iemand (medisch gezien) recht heeft  op Wlz-zorg en of er sprake is van een blijvende zorgbehoefte. Instroom in de Wlz  zonder vastgestelde (medische) noodzaak door het CIZ is niet mogelijk en de  veronderstellingen hierover zijn onjuist. De voorgestelde maatregelen sluiten  daarmee tevens niet aan bij de feitelijke inrichting en werking van de Wlz. 

Aanvullend – Gevolgen harmonisatie arbeidsrecht Wlz per 1 januari 2026  
Per 1 januari 2026 leidt de harmonisatie van arbeidsrechtelijke regels binnen de  Wlz ertoe dat alle zorgverleners, inclusief pgb-gefinancierde zorgverleners, onder  dezelfde werkgeversverplichtingen vallen. Voor cliënten die zorgverleners meer  dan drie dagen per week inzetten, betekent dit een aanzienlijke toename van  werkgeverslasten (gemiddeld circa 20% van het brutoloon), die worden betaald  uit het individuele zorgbudget. Met als gevolg dat er minder budget beschikbaar is  voor daadwerkelijke zorg. Er een toenemende druk op Wlz-middelen komt. Het  zorgt voor een onevenredige impact op zwaar zorgafhankelijke cliënten. Met risico  op zorgverschraling en discontinuïteit  
Voorstellen:  
- Introduceer een structurele compensatieregeling binnen de Wlz voor extra  werkgeverslasten.  
- Creëer een uitzonderingspositie voor aantoonbaar zwaar zorgafhankelijke  cliënten.  
- Richt een aparte financieringslijn in voor werkgeverslasten, los van individuele  zorgbudgetten.  
- Differentieer tussen professionele zorgrelaties en informele of familiale zorg  binnen pgb-constructies.

Een deel van de zorgen die de Dwarslaesie Organisatie Nederland beschrijft rond  het werkgeverschap worden herkend. Na parlementaire goedkeuring, treedt het  Wetsvoorstel aanpassing Regeling dienstverlening aan huis met terugwerkende  kracht per 1 januari 2026 in werking. 
Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de rechten van pgb-zorgverleners met een  arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen per week. De rechten worden  zoveel mogelijk gelijkgetrokken met de rechten van de pgb-zorgverleners met een  arbeidsovereenkomst van vier of meer dagen per week. 
Het kabinet zet zich verder in om, onder andere via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), budgethouders zo goed mogelijk te ondersteunen. Dit betekent ook dat er  een compensatie voor de werkgeverspremies is georganiseerd voor dit en volgend  jaar. Na deze periode geldt dat het kabinet samen met de verstrekkers van het  persoonsgebonden budget de gevolgen van deze wetswijziging nauwlettend volgt. 
Tegelijkertijd wordt herkend dat werkgeversverplichtingen voor mensen met een  pgb zwaar kunnen vallen. Daarom wordt, mede naar aanleiding van de ‘stand van  de uitvoering’ die de SVB vorig jaar heeft gemaakt, gezocht naar mogelijkheden  voor passende oplossingen voor het werkgeverschap in het pgb. Uw Kamer wordt  hierover op een later moment geïnformeerd door de minister van Langdurige  Zorg, Jeugd en Sport. 
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
J.A. Vijlbrief
open.overheid.nl

1 In het Coalitieakkoord 2026-2030 is besloten om de nieuwe instroom in de IVA-uitkering met een uitkering van 75% van het dagloon per 2030 af te sluiten. Dit betekent dat vanaf 2030 de WIA-uitkering voor volledig arbeidsongeschikten 70% van het dagloon bedraagt. 
2 Coalitieakkoord 2026-2030 – ‘Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland'
3 Kamerstukken II 2019/20, 35302, nr. 7, p. 2 en 3. 
4 Kamerstukken II 2024/25, 35574, nr. 32. 
5 Kamerstukken II 2019/20, 35026, nr. 75.
6 Kamerstukken II 2019/20, 35302, nr. 7, p. 2.