Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's Gravenhage 310112 verjaring vordering verzekerde op avp-verzekeraar; overgangsrecht

Hof 's Gravenhage 310112 verjaring vordering verzekerde op avp-verzekeraar; overgangsrecht 

3.1  Het hof ziet aanleiding om grieven III en IV, gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het tijdstip waarop de verjaringstermijn is gaan lopen en het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellant] op ASR op 1 januari 2007 is verjaard, eerst en gezamenlijk te behandelen. 

3.2  Het hof stelt voorop dat voor beantwoording van de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen, niet relevant is of en wanneer ASR een definitief standpunt heeft ingenomen over het al dan niet doen van een uitkering. Onder het oude recht (vóór de inwerkintreding van titel 7.17 BW op 1 januari 2006) was bepalend het moment van opeisbaarheid van de vordering tegen de verzekeraar, in het geval van een aansprakelijkheidsverzekering derhalve het moment dat de verzekerde door een derde-benadeelde aansprakelijk was gesteld voor aan die derde toegebrachte schade. Dit brengt in het onderhavige geval met zich dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 20 augustus 1998, de datum waarop [X c.s.] [appellant] schriftelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door [X c.s.] gestelde schade. Onder het oude recht deed het innemen door een verzekeraar van een standpunt met betrekking tot de aanspraak op uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, geen nieuwe verjaringstermijn ingaan. 

3.3  Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de brief van de curator van [appellant] van 16 december 2002 is aan te merken als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW. Indien wordt aangenomen dat een lopende verjaringstermijn op 16 december 2002 is gestuit, dan kan dit niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] op ASR leiden, nu ASR ook dan een geslaagd beroep op verjaring toekomt. Het hof overweegt daartoe als volgt. 

3.4  Niet in geschil is dat de verjaringstermijn is gaan lopen vóór de inwerkingtreding van titel 7.17 BW, zodat aanvankelijk de algemene verjaringstermijn van vijf jaar uit artikel 3:307 BW van toepassing was. Indien wordt aangenomen dat de verjaring op 16 december 2002 is gestuit, dan is ingevolge het bepaalde in artikel 120 Ow NBW jo. 3:319 BW op 17 december 2002 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen, die dus in beginsel op 17 december 2007 zou aflopen. Op 1 januari 2006 is evenwel met onmiddellijke werking artikel 7:942 BW inwerking getreden, waarin voor een vordering als de onderhavige een verjaringstermijn van drie jaren is geïntroduceerd. Op grond van artikel 73 Ow NBW is de oude vijfjaarstermijn nog een jaar lang, dus tot 1 januari 2007, van toepassing gebleven. Aangezien de nieuwe driejarige verjaringstermijn op dat moment reeds was verstreken, en gesteld noch gebleken is dat de verjaring door of namens [appellant] vóór 1 januari 2007 is gestuit, was de vordering per die datum verjaard. 

3.5  [appellant] stelt verder nog dat, nadat ASR bij brief van 20 februari 2002 aan de curator van [appellant] had meegedeeld geen uitkering te zullen doen, er geen nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Volgens [appellant] voldoet die afwijzingsbrief niet aan de op grond van het van 1 januari 2006 tot 1 juli 2010 geldende artikel 7:942 lid 2 BW daaraan te stellen vereisten, te weten dat het een aangetekende brief dient te zijn waarin de verzekeraar de aanspraak ondubbelzinnig afwijst onder de eveneens ondubbelzinnige vermelding dat in geval van afwijzing de rechtsvordering verjaart door verloop van zes maanden. Dit betoog gaat niet op. In de eerste plaats heeft [appellant] daarbij geen baat, omdat het niet voldoen aan de bedoelde vereisten, anders dan [appellant] lijkt te betogen, niet tot gevolg heeft dat helemaal geen verjaringstermijn liep. Immers, bij wegdenken van de brief van 20 februari 2002 liep de termijn vanaf 20 augustus 1998 en vervolgens opnieuw vanaf 16 december 2002. Ten overvloede overweegt het hof dat [appellant] zich niet op de rechtsgevolgen van het ontbreken van voornoemde vereiste voorschriften uit artikel 7:942 lid 2 BW kan beroepen, nu dat artikel ten tijde van de afwijzingsbrief in februari 2002 nog niet van toepassing was. De stelling van [appellant] dat ASR na inwerkintreding van titel 7.17 BW alsnog met terugwerkende kracht aan de voornoemde vereisten had moeten voldoen, vindt geen steun in de wet, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. 

3.6  [appellant] voert tot slot aan dat de afwijzingsbrief van ASR van 20 februari 2002 – op een aantal door [appellant] aangevoerde inhoudelijk gronden – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens [appellant] komt daarmee het rechtsgevolg van die beslissing, te weten de aanvang van een nieuwe verjaringstermijn, te vervallen. Dit betoog faalt reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, ook bij het wegdenken van de afwijzing een verjaringstermijn liep, die op 1 januari 2007 verstreek. Voor zover [appellant] anderszins heeft willen betogen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft hij dat betoog met onvoldoende rechtens relevante argumenten onderbouwd. LJN BV2535

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies